zondag 28 april 2019

Goed gecamoufleerd en in oorlogskleuren

Over 'Het dikke meisje en de ziener' van Philip Hoorne
Recensie: Frank Decerf

Philip Hoorne leeft in het struikgewas van de literaire jungle. Hij is goed gecamoufleerd en komt weinig tevoorschijn; hij werkt zonder al te veel rumoer aan zijn poëtisch oeuvre. Maar heel af en toe gaat hij tot de actie over. Dan tooit hij zich in oorlogskleuren, komt vanuit het
woud, gooit je een nieuwe bundel in het gezicht en trekt zich dan weer vliegensvlug terug. Deze keer trof hij mij met Het dikke meisje en de ziener. Ik heb het niet zo op dikke meisjes, maar de meisjes van Hoorne daar moet je altijd even bij stilstaan. De vaak verzwegen Philip Hoorne is een productieve auteur; dit is zijn zevende bundel. Wie zijn poëzie wél regelmatig leest, kent hem een beetje. Hem helemaal doorgronden is moeilijk of neigt naar zelfoverschatting. Hoorne is in wezen een woordgoochelaar met heel diepe mouwen. Hij tovert en zet ons steeds op het verkeerde been. Bij hem veel verrassende wendingen. Zijn gedichten zijn volgroeid en vrij van banaliteiten. Hij duffelt zijn verzen zeer goed in. Ze moeten elke aanval doorstaan. Wat banaal lijkt, wordt eigenlijk speciaal. Wat voorspelbaar schijnt, wordt een heerlijke verrassing. Hij creëert afstandelijke personages in een even afstandelijke setting. Alter ego’s die een cryptische boodschap meedragen. Hoorne voelt zich aangetrokken tot al wie geen contact wil. Hij doorboort het harnas van de oppervlakkigheid. Het absurde mag wel welig tieren. Hoorne staat – gewapend met zijn vakmanschap - ten dienste van de taal. Daarnaast hanteert hij vaak humor en ironie als bovenlaag voor verdere diepgang. Hij laat zijn lezer genieten van schijnbaar alledaagse situaties. Fruit doorstaat bijvoorbeeld een tragische eenzame opsluiting.


ANANAS


en zodoende belandde ananas in de gevangenis
alwaar een zoete blozende bewaker
hem in een koelcel bewaart

begrijp me niet verkeerd
ananas heeft niets misdaan
ananas ligt languit op zijn brits
ananas wordt driemaal per dag gelucht
ananas vervloekt de dag dat hij rijp is
voor de slacht

ananas maakt geen amok
ananas roept niet om zijn moeder
ananas knoopt geen lakens aan elkaar
ananas zit rustig zijn appetijt uit
en is elke dag een beetje meer
om op te eten


© Philip Hoorne


En toch is het poëtisch universum van Hoorne er ook een vol agressie en uitspattingen. Zijn muze zet constructies in elkaar die enkel op papier mogen of kunnen gedijen. De wreedste handelingen komen via tedere verwoording toch nog als aanvaardbaar over. Grimmigheid is in deze bundel een attractief winstpunt. Psychopathische hersenspinsels veroorzaken uiteindelijk meestal wel een goedkeurende glimlach. Philip Hoorne is de meester van de poëtische hypnose; zijn lezers zullen hem volgen. Zij weten nooit waar het zal eindigen. Dat is een sterkte die aanzet tot meer. Het verhalende karakter wentelt als een tornado. Deze poëzie zit vol schijnbewegingen. Het begint simpel, maar eens op die roetsjbaan, snel je naar een einde dat onvoorspelbaar was. Al bij al poëzie voor goedgemutste lezers die naast serieuze verzen ook voldoende luim kunnen appreciëren. Philip Hoorne leverde met Het dikke meisje en de ziener een mollige, fascinerende bundel.


Het dikke meisje en de ziener, Philip Hoorne, In de Knipscheer 2019, Haarlem, ISBN 9 789062 657551


© Frank Decerf


zondag 21 april 2019

Rolex - Joris Denoo



                                                                                                       ‘Time is on my side’

Meneer

U neukte mij in de nacht van vrijdag op zondag. Ik vond het heel fijn. Deze liefdesdaad vormde zelfs even een bron van vermaak, gedurende enkele seconden. Maar nu zit ik met een probleem. We zullen samen een kind hebben, na mijn quarantaine van de gebruikelijke dracht. Uw horloge ligt hier nog (u was zo attent dat af te leggen teneinde me niet te verwonden tijdens het liefdesspel), maar u heb ik sindsdien niet meer gezien. Daarom neem ik even de laptop ter hand om u te schrijven.

Hierbij volg ik slechts gedeeltelijk de BIN-normen van de briefschrijverij. Die zijn, zoals u weet, opgelegd door het Belgisch Instituut dat alles wil ‘normaliseren’, zeg maar: beveiligen. Nou, ik bied u alvast een platte tekst, zonder veel plichtplegingen. Wat ik verder met mijn gevoelens aanvang, daar zijn in geen enkel instituut woorden voor. En ik mag alvast hopen dat onze nakomeling nooit ofte nimmer een uniform of apenpakje zal dragen. Denk nu niet onmiddellijk dat ik driftkikkerig te werk ga. Nee. De lengte van deze brief bewijst het tegendeel. Wil u eventueel de andere metaforische richting uit: ik voel me momenteel zo koel als, nou, een kikker dus. De associatie met ‘kikkerdril’ laat ik hierbij in het midden van onze vijver. Allerlei vormen van humor zijn hier misplaatst.

Toch brengt die onvermijdelijke associatie me bij mijn volgende bedenking. Lees maar: overtuiging. Het kind dat u en ik samen hebben uitgelokt, wil ik wel degelijk geboren laten worden. Dat is, na de dans van de miljoenen waterkansen, een van de twee mogelijkheden. Het is leven of niet-leven. Wat is de mens toch een vrij wezen, nietwaar? Het wordt een mooie herinnering, die alsmaar groeien zal. De gedachten aan een universitaire opleiding voor onze uk zet ik vooralsnog even opzij. Maar ondertussen zullen zich het komende anderhalve decennium diverse onkosten voordoen. Het mag onze verse wereldburger aan niets ontbreken, voorwaar.

Terwijl ik naar uw horloge zit te kijken, zie ik de tijd voorbij tikken. Dure tijd. Time is money, honey. Uw polsslag zit er zelfs nog in. Hoe onachtzaam and yet toch zo symbolisch van u dat voorwerpje mij hier na te laten! Of kwam u graag nog eens terug naar de plaats van de moord? Beschikt u eventueel nog over het garantiebewijs?
Tja, dat u nu, net voor de herfst van uw leven aanbreekt, ik bedoel wel degelijk uw levensherfst, nog een nakomeling scoort! Het moet zoiets zijn als het plotse opduiken van een vliegtuig in het mariablauwe zomerzwerk van de vijftiende eeuw. Dat had u nooit verwacht, hé? U hield er totaal geen rekening mee. U liet alle profylactische bekommernissen gemakshalve aan mij over. U bent immers een man. Nou, weest u verder maar eens flink man. Ook bij u begon het ooit met een ijverige zaadcel. Iets substantieels van uzelf zal nu binnenkort mee de aarde helpen bevolken, deze blauwe plek in het heelal. Bidden we samen om body & soul, gevoel & rede. Een ietsje meer mag best.

