donderdag 21 juni 2018

Tegen de dood - Hendrik Carette

Ik ren voor de Dood uit, ademloos. 
Gerard Reve 

Samen met Elias Canetti vecht ik nu tegen de dood, want vandaag (20 maart 2018) kocht ik zijn boek Das Buch gegen den Tod (Amsterdam : De Arbeiderspers, 2016), weliswaar in de Nederlandse vertaling van Ria van Hengel, in de reeks van het privédomein. Ik ben nu oud genoeg om ook dit boek te lezen. En tegen de dood te leven.

*
Alle Serapionbroeders zijn nu dood. In 1921 in Sint-Petersburg werd deze groep Russische schrijvers opgericht. Michaël Zosjtsjenko was een Serapionbroeder.
*
Hans Groenewegen was een groot lezer. En ik las graag zijn essays in zijn boek De lezer (Groningen: Historische Uitgeverij, 2015), maar hij is al dood en hij schreef over dichters zoals Kees Ouwens, Hans Faverey, Lucebert, Cor Jellema en Riekus Waskowsky die allen ook al dood zijn. Wie zei ook weer; un poète doit rester vivant
*
Jorge Luis Borges is helemaal nog niet dood. Hij is de eeuwige en enige bibliothecaris van de Grote Bibliotheek in Alexandrië.
*
De abrupte dood van Bruce Chatwin in 1989 was geen goede dood. Zijn boeken zoals o.m. Anatomie van de rusteloosheid (1995) en Wat doe ik hier (1995) waren lange tijd, en misschien nu nog, de boeken die mij in leven hielden in de vorige eeuw. Ik denk dat ik al de zes of zeven boeken heb gelezen van deze charmante en unieke verhalenverteller en wereldreiziger (hij reisde doorheen Patagonië, Soedan, Afghanistan, Wales en Australië) die stierf in Nice. Zijn schrijversleven begon in Patagonië met zijn boek In Patagonia dat in 1977 bij Jonathan Cape in Londen werd uitgegeven en toen jaar later volgden nog The Songlines en al zijn andere unieke meesterwerken en in 1986 zelfs nog Patagonia Revisited samen met zijn goede vriend Paul Theroux die nog altijd schrijft en leeft.
*
De grote lezer van Céline, La Fontaine, Rimbaud en Nietzsche is de Franse acteur en ook met een nu haast ouderwets geworden woord de voordrachtskunstenaar of misschien beter de recitant Fabrice Luchini (°Parijs, 1951) en hij vertelt over zijn oudere broer die sprak van La mort dans le slip…La mort dans l’âme was mij al bekend, maar deze dood nog niet.
*
De dichter voegt niet de daad maar de dood bij het woord.
*
Het meest suggestieve, klankrijke en lugubere Nederlandstalige gedicht van de vorige eeuw is het gedicht ‘Sterven te Antwerpen’ van de dichter Maurice Gilliams. De eerste strofe van dit sonore sonnet begint aldus:

De stenen engel aan de Cathedraal
heft zijn balans te middernacht voor die bezwijken.
Het heir der luizen kraakt. De katten zijken
in kromme gangen waar geen tocht door jaagt.