Ik ben van plan binnenkort ochtendmisselijk te worden. In vroege treinen zal ik bijvoorbeeld onverwacht overgeven. Bedienden en scholieren zullen een halte te vroeg doen alsof ze ter bestemming zijn en een ander compartiment opzoeken. Een ietsepietsie uw schuld, vindt u niet? Ook zal ik een niet te onderdrukken neiging vertonen om ononderbroken bananen te vreten. Waarschijnlijk neem ik tevens grote hoeveelheden avocado’s tot mij. De vrouw van de Vivo om de hoek zal misschien als allereerste wat langer in mijn ogen kijken, dan naar mijn buik, daarna naar haar weegschaal voor gezond fruit en gezonde groenten. Opzwellen zal ik ondertussen gestaag.

Bij de eerste prenatale penalty’s wil ik evenmin nalaten u even op te bellen, weze het dag, weze het nacht. Dan wil ik geen voetbaltermen van u te horen krijgen. ‘Ze schoppen hem misschien half-do-od’, weet u wel. Het kan zich natuurlijk ook zo voordoen dat u mij af en toe frequenteert met lieflijkheden zoals daar zijn tulpen, pralines, oorbellen of een kijkboek met textielmotieven betreffende de wieg. Allerhande versnaperingen zullen te allen tijde in dank worden aanvaard. Allemaal kleine onkosten voor u en uw firma. Misschien rekent u zelfs kilometervergoeding aan, aan uzelf. À propos, u die naar eigen zeggen zo vlekkeloos en zo vlotjes eurogeconverteerd was tot ver na de komma: enig eurobenul van geboortepremie? Sojagedoe? Pamperaanschaf? Nadat ùw komma in mijn staathuishoudkunde juichend huishield, zijn ook die getalletjes beduidend hoor! Sigaretten, ten slotte, laat u bij visitatie echter maar beter achterwege: de allerlaatste heb ik gerookt toen u aan mijn wastafel uw lulletje met mijn rozenwater besprenkelde. Rozenwater dient om de ogen uit te wrijven, meneer. En blijft u verder maar van die verwijfde Dunhills af; u bewijst ook zonder dat het u voor de wind gaat. Overigens rookte ik die eigenlijk maar uit beleefdheid. U had ze me opgedrongen omdat u vond dat een vrouw die zelf haar sigaretjes piert ook andere stuff tot zich neemt, dus voor iedereen open staat en gezwind andermans koffer in duikt. Zo ging de breedheid in uw denken vaak de breeveertien op. U dacht als een douanier.
(Tiens, dat u dat halve pakje toch niet liet liggen, naast uw Rolex!)

Misschien vindt u het nu jammer dat ik niet tot de zovelen behoor die hun lijf als een kathedraal beschouwen. Ik zou (en dat hoopt u), in het licht daarvan, kunnen overgaan tot het wegmaken van mijn, pardon: ons vruchtvlees. Tot meerdere glorie van mijn lichaam, dat ongeschonden zou blijven. Ik verkies echter het totale leven, met zijn lusten en zijn lasten. Niet omdat het voor een stukje van u komt; wel omdat ik eraan toe ben. Hedendaagse vrouwen kopen onderweg wel eens een kind, weet u. Zelfs in het immer groter wordende holebi-compartiment van de samenleving speelt men meer en meer met gedachten aan wat jong bloed in de gelederen. Op dat lijfelijke vlak, meneer, kunt u dus op uw beide oren slapen. De beide ezelsoren der gemoedsrust. En ik op mijn linker- of rechterzij, mettertijd, als onze liefdesvrucht wat meer ruimte behoeft in mijn middenbeuk. Ach, een man weet vaak niet waarom.

Tiens: nooit hebben we samen gedanst en wellicht zullen we dat ook nimmer doen, meneer, die rechthoek van afgrijzen mee bevolken die ‘dansvloer’ heet. Nooit zult u in dat verband met uw kleffe vingers mijn monnikskapspier verkennen, noch mijn kont. Dat zag ik in den beginne wel eens zitten, nochtans, zonder kil gepotel dan natuurlijk. Misschien zag u me ooit als Assepoestertje? Had u mij met wat meer tijd beter willen leren kennen dan alleen maar de binnenkant van mijn kut? Dat kon: u had uw Rolex, ik beschikte over tijd. (Nu heb ik alleen nog uw Rolex). Maar met uw haastzaad in de pijplijn verliep het vaak anders; vooral nà de lozing kon u niet vlug genoeg wegwezen. De tijd drong plotseling vreselijk. U struikelde dan gewoonlijk over uw eigen ondergoed en de lift kon niet snel genoeg weer uw veilige plattegrond bereiken.

Nou, ondertussen zit ik dus wel met een portie kindervlees in mijn pijplijn. Yes, I put on weight, Esquire. Mijn schoentje begint te knellen. Negen maanden lang draag ik uw soortelijk gewicht. De tijd zal er een publiek geheim van maken. Het staat me dan vrij tot bekentenissen over te gaan, midden de kletstantes bijvoorbeeld tussen de groente- en fruitbakken. Hebt u dat ooit voorgehad, iets wat u zelf veroorzaakte maar waar u niet langer de hand in had?

Nee, ook uw sponsorpraat in verband met de ijshockeyclub van uw zoon – wie speelt nu godverdomme ijshockey in dit godgenagelde regenland!? – liet me al zo koud als het ijs waarvan ik hoop dat het te gelegener tijd de vier ledematen van uw wettelijk geregeld nageslacht zal breken. Evenmin kon ik medeleven betonen bij het heengaan van uw oude moeder, die ondanks uw geboorte nog lange jaren het levenslicht aanschouwen mocht, weliswaar aan bed gekluisterd. Neen, dat verscheiden deed me niets. Op moederleed van mannen staat gewoonlijk een vervaldatum. Ze rochelen even als een oude apotheker en verkopen daarna weer hun placebo’s als vanouds. Kan het ook zijn, meneer, dat u, die keren dat u vluchtig mijn boekenplank doorbladerde, eigenlijk op zoek was naar eventuele perversiteiten van mijn kant? U beperkte zich daarbij vaak tot de flapteksten. Vooral die serie goedkoop uitgegeven romannetjes trok uw bellettristische aandacht. Was u op zoek naar mijn vreemde of geheime voorkeuren? Hoopte u mettertijd en metterdaad misschien eens, om maar een voorbeeld te geven, aan weerskanten van mijn bilspleet een oog te tekenen, en dwars over diezelfde spleet een dik aangezette rode mond? Waarin dan uw purperen kardinaal – mits de nodige sterkte (à propos: neemt u nog ginseng?) – duchtig huis in zou houden? Vermoedde u een dergelijke passage ergens in een van mijn romannetjes, flauwtjes met een potlood aangevinkt? U vond die niet? Jammer. Ik moet u daarover helaas in het ongewisse laten, bij ontstentenis van uzelf hier ter plekke en in mijn verdere leven. Misschien moet u in dat verband te rade op het internet. (Ik hoop nu echt, tussen twee haakjes, dat deze brief u niet al te zeer opwindt. Sommige niet-vrouwen krijgen namelijk al copulatielust bij het simpele aanschouwen van een pannetje kikkerbillen).

Ik herinner me nog een scène, meneer. Niet in de dramatische betekenis van het woord – wees gerust, get on with your Life. Die speelde zich af enkele weken voor de zoveelste consummatie annex conceptie. We dronken iets in kaffaat De Blinde Fotograaf (: fake treincompartimenten, easylistening muzak, schaarse lichtplassen, namiddagsfeertje vooraleer Mannen Als U des avonds het algehele woeden der wereld weer zouden ondergaan, nou, kortom: wat gestolen en verstolen overspelige eilanderigheid, we hadden even de tijd, nietwaar, om wat bij te praten en eens niét in elkaar te schuiven. (I apologize for this overloaded sentence, Esquire). U zette en nam voortdurend uw overbodige leesbrilletje op en van uw neus. U kon niet beslissen wat we zouden drinken. Met de kleinere letters op de menukaart ondervond u de grootste moeite. U wou zelfs even iets eten, godgenageld, iets eten op dat unheimliche uur, tot het u te binnen schoot dat u al gegeten had. (Ik niet: ik zat al drie koffies lang op u te wachten, I skipped the part about food). Ik merkte dat u zag dat ik het doorhad: dat u uw ogen niet af kon houden van dat andere Verboden Koppel dat daar handenwriemelend aan elkaar zat te frunniken in naam van de liefde. Het Geheime Leger der Verliefden vindt een gedroomde drenkplaats in De Blinde Fotograaf. Het is een gigantisch groot leger, en toch denkt u, dacht u, daar een uitzonderlijk onderdeel van te zijn. U vergeleek voortdurend. U was verblind door de aanwezigheid van die andere deerne. Daardoor hebt u me toen gedegradeerd.

En toen, meneer, toen lijfde u zichzelf in het Leger van de Voorspelbare Mannen in: zij die menen dat eender welke schuinsmarcherende vrouw ook voor hèn schuinsmarcheren wil. En dat is niet waar. Dat moet ik met een hevig stilzwijgen tegenspreken. Wat meer is: op de man die zich in het gezelschap van die mooie vrouw mocht verheugen, was u stikjaloers. Ik zag het. En u zag dat ik het zag. Daarom wou u weg en wou u ook blijven. Daarom wou u naar mijn appartement en wou u tevens ter plekke krampachtig zitten praten. U wou alles. U wou misschien het liefst eerst die vrouw een vlugge beurt in de toiletten geven, dan het mannetje vermoorden, daarna mij met uw overbevolking teisteren, en dan te horen krijgen, van mij: ‘Jij bent de beste. It was wonderful’. Ja, ook dat is een gigantisch groot leger. Nou, dat speelde zich dus af in De Blinde Fotograaf, enkele weken voor… Herinnert u zich dat nog, meneer? Sedert die namiddag heb ik geen koffie meer gedronken. Ik kan niet meer, nooit meer, zelfs niet in het mekka van de mokka, ooit, met een volgende kerel als een kraan, neen. Ik voel me als Anna O., de bekende theetante die bij Sigmund Freud op de sofa ging liggen. What’s on a woman’s mind?

En toch liet ik me enkele weken later alweer door u voltanken, met a lovin’ spoonful vanuit uw lendenen vertrekkend. Lovin’ ? Nou, eerder lustful. De gevolgen zijn u ondertussen bekend, dankzij deze epistolaire inspanning van mijnentwege. (U laat toch elk woord goed tot u doordringen? Zoals uw zaad in mijn schoot uitwaaierde en vrucht begon te worden?)   

Ja, dat kind van ons, m/v. Laten we hopen dat het gelukkig wordt. U zal daar maar voor een heel klein stukje tussen gezeten hebben. Op zijn echte vaders zal het misschien vele winters en lentes moeten wachten. Nog iets: hoe zullen we het noemen? Ik bedoel: het kind, met name. Daar moeten we samen over beslissen, vind ik. Dat is het minste maar ook het enige wat ik kan doen. Voor wat, hoort wat. Wat mij betreft, voor u zich dingen in het hoofd haalt: mail me geen Bijbelse namen, geen mythische namen, geen namen uit tv-feuilletons, geen hypermoderne namen, geen retronamen, geen drie- of meerlettergrepige namen. Doodgewoon Jan bijvoorbeeld. Of Elke. Pam en Kim kunnen ook. Desnoods Maaike. Ook wel mooi. Een kort sms’je volstaat; uitvoeriger overleg is mogelijk aan een neutrale onderhandelingstafel, maar dan wel voor de zesde maand van de dracht. (Niét in de liefdesafspanning De Blinde Fotograaf, graag!) Mocht zich een meerlinggeval voordoen, dan wil ik zeker geen gelijkluidende benamingen voor de diverse eenheden. Ongerijmdheid, graag. Zelfs geen assonanties, begrijpt u? Er zijn grenzen aan bepaalde herinneringen. Gedeelde vreugd is dubbele vreugd. De achternaam van mijn eerstgeboren uk vormt natuurlijk geen enkel probleem. Dat wordt door mij geregeld.

Nou, u merkt, meneer: een nachtje neuken doe je nooit alleen. Wie de trein neemt, komt gewoonlijk ergens aan. Kwestie van het goeie perron te nemen. Ik hoop op uw Rolex geen al te grote vertraging af te moeten lezen. Vlucht u maar niet ijlings naar een van uw zwitserlanden, bijvoorbeeld. Precisie, graag. Schoon volk eerst. De tijd dringt, maar niet echt. Het getuigt overigens van een ongehoorde pretentie de tijd om uw pols vast te binden teneinde die aan banden te leggen en ondergeschikt te maken. Ik leg het onding ergens waar ik er niet elke dag mee geconfronteerd word. Zo wordt het geen paardje van Troje dat alsnog begint te galopperen in de hoop me op te winden en overhaaste besluiten te doen nemen. Het blinkt overigens zo opvallend dat ik u ervan verdenk het al vaker op vele andere plaatsen een tijdlang niét gedragen te hebben, klopt dat? Zoals uw Rolex hier tikt, zo tikte hij volgens mij op andere plaatsen. U kunt me ondertussen altijd bereiken op het nummer 000-0894929-07. Wij verblijven inmiddels, geheel de uwen:

Familiale groeten

Bärbel Vandermeeren en de baby in spe







zaterdag 20 april 2019

Na de voorstelling: 'Opabinia' van Frederik Lucien De Laere

Gisteren werd bij 'IJsberg' in Damme 'Opabinia', de nieuwste dichtbundel van Frederik Lucien De Laere voorgesteld. Het werd een milde & wilde performance waarover het laatste nog niet is gezegd. In bijlage enkele kiekjes na de voorstelling.
We hopen in deze Digther-kolommen later nog op de bundel zelf (en op de voorstelling) terug te komen.

Philip Hoorne & Frederik Lucien De Laere
vlnr albrecht b doemlicht, Denis Vercruysse, Frederik Lucien De Laere en Wim Vandeleene
Philip Hoorne & Wim Vandeleene

zondag 14 april 2019

Het koersbeest - Hendrik Carette

Het koersbeest in de hel van het Franse noorden
met die oude Vlaamse oorden


voor Willie Verhegghe


Het valt en vloekt, bezweert de wielergoden
en demarreert. Het slikt en snuift, het hijgt
en maakt een plas of urineert.
En vanaf Compiègne glijdt het over de wegen
tot op de Pevelenberg of staakt de strijd in Hem.
Het klimt haastig over een bareel aan een
verlaten verroeste spoorlijn, komt te laat
voorbij Arenberg of bij die bocht aan De Boom.

Het stampt en schakelt, raakt danig bevuild
en huilt als een kind dat vecht tegen de wind,
het stof, de regen op die harde helse keienstenen.
Het wint geen koers en is geen prijsbeest.
Het is het knokige koersbeest dat blijft jagen
op het glas van mijn breed panoramisch scherm
en dat elk jaar weer die zondag domineert
alsof ik daar sta en staar vanop een berm.


© Hendrik Carette


donderdag 21 maart 2019

Derde leerdicht over het licht - Alain Delmotte

© foto Jan Vanmeenen























1.

Licht en de democratie die het bij brengt.

De onvermurwbare grondwet van haar republiek: de klaarlichte dag.

Het moet zich aan iedereen laten zien: niets mag het verborgen houden, niets mag verborgen blijven.

Licht heerst niet. Het deelt zich eindeloos op. Het deelt zich eindeloos uit. Iedereen komt het toe.

Zelfs de blinden. Zelfs de dronkaards en de dieven.

Helaas: zelfs de meelopers, de rassenhaters, de rijke stinkerds. Licht is te minzaam voor kritisch vermogen.

Het militeert. Het propageert doorschijnendheid.

2.

Het roept vroomheid op en wordt bij elke gelegenheid aanbeden.

In tempels.

In kathedralen.

In de loges.

In vluchtelingenkampen en gevangenissen.

Zonder licht doemt uit het denken geen Eureka op. En niet één van onze luchtspiegelingen.

3.

Licht staat nooit stil. Zet er spoed achter als je het in stilstand zien wil.

Of het met een haiku wil vereren.

4.

Elke dag laat het zich een nacht lang missen.

Op haar hoogtepunt brengt het ons verlangen.

Maar vervullen doet het niet: dat laat het aan jou over.

5.

Wie het die dag heeft misgelopen, zoekt het in de liefde terug op.

(Laat het zich daar echt weer openbaren – of verdwijnt het daar nog meer?)

6.

Er is niets overtolligs aan: je geeft haar alles plaats die ze meer dan nodig heeft.

Laat het ademhalen, laat het zich verwonderen.

Obscure plekken vermijdt het: die mag de nacht voor zich houden.

7.

Maanlicht moet niet proberen er zich aan te meten.

Als een theelichtje blaas je het zo uit.

8.

Als je denkt aan de dagen die je het aan andere zaken hebt verbeuzeld. Dat licht komt nooit meer terug, dat licht heb je verkeken, houdt zich niet voor gezien.

9.

Het past precies in wat je van geluk verwacht. In wat je van het geluk gelooft.

Geluk, het moet het licht zijn dat dat heeft bedacht. Het is namelijk niet bij machte om ongelukkig te maken.

10.

Het heeft nergens een verblijfsvergunning voor nodig. Het voelt zich thuis waar het is.

Ongevraagd en zonder gêne breekt het bij iedereen binnen.

11.

Ook bij jou.

Het komt naast jou zitten als je schrijft, zonder dat het je stoort.

Het weet zeer goed de stilte te bewaren.

Dezelfde stilte die je ook in de dingen hoort.

© Alain Delmotte


dinsdag 19 maart 2019

Golfbeest - Astrid Dewancker

Vastberaden stapt hij op de fairway
Machteloos voor het complot
van het groene landschap.
Golf vloeit in heel zijn lichaam,
kronkelt rond zijn as.

Mateloos zuigt de wei hem aan.
Neemt hem als een beest.
Hij is geen meester. Hij wordt slaaf.
Had hij maar acht armen
en drie harten als een octopus.


© Astrid Dewancker


maandag 18 maart 2019

De golfer en de links* - Astrid Dewancker

Tussen langgerekte zandruggen,
begroeid met zwaaiend helmgras,
een snipper Noordzee.

In haar groene heerlijkheid schenkt
de golfbaan zich in bloot aan de golfer:
gemaaid gazon en ongetemd bos.

Als een liggend naaktmodel neemt
de links de golfer in haar macht.
Ze is als een minnares altijd ter beschikking.

Haar lusten prikkelt hij met woorden
waarop zij verslingerd is : drive, birdie,
eagle, wedge of wood.
Hole in one
ongenaakbaar.

Wanneer de golfer vloekend zijn pet
weggooit, hout en ijzer naast zich dumpt,
laat zij hem. Hij komt altijd bij haar terug.
Van nest en veren geen sprake.


© Astrid Dewancker


* links : golfbaan aan zee in de duinen.

Het gaat hier om de links van de Royal Ostend Golf Club, Koninklijke baan, Vossenslag De Haan aan Zee.


zondag 17 maart 2019

De gestoorde golfer - Astrid Dewancker

Ik bespied hem vanuit de bunker.
Hoor hoe hij zegeviert of jammert :
De par gaapt. De vlag is ver. De hole klein.

Hij plant zijn hielen in mijn habitat.
Pijnigt me. Slaat mijn bodem krankjorum.
Als confetti val ik terug.

Voor hij weggaat harkt hij mijn zand
en rakelt mijn verwarring effen.
Steekt zijn sandwedge omhoog,
kijkt met triomf naar de goden.

Wie is hier gek?

© Astrid Dewancker


zondag 10 maart 2019

Een Rorschachtest van onvermoede betekenis

Over ‘Tekenen’ van Jan M. Meier
Recensie van Alain Delmotte

De nieuwste bundel van Jan M. Meier ’Tekenen’ opent een breed veld, biedt een panorama, zendt een veelheid aan betekenissen uit die de lezer uitdagen om die met concentratie op te diepen. Het impliceert dat de dichter zijn lezer vertrouwt: hij reikt ons het gedicht aan. De dichter heeft me in ieder geval expliciet tot lectuur uitgenodigd: ‘Stap in de lijst van het gedicht en kijk…’. Het is de persoonlijke opdracht die Jan M. Meier in mijn exemplaar neerschreef.

Betekenissen. In het gedicht genaamd ‘kleurbegin’ klinkt de laatste regel als volgt: ‘een rorschach test van onvermoede betekenis’. Wat meteen aangeeft hoe de lezer zich eventueel kan gedragen ten aanzien van deze teksten bij het begin van zijn lectuur. Hij beschikt over de vrijheid om veel van zichzelf in deze teksten te projecteren. De dichter gunt zijn lezer de vrijheid tot interpretatie en misschien ontdekt die lezer in deze zich wijdvertakkende gedichten betekenissen waarvan de dichter zelfs niet het minste vermoeden had.

Dit wordt onder meer mogelijk gemaakt door de manier waarop de bundel werd ‘gestructureerd’. Er zijn drie afdelingen (‘iconografie van de droom’, ‘kleuren’ ‘tekenen’) en een synthetiserende ‘uitgeleide’. Je kunt het ook anders bekijken: op de zijkant van de bundel is er sprake van een ‘compositie’. Evenzeer kan je over deze bundel spreken als zijnde een ‘architectuur’ (er verschijnen veel huizen in de bundel). Of over een ‘topografie’ (landschappen en tuinen duiken op). Of zelfs over een ‘stratenplan’:

een stratenplan dat ik blindelings
als een doolhof betreden kan


De bundel heeft inderdaad een labyrintisch karakter doordat een groot aantal terugkerende motieven, thema’s, woordvelden over de hele bundel verspreid en geïntegreerd werden. Ik denk niet dat het de verwachting van de dichter is om dit nu allemaal strikt te gaan ontsluiten. Onbegonnen want onnodig werk. En elk gedicht heeft recht op zijn ‘mysterie’. Verzen zijn

regels geregen mysterie
in een lijst te kijk gezet


Soms moet je inderdaad een gedicht met rust laten en het gewoon laten ‘zijn’. Een leesruimte waarin je kunt dwalen en verdwalen. Je hoeft er niet in alle haast van alles uit willen graven, of het gedicht verliest er misschien zijn kern en zijn ‘blinken’ mee.

duiker naar het diepzeewoord
dat bovengebracht zijn glans verliest


In deze bespreking zal ik enkel wat in vogelvlucht in en uit de gedichten rondstruinen. Het geheel bekijken en aangeven wat ik er meen in te ontwaren. Kortom: ik zal proberen een eigen interpretatieveld te scheppen. Vergeet het niet: lezen is immers een creatieve daad.

De titel van de bundel bracht me even in de war. ‘Tekenen’. Ik zag er vooral een werkwoord in. Maar al lezend begreep ik dat het evenzeer het meervoud van het substantief ‘teken’ kon zijn. Het picturale versus het talige. Volgens het colofon verwijzen een aantal gedichten naar het werk van Dolores Previtali. Het gedicht ‘droom in kleur’ is geïnspireerd op een werk (of werken) van Valentina Evmenenko. En wie herkent niet in het gedicht ‘meisje van’ het ‘meisje met parel’ van Vermeer. De naam ‘Mondriaan’ valt. Wellicht zijn er nog picturale reminiscenties die ik evenwel niet meteen herken.

De bundel is met tekeningen van Wouter De Winter geïllustreerd. Spelen de tekeningen in op de gedichten of spelen de gedichten op de tekeningen in? Of heeft dat geen belang? Is de mogelijke dialoog tussen tekening en gedicht niet belangrijker? In ieder geval lijkt het me dat er meer gebeurt dan louter het ‘illustratieve’. Die tekeningen zijn niet decoratief bedoeld – al kunnen ze dat effect sorteren. Ze bouwen eerder het geheel mee. Het picturale en het talige staan niet van elkaar los: ze kruisen elkaar duidelijk. Het is één van de bewegingen die zich in deze publicatie laat aanvoelen.

Meteen vraag je als lezer af of de dichter hier een link wil leggen, een verwantschap wil aangeven tussen een tekening en een gedicht. Wat hebben een tekening en een gedicht gemeen? Het wit waaruit ze zijn ontstaan en het blad dat een (vitale) inlijsting is?

ingelijst in dunne draden
waarvan levens zijn gemaakt


Tekening en gedicht brengen ‘tekenen’ aan. Een tekening visualiseert. Het gedicht verwoordt. Grafiek en kalligrafie zijn nauw met elkaar verbonden. Ze hanteren enkel een andere taal.

beweging in het links en rechts van het schrift
een snelle aai van en aan de taal


Zowel naar een tekening als naar een gedicht moet je kijken. Kijken is hoe dan ook een vorm van lezen. Zien is een van de motieven in deze verzameling.

Vooraan in de bundel staat onopvallend een niet rijmend kwatrijn.

weg wil ik uit die hoogmis van gemis
ondergaan in een oceaan van kleuren
kleur worden in beweging, woelwater
vis en vogel, hagedis en huilende wolf


Ik lees deze regels als een soort operaouverture (ik refereer hiermee aan het compositiekarakter van de bundel) waarin heel vaak de muzikale thema’s (en bewegingen) worden aangeboden die we verder in de opera zullen horen. In dit geval zijn in het kwatrijn een groot aantal thema’s af te lezen die we in dit boek zullen terugvinden. Met dit kwatrijn zal ik mij verder in deze bespreking in de bundel oriënteren. Waarmee ik niet wil zeggen dat er geen andere invalswegen tot deze bundel zouden zijn.

WEG WIL IK UIT DIE HOOGMIS VAN GEMIS

De nieuwe bundel heeft een totaal ander karakter en toon dan ‘Engelenspoor’. In ‘Tekenen’ maakt de dichter zich los van een zeer persoonlijk en pijnlijk ‘gemis’ waarvan ‘Engelenspoor’ de getuigenis was. Maar een breuk met de vorige bundel is het niet. Er is stilistische continuïteit en de engelen (zijn dit de ‘vogelmensen’ uit het gelijknamige gedicht? Vertonen de engelen ook een niet wat demonische signatuur?) blijven hun vervormende sporen trekken. Hun bloedverwanten, de echte vogels, blijven rijkelijk in deze teksten hun vleugels uitspreiden.

Waar er geen gemis is, is daar geluk te vinden? De bundel bevat een aantal mooie geluksgedichten. Er is bijvoorbeeld het ‘klein geluk’ dat fraaie, wat impressionistisch aanvoelende beelden oproept:

bomen trekken doorzichtige lentebloesjes aan

Maar dat geluk wordt niet bestendigd. Er is altijd iets dat het bedreigt: de wegtikkende tijd. De tijd doet zich o.m. als een typografische ‘zandvrouw’ voor:

de dagen vervuld
van hapervragen
waarop geen zomer
een antwoord weet

zo zit ze stil in zichzelf verborgen
terwijl de zandloper leeg loopt

In de toestand van het geluk wordt het verlangen stilgelegd. Wat impliceert dat elk geluk iets onvervulbaars, een tekort in zich draagt. In het gedicht ‘verstild verlangen’ lezen we het volgende:

het lijf ligt er vergeten bij
blauwe ballast ontroostbaar geloosd
op een wachtbed voor wie haar lust inblaast


De thematiek van het geluk koppel ik hier aan de begrippen ‘kleur’ en ‘droom’.

ONDERGAAN IN EEN OCEAAN VAN KLEUREN
KLEUR WORDEN IN BEWEGING, WOELWATER

Het merendeel van de gedichten zit boordevol kleuren. Of liever plejaden woorden die kleuren benoemen. Soms tot het bedwelmende of het sprakeloze toe. Uit ‘bepaling’:

het eindeloze geel van de lucht ligt
over het oker van het grasland
met alleen het blauw van bloemen
het snelle oranje van vogelpoten
en het stille rood van mijn lippen
die niets meer hoeven te zeggen


Roes, zinnelijkheid en droombeleving vormen een elementaire lyrische knoop. Maar daar tegenover staan gedichten waarin nauwelijks naar kleuren wordt verwezen of tot zwart/wit/grijs zijn gereduceerd. Zoals in het gedicht ‘verlaten’:

alle kleuren hebben kleur verloren

Veelkleurigheid en roes contrasteren met een ontnuchterende, katerige soberheid.

(…) de fles die gebroken
voor me ligt: een leven
dat leeggelopen
is


Regels die we vinden in het gedicht ‘allegorie van de roes’.

In deze bundel staan alle gedichten in verband met elkaar. Daar zorgen een aantal bindende elementen voor. Zo onder meer het gegeven ‘droom’. De droom als schriftuur:

er is de droom
en de droom van de droom
zoals hij in kromtaal staat getekend


(Kromtaal staat hier voor de taal van de poëzie. Een taal vol kortsluitingen?)

De utopische, zuivere, ongerepte droom:

(…) ongerepte eilanden

van dromen die in hun dromen
altijd werkelijk worden
en tijd alle tijd geven


Hier is de tijd weer. En die maakt geen stilstand mogelijk. In het mooie gedicht ‘tuin’ wordt er een gesloten wereld opgeroepen die, zoals in andere gedichten vaak het geval is, een kinderlijk karakter vertoont. Een jongensdroom waaraan ‘geen einde komt’. Maar daar duikt de tijd van de werkelijkheid, de werkelijkheid van de tijd weer op en de droom eindigt:

en de tuin verlaat voor een tijd
waar er alsmaar meer minder
en minder tijd zal zijn.


De laatste regels van de bundel scherpen het nog wat aan:

terwijl de tijd grapjes uithaalt
met de dans van neuronen


Dromen worden op hun plaats gezet. Voortdurend botsen we inderdaad tegen kortsluitingen. Dialectische antinomie zet het geheel in ‘beweging’. Stem en tegenstem brengen de dynamiek aan. Hoe meer je leest hoe meer je tegenstellingen gaat opmerken. Ik geef er enkele aan: het picturale en het talige, droom en werkelijkheid, echt en niet echt, spreken en zwijgen, veelkleurig en kleurloos, zijn en niet zijn, stilstand en beweging, het afgelijnde en het krukkige, gedachte en gedachteloosheid.

Bij dat laatste hoort het motief van het hoofd. Alles wat zich afspeelt binnen de gedichten, bevindt zich binnen de lijst, het raam, het watervlak van het hoofd: het is er oorlog (Herakleitos kijkt om de hoek). Wat ons het beeld schetst van de dichter als woelwater. Is het daarom dat de dichter ook wel eens zijn hoofd kwijt wil of vreest het kwijt te kunnen raken:

dit is geen droom
dit is niet echt
met mijn hoofd rustend op een tafel
als op een hakblok


Die potentiële onthoofding, deze acefalie vinden we min of meer terug in het motief van de ‘ontlijving’. Dat past dan m.i. in het kader van de antinomie tussen het lichamelijke en het gebrek aan lichaam, het stilgelegde versus het verlangende lichaam.

Ik citeer in zijn geheel het gedicht ‘waanhoop’ omdat daarin de antinomie zich zeer sterk profileert. (‘Waanhoop’: een neologisme, een kortsluiting die zowel de wanhoop en de hoop diep treft als zijnde waanbeelden?)

de huizen in hun kleur gekrompen
het wit van de muren
het rood van de daken
geruststellend voorspelbaar
op het bedrieglijke zwart van de ramen na

bij dat alles mens en dier
alsof er al eeuwen vrede heerst
er is nog hoop

en dan plots de donkerte
drank drugs rook
opgespaarde woorden van woede
weemoed en ontspoorde vrijheid
waarheid die hij heeft verpacht

dit is oorlog

het raamvlak spiegelt strijd in zwarte vegen
en hij bralt en hij blaast en hij brult
een dichter op doping betrapt


Brallen, blazen, brullen. Laat een wolf zich huilend horen?

VIS EN VOGEL, HAGEDIS EN HUILENDE WOLF

Dieren komen veelvuldig voor. Ze behoren tot het erf in het hoofd van de dichter. Dieren en wat we daar antropomorf bij kunnen associëren (Einstein bijvoorbeeld). Blijkbaar brengen de dieren vrede. Soms. Ik connecteer ze aan de kinderlijke onbezorgde wereld die ik daarnet al signaleerde. Het vreemde gedicht met de titel ‘tuut-tuut’ lijkt me daarin het verst te gaan.

niets is nog van tel
nu ik op stelten van wolken loop


(Daar komen op langere termijn ongelukken van, vrees ik.)

Later in de bundel krijgen dieren een meer mythisch karakter (de ‘vogelmens’) of zijn ze zelfs hybride (een kippige struisvogel). Deze kleine dierentuin brengt iets fris in de bundel aan. In al zijn ernst gaat het er helemaal niet zwaarwichtig aan toe. Hier en daar worden dieren spitsvondig beschreven. Een beetje zoals Jules Renard dat schitterend kon:

geen engel als een pinguïn
vogel in soutane


In het woelend ’water’ (een veel voorkomend element) van deze dichter zorgen vissen voor een aha-erlebnis in

(…) de flits van een witte aha-vis.

Vissen roepen overigens bij mij altijd een prenatale wereld op. Een wereld die we nooit of te nimmer kunnen wegwissen: onze diepst verborgen, nauwelijks te herinneren herinneringen zijn bij wijze van spreken ‘vissen’ in onze psyché.

ik heb de huizen
van mijn jeugd gespaard
tors de bomen
laat de vogels als engelen vliegen


ik draag de vissen voor mij uit

Deze bundel werpt volgens mij een nieuw licht op de vorige. In die zin dat de nieuwe bundel een aantal bestanddelen uit de vorige bundel meedraagt. Waaruit ik vermoed dat Meier aan een soort coherent ‘opus’ aan het werken is. Waarmee ik het componerende aspect nogmaals wens te beklemtonen. Ik vermoed dat deze bundel de komende bundels al aan het opentrekken is. We kunnen en mogen nog wel wat verwachten van deze vakkundige dichter. Laten we ernaar uitkijken.


© Alain Delmotte


Tekenen, Jan M. Meier, Uitgeverij P, Leuven 2018, , ISBN 978-92339-71-3

vrijdag 8 maart 2019

Vlieg dan - Christophe Vansteeland

Op de stoep ligt de zon, de straat rust
baanvakken draaien zich om als wafels
en we wachten

Het sneeuwt in mijn hoofd, ik ruik
duivenbloed, we wachten
op de stoep, tellen de steentjes

onder mijn knie, wachten we tot ik je vleugel
knip en dip diep in de teer die smelt
rond mijn zomervingers

De draden hangen waar de zon
op de stoep wachten de uren
Ze zijn er!


© Christophe Vansteeland


Christophe Vansteeland (°Roeselare, 1969) woont in Veltem-Beisem en schrijft sinds anderhalf jaar poëzie. Hij volgt een poëzieopleiding bij de SchrijversAcademie. Professioneel begeleidt hij als pedagogisch adviseur de Brusselse gemeentelijke basisscholen. Publiceerde eerder gedichten in Deus Ex Machina, Extaze en Het Gezeefde Gedicht. Twee gedichten van hem werden ook opgenomen in de bloemlezing “Vers Roeselare”, een uitgave van Bibliodroom.


donderdag 7 maart 2019

Ik zag een Datsun staan - Christophe Vansteeland

Ik zag een Datsun staan in de Sylvain
Dupuislaan, voorbij het park waar Astrid

wacht. Hij staat daar maar, die Datsun
daar, leeg en wit tussen regens waar Astrid

zit. Op haar lippen liggen noten voor tokkelvingers
en mondmuziek. Van haar hiel schuift

een schoen en de bus stopt. Terminus
naar een andere kant want Astrid

lacht, zelfs geen tranen. Haar ogen zien
de binnenzon. Kom, stap in


© Christophe Vansteeland


Christophe Vansteeland (°Roeselare, 1969) woont in Veltem-Beisem en schrijft sinds anderhalf jaar poëzie. Hij volgt een poëzieopleiding bij de SchrijversAcademie. Professioneel begeleidt hij als pedagogisch adviseur de Brusselse gemeentelijke basisscholen. Publiceerde eerder gedichten in Deus Ex Machina, Extaze en Het Gezeefde Gedicht. Twee gedichten van hem werden ook opgenomen in de bloemlezing “Vers Roeselare”, een uitgave van Bibliodroom.


woensdag 6 maart 2019

Weet je nog? - Christophe Vansteeland

Graag duw ik een kastdeur dicht of gooi
in het bos dat beeft een afgekloven klokhuis

tussen mieren. De grond ruikt stil.
We weten al langer. Je bent een klootzak

zeg je zacht. Je lacht naar ons kind
dat melk opgeeft. Bijna ben je me

vergeten. We weten al langer. Weet je nog?
Je handen in het lauwe zand


© Christophe Vansteeland


Christophe Vansteeland (°Roeselare, 1969) woont in Veltem-Beisem en schrijft sinds anderhalf jaar poëzie. Hij volgt een poëzieopleiding bij de SchrijversAcademie. Professioneel begeleidt hij als pedagogisch adviseur de Brusselse gemeentelijke basisscholen. Publiceerde eerder gedichten in Deus Ex Machina, Extaze en Het Gezeefde Gedicht. Twee gedichten van hem werden ook opgenomen in de bloemlezing “Vers Roeselare”, een uitgave van Bibliodroom.


maandag 25 februari 2019

Na de voorstelling - De zee is een zij

'De zee is een zij' - vlnr Arne Deprez, Jan van Herreweghe en Jan van meenen

vlnr Paul Rigolle - Frans Deschoemaeker - Hendrik Carette




















































Na de voorstelling is er ... koffie (en was er bier). Foto's Bib Harelbeke, Za 23/2/2019,
Voorstelling van de dichtbundel "De zee is een zij" van Jan van meenen.




zondag 24 februari 2019

Drie gedichten van Cornelius van Alsum

Vertaling: Romain John van de Maele


Denkmal in Ribe, Jütland


Dem Forscher aus dem Städtchen
entschleiert sich die Gärung
bronzen und schlackenlos

für Lab und Reinzuchthefe
im Dienst der Industrie

der Schaumgeborenen
nach erstem Augenschein
fast ebenbürtig


© Cornelius van Alsum


Standbeeld in Ribe, Jutland


Voor de vorser uit de kleine stad
ontsluiert zich de gisting
in brons zonder slakken

voor lab en zuivere gistcultuur
in dienst van de industrie

van wie uit schuim geboren is
is na een eerste oogopslag
bijna alles gelijkwaardig.


© Vertaling Romain John van de Maele


am westmeer *


die lage schwertschei-
denmuscheln knirscht unterm schuh
bis an das röhricht

seehund ohne augen stumpf
sein fell wohin die möwen


© Cornelius van Alsum


Aan de Westzee *


De laag kleine zwaard-
scheden knispert onder de schoenen
tot aan het riet.


Zeehond zonder ogen, stomp
zijn vel waarheen de meeuwen.


© Vertaling Romain John van de Maele


Deichweg


Rückwärts gehen
hilft nicht mehr:
Siebte Plage
die vom Meer
Schrot aus Wolken
niederfährt

Am besten du kniest:
dort in den Maulwurfshügeln


© Cornelius van Alsum


Dijkweg


Rugwaarts gaan
helpt niet meer:
de zevende plaag
die vanaf zee
hagel uit de wolken
meevoert.

Je knielt best
daar in de molshopen.


© Vertaling Romain John van de Maele


Notitie van de vertaler:
* De gedichten herinneren aan een vakantie in Jutland. In het Deens wordt de Noordzee ‘Vesterhav’ (met bepalend lidwoord ‘Vesterhavet’) genoemd, in het Duits ‘Nordsee’. Vroeger werden in het Duits ook de benamingen ‘Westsee’ en ‘Deutsches Meer’ gebruikt. De dichter heeft in het Duits de Deense benaming vervangen door het neologisme ‘Westmeer’, en hij heeft me gevraagd om in de Nederlandse vertaling ook een neologisme te gebruiken, in casu ‘Westzee’. Jutland ligt tussen ‘Vesterhavet’ en ‘Østersøen’ of ‘Østerhavet’, de binnenzee die ook ‘det Baltiske Hav’ wordt genoemd. Door gebruik te maken van een neologisme wordt de ligging van het schiereiland benadrukt. Bovendien herinnert de benaming aan Japan, dat ook tussen een Oost- en een Westzee ligt – qua vorm is het gedicht ‘Am Westmeer’ (‘Aan de Westzee’) geïnspireerd door een Japanse versvorm.


Meer info over de auteur Cornelius van Alsum:
Cornelius van Alsum (pseudoniem van Frank Engel) schrijft niet alleen gedichten maar vooral ook essays. Hij is ook uitgever van het literatuurtijdschrift kalmenzone en de uitgever van het literatuurtijdschrift kalmenzone dat twee maal per jaar als internetuitgave verschijnt, en de stichter van de kunstenaarsgroep Brisenvögel, die er o.a. naar streeft een uitwisseling tot stand te brengen tussen Nederlandstalige en Duitstalige schrijvers. In het decembernummer 2018 zal o.a. de vertaling van een gedicht van Hannie Rouweler verschijnen. Eerder verschenen artikelen over Roland Jooris, Louis Paul Boon e.a., en vertalingen van gedichten van een twintigtal dichters en werk van prozaschrijvers (Gilliams en Buysse). In het zomernummer 2019 wordt uitvoerig aandacht besteed aan het werk van Roger Raveel en de literaire reacties daarop.

www.kalmenzone.de
kalmenzone bij Digther

woensdag 20 februari 2019

Al het grommen ging rookwaarts

Aantekeningen bij 'Nederzettingen' van Bert Bevers.

Als Gerrit Westerveld niet bestond dan zouden een aantal poëzieliefhebbers onder ons hem vroeg of laat wel hebben uitgevonden. Net voor de eeuwwisseling richtte de gedreven graficus en ontwerper die Westerveld is in het verlengde van zijn plastische activiteit de kleine ambachtelijke uitgeverij 'Kleinood & Grootzeer' op. Vanuit zijn standplaats Bergen op Zoom laat hij sindsdien jaarlijks drie à vijf kleinoodjes op de literaire wereld los.

Met veel liefde en vakmanschap handmatig op de wereld gezet mogen de dichtbundels van Kleinood & Grootzeer elk op zich het predikaat “juweeltje” met zich meedragen. Elke eerste oplage bestaat uit 100 exemplaren die telkens genummerd en gesigneerd worden door hun auteur. Schitterende hebbedingetjes! De fondslijst, luxe-uitgaven inbegrepen, bestaat ondertussen al uit een honderdtal titels.  In de reeks vinden we werk terug van stuk voor stuk interessante dichters als Richard Foqué, Albert Hagenaars, Philippe Cailliau, Joris Denoo, Erick Kila, Willem M. Roggeman, Romain John van de Maele, Tony Rombouts, Guy Commerman, Hagar Peeters en Frank Pollet om maar die te noemen. Ook een sterk debuut als dat van Edward Hoornaert vond er recent een onderkomen.

‘Nederzettingen', de nieuwste bundel van Bert Bevers (° Bergen op Zoom, 1954) past perfect in het voormelde rijtje. Bevers is bij Kleinood- en Grootzeer al aan zijn zesde boekwerk toe. Hij was het trouwens die met ‘Hortens Conclusus’, een leporello met 5 haiku, in 1999 bij Gerrit Westerveld de spits mocht afbijten. Zijn nieuwste bundel ‘Nederzettingen’ bestaat uit drie cycli van respectievelijk 16, 4 en 10 gedichten. Wat meteen opvalt is dat elke cyclus gedichten telt die telkens eenzelfde strofen- en regelstramien hanteren. In de titelcyclus ‘Nederzettingen’ is dat het vijf-twee-schema. De vier gedichten uit de tweede cyclus ‘Uit de tijd’ tellen drie strofen van drie regels met een uitwaaierend slotvers terwijl elk gedicht uit de slotcyclus ‘Gedichten uit een stadje in de heuvels’ uit viermaal twee plus een slotregel bestaat. De aandacht voor vormvastheid en zorgvuldigheid bij het opbouwen van zijn diverse cycli die we al kennen van zijn twee verzamelbundels ‘Afglans’ (Gedichten 1972-1997) en ‘Eigen Terrein’ (Gedichten 1998-2013) zijn intussen een constante geworden bij deze dichter.

Ook over deze nieuwe bundel is grondig nagedacht. In de eerste en belangrijkste afdeling die ook de titel van de hele bundel draagt evoceert de dichter een soort oertijd met veel strijd tussen stammen en haardvuur. De wereld lijkt in een prille fase te verkeren waarop de lezer niet onmiddellijk de hand kan leggen. Waar de dichter eerder in ‘Lambertus van Sint-Omaars beschrijft de wereld’ (2007) de sfeer opriep van de vroege Middeleeuwen lijkt hij in deze gedichten eerder een voorwereldse prehistorische realiteit neer te zetten. Er zijn ‘Zwijgende krijgers die waken’. Er is ‘een priester van de stam’ en er zijn wachters. En ‘wijzere mannen met de dunne armen’ bevolken de hutten en de Nederzettingen. Er is sprake van een tijd ‘van toen er nog geen mensen waren’ en ‘van een geheugen dat zich schoorvoetend bedient van verzachtende balsems’. Ook de toekomst van de stam lijkt onzeker zoals we dat ook letterlijk terugvinden in het twaalfde gedicht uit de cyclus.

Nederzettingen - XII

Zij die hun bestaan aanvaardden wisten hoe ze leven
moesten, dat wat ze verloren in het vuur in de as
zouden vinden. Al het grommen ging rookwaarts.
Alles was eenvoudig: wijzen van de stam af betekende
rennen, bukken bukken. Milddadig kaatsten beelden

uit het hol van de jeugd in duizenden liederen
bij zonsondergang. Ah, die wrede, wrede toekomst.


De sfeer in de zestien gedichten blijft raadselachtig. Elk gedicht bestaat, zoals eerder al aangehaald, uit een vaste structuur van twee strofen van vijf en twee regels. Het is een geliefd stramien dat als dichtvorm regelmatig in het oeuvre van deze dichter terugkeert en dat we onder meer al kennen van de bundel ‘Andere taal’ (2010) en de reeds genoemde ‘Lambertus van Sint-Omaars beschrijft de wereld’ (2007). Deze vorm lijkt de abstraherende inhoud van de gedichten te dienen en houdt de schemer van de raadselachtigheid vast tot op het einde. Het slotgedicht:


XVI


In schemerbestaan klonk weeklagen als bekering.
Samen hadden ze genoeg ogen om te zien, maar
daar wachtte een leger. Zij waren dan wel met meer
doch allemaal alleen omdat ze nog steeds dachten
dat het volstond om sterker te zijn dan je vijand,

niet dan cohorten daarvan. Waaraan ze evenmin
gewend waren: die hadden harde zwaarden, en langere.


Ook in de tweede afdeling ‘Uit de tijd’ die uit vier gedichten bestaat ‘heersen de wetten van de spiegeling.’ Ook hier blijft de plaats van handeling abstract en eerder vaag. ‘Vreemde buren brandden vuren vol vlammen’. De verzen suggereren een achterliggende wereld achter de wereld. Er wordt meer gesuggereerd dan er gezegd of uitgelegd wordt.


IV

Vrijheid is een broze kooi. Dat beseft hij.
Het onbeholpen huppen van takkelingen
herkent hij in het uur waarin de uilen met

hun vlerken wiegen. Een late guichelheil
ritselt. ‘Weet je nog, de vorige keer dat ik iets
zei?’ roept hij in herinnering. ‘Niemand twijfelt

Nooit, maar er zijn uitwegen! Hoogverraad
is er roestvrij altijd, maar laat de korst nu
beter op de wond, op het zinkgat van de spijt.’

Men merkt het niet, maar er gebeuren grote dingen.


De derde afdeling ‘Gedichten uit een stadje in de heuvels’ is de meest concrete en toegankelijke van de hele bundel. Bert Bevers is in de eerste plaats een cyclus-dichter maar deze gedichten laten zich ook los van het keurslijf van hun cyclus lezen. Eerder publiceerden we hier in deze Digther-kolommen in februari 2015 al vijf gedichten uit de cyclus.  In ‘Gedichten uit een stadje in de heuvels’ figureren achtereenvolgens en onder meer een perronchef, een kamermeisje, een slager, een burgemeester, een kastelein en een modelbouwer… Ze bevolken met zijn allen het stadje dat door de dichter ook nu weer als een soort nederzetting wordt omschreven, maar dan één gesitueerd in de huidige tijd. Huurlingen, ongelovigen, mensen die dansen uit angst voor mindere goden passeren de revue. Het applaus is droevig. Het thema van het (on)geloof weegt op en omfloerst het leven in het stadje. ‘Op deze Rogate, denkt hij in een doezeling van waarheid aan de lichtheid van de biecht, aan het herhalingsgebod…’ staat er in het gedicht ‘Remedies tegen ongeloof’. Er heerst in het algemeen in deze afdeling en in dit Märklinstadje een landerigheid waarin ten slotte de dichter in het slotgedicht het laatste woord krijgt.


De dichter peinst


Hij voelt een handvol woorden in zich zieden
in de avondstond. Wie heeft er nooit gezondigd

tegen zonlicht? Hij weet: hier was ik eerder.
Er wordt een nieuw straatnaambordje op

een lantaarnpaal geschroefd. Een man passeert
met een kruiwagen. Een vrouw laadt boodschappen

in. Een kind sabbelt aan een ijsje. Het huis dat
gebouwd wordt zal over acht jaar en drie maanden

worden verkocht. Hij weet het. Hij verlaat de tijd.


Zoals wijlen Henri-Floris Jespers ergens zeer gepast opmerkte balanceren de gedichten van Bert Bevers tussen klassieke vormvastheid en experimentele ontregeling. Die ontregeling doet zich vaak al voor binnen het gedicht. Hier en daar schurken en schuren de gedichten tegen hun eigen grenzen aan. Krakend en spokkend binnen hun vaste vorm. Alsof ze daar ook af en toe uit vandaan willen. Een slotvers als ‘Wie dacht er aan schrift toen taal nog maar amper?’ illustreert dit. In ‘Nederzettingen’ zet Bert Bevers een wereld neer die tezelfdertijd bevreemdend en toch vertrouwd aan doet. Nederzettingen is niet bepaald zijn meest toegankelijke bundel en verdient meerdere lezingen maar ook hier is en blijft Bert Bevers zijn eigenste zelf. Een dichter met een eigen stem die in een beslist en particulier taalarsenaal bundel na bundel aan zijn eigen talige wereld werkt. Elke bundel van Bert Bevers is een op zijn taalmaat geplooide constructie, een bouwwerk dat opgetrokken wordt. Elk gedicht een afbakening van de fysieke én mentale ruimte. Als een nederzetting in de taal.



© Recensie Paul Rigolle


Nederzettingen, Bert Bevers, Uitgeverij Kleinood & Grootzeer, Bergen op Zoom, 2018, ISBN/EAN 978-90-76644-91-2 -€18,-


Extern:  
Uitgeverij Kleinood & Grootzeer
Fondslijst Kleinood & Grootzeer  
Thuissite Bert Bevers
Meer recensies Nederzettingen
Bert Bevers bij De Schaal van Digther