Amai, wat een superieure toon en wat een stringente verzen; dat is nog eens iets anders dan de vele verzen van vele andere dichters die slechts de toon van zieke en verwarde sentimentele stamelaars laten horen.
*
Bernard Groethuysen werd in 1880 geboren in Berlijn en stierf in 1946, mijn geboortejaar, in Luxemburg. Zijn vader was een Nederlandse arts en zijn Russische moeder luisterde naar de roepnaam Olga. Op de boulevard Raspail in Parijs, in de boekhandel van het prestigieuze uitgevershuis Gallimard kocht ik twee boeken van deze filosoof en socioloog die hier bijna niemand kent. Pas in 1947,één jaar na zijn dood verscheen postuum Mythes et portraits met niet minder dan twee inleidingen (één préface van Jean Paulhan en een avant-propos) en zijn dof glanzende essays over Sint Augustinus, Meester Eckhart, Goethe, Kafka, Hölderlin, Bayle en Carolus Bovillus.
*
De voorbije jaren leerde ik dankzij George Steiner ook de kleurrijke Franse filosoof, hoogleraar en journalist Pierre Boutang (1916-1998) kennen. Was hij een fascist? In elk geval was hij een felle monarchist en een volgeling van Charles Maurras van de Action Française. Zijn monumentaal opus heeft als titel Ontologie du secret (1973) . Wie dit ontzaglijk moeilijke boek kan lezen en ontleden is geen gewone lezer meer, maar wordt al lezende een echte geniale erudiet. Heel het leven van Boutang lijkt trouwens op een harde strijd tegen de onvermijdelijke onoverwinnelijke dood.
*
Wie de waarde van de mythen wil bestuderen moet de studies van de Duitse hellenist Walter F. Otto bestuderen. De antieke Griekse mythen zijn nog lang niet dood.
*
Toen ik nog jong was las ik het boek La mort de Céline (Parijs: Christian Bourgois, 1966, in 1969 uitgegeven als goedkope pocket) van de politieke avonturier (hij was in Lissabon en de Portugese kolonie Angola om de nationalistische rebellen te steunen), unieke uitgever (éditions de l’Herne) en auteur Dominique de Roux die boeken schreef over de Amerikaan Ezra Pound en de Pool Witold Gombrowicz. Zijn zoon Pierre-Guillaume de Roux is nu ook uitgever en evenals zijn vader een verrassend goede Franse uitgever.
*
Dat de wonderzinnige Jozef Deleu (°Roeselare, 1937) zolang blijft leven is een zegen voor de hele Nederlandstalige poëzie. Wie anders heeft Het Liegend Konijn opgericht en als enige redacteur al vijftien jaargangen laten verschijnen. Ik vrees echter dat na zijn dood ook deze Vlaamse reus voorgoed zal verdwijnen.
*
In het prachtboek Ik kan de Muzen niet haten (Groningen: Historische Uitgeverij, 2004) van de eminente latinist en vertaler (goede vertalers zijn altijd goede lezers!) Piet Schrijvers staat een hoofdstuk met als titel ‘Een dode spreekt’; een bevlogen essay over de hekserij en magie in het epos van de Romeinse dichter Lucanus. Een dode kan natuurlijk niet meer spreken. Maar in de letteren kan alles. En het is een waar prachtboek. Ik geef u nog de ondertitel: ‘over poëtische geestdrift en stoïcijnse standvastigheid’.
*
In het essay ‘La vie de Goethe’ schreef Bernard Groethuysen: La vie est toute en surface, la mort en profondeur. L’une, c’est le temps et l’autre l’éternité.
*
Het nieuwe belangwekkende boek van de hier in Vlaanderen veel te weinig gewaardeerde Nederlandse auteur Kester Freriks (°Djakarta, 1954) is Stilte, ruimte, duisternis (Amsterdam: Athenaeum- Polak & Van Gennep, 2018) en het is een mooi meditatief driedelig boek en in het derde deel vond ik op pagina 233 e.v. dit over de dood en ik citeer: ‘De Engelse dichter Edward Young publiceerde tussen 1742 en 1745 zijn epische vers The Complaint, or Night-toughts on Life, Death and Immoratlity, vertaald in 1790 door Joannes Lublink als Nachtgedachten van den heer Eduard Young. Deze Nachtgedachten vormen een ode aan het diepste, angstaanjagende duister en vormen een keerpunt in het denken over de nacht: het rauwe van de nacht is juist aanlokkelijk, het diepste duister verleidt en roept ons nader: Wat een afschuwelijke vreugde! Wat een vrijheid van de geest! / In het duister ziit ik niet gevangen;/ Ik ben er juist door beschut. ‘ En dan schrijft Kester Freriks terecht : In Nachtgedachten wordt de angst voor de dood beschouwd als een dwaling van de menselijke verbeelding.
*
De geestige, lucide en charmante Charlotte Mutsaers schreef een ontroerend en schokkend boek met de vreemde titel Harnas van Hansaplast (Das Mag, 2017) over de eenzaamheid en het leven en vooral over de dood van haar broer Barend Mutsaers in de stad Utrecht. Haar boek is meteen ook een mooi pleidooi tegen de domme, domme dood.
*
De voorbije maanden las ik weinig over de cerebrale lyriek en het cerebrale proza van de causeur, dichter, essayist, inleider, kroniekschrijver, memorialist, polemist en redenaar Henri-Floris Jespers (°Etterbeek, 1944- Antwerpen, 2017). Hij was directeur en stichter van uitgeverij Monas, Gouverneur van de Pink Poets, perschef en woordvoerder van minister Hugo Schiltz, hoofdredacteur en stichter van het letterkundig tijdschrift Diogenes, voorzitter van de Vereniging van Vlaamse Letterkundigen en later uiteraard erevoorzitter, fiere bewoner van het Antwerpse vaderland, redacteur van ça ira (het bulletin voor de nagedachtenis van de Franstalige Antwerpse dichter Paul Neuhuys), oprichter van het Centrum voor Documentatie & Reëvaluatie …al deze functies (en ik vergeet er nog!) en toentertijd ronkende eretitels kunnen niet verhelen dat deze unieke letterkundige blijkbaar al weer bijna is vergeten. Het huis op de Marialei is verzegeld en ook de monden van al die zelfvoldane letterkundigen blijven dichtgenaaid of verzegeld. De grote dame Marguerite Yourcenar schreef het al aan het eind van haar boek Feux (1957): Je ne me tuerai pas. On oublie si vite les morts. En nog beter; aan het eind van haar geniaal meesterwerk Memoires d’Hadrien (1958) luidt de magistrale slotzin: Tâchons d’entrer dans la mort les yeux ouverts

© Hendrik Carette
Schaarbeek, maart-april 2018

Geen opmerkingen: