Posts tonen met het label Edward Hoornaert. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Edward Hoornaert. Alle posts tonen

zaterdag 17 mei 2025

Het heilige huis uitgebreid

Vincent Van Gelder bespreekt Waar schaduw uit de bomen valt (Uitgeverij P) van Shari Van Goethem en Edward Hoornaert


In het voorjaar van 2022 bezochten Shari Van Goethem en Edward Hoornaert het Eden Kunstenfestival in Roeselare. Daar liet het dichtersduo zich inspireren door creaties uit binnen- en buitenland over de thema’s in het Bijbelse boek Genesis en in het bijzonder de tuin van Eden. Het resultaat van deze buitengewoon vruchtbare ‘kruis’bestuiving (maar liefst 93 gedichten) kunnen we nu ter hand nemen met de bundel Waar schaduw uit de bomen valt.  

In de tuin van Eden werd aan de mens een medemens toegekend. Daarom voelt het ook zo juist dat de dichter zich in dit project kon verlaten op een mededichter; een mannen- en vrouwenstem die de schepping afwisselend bezingen in een samenspel dat herinnert aan de hoogdagen van de kleinkunst (denk Pastorale door Ramses Shaffy en Liesbeth List of Prikkebeen door Boudewijn de Groot en Elly Nieman). Soms kijken man en vrouw mekaar aan en zit God op Haar troon; soms is de spraakverwarring compleet en vonken de gedichten als vuurstenen die de hele hof in as dreigen te leggen; saai is het nooit! Deze spanning waarmee man en vrouw zich tot elkaar (en tot zichzelf) verhouden is door de dichters fijnzinnig uitgewerkt in een bezwerende taal gespeeld op het strakgespannen vel van originele beelden. Zo “struikelen” ze in De aanschouwende (EH) over “de stenen van stilte die zij elkaar voor de voeten werpen” en “liggen” in Drift (SVG) “je lippen onbeweeglijk in je gezicht / als een gedachtestreep die de drift onderbreekt”.

Los van de emotionele wijsheid die in de gedichten verweven zit, is er ook een frisse, haast kinderlijk magische blik aanwezig, bv. wanneer we richting hemel kijken. In De verstandige (SVG) zie je “in het hemelwater […] vogels zwemmen” en in Balans (EH) “meeuwen als laaghangend fruit / uit de wolken vallen”; heerlijke beelden(!) en bijna alsof je door de ogen van Adam en Eva voor het eerst iets ziet vliegen. Toch is er voorafgaand aan elk paradijs al iets verloren gegaan wat herwonnen wil worden, zoals we kunnen lezen in Voormoeder (SVG): “in je ganse lijf heeft een vreemde vrouw / modderige voeten achtergelaten / je wil de afdrukken opgraven / uit jezelf de bestemming naar boven halen”. Het is “het licht” dat “herinnert aan een onmogelijke weg terug” (Nachtvisie, EH). Het zijn slechts enkele voorbeelden van de rijke gelaagdheid die vakkundig is blootgelegd.

Duidelijk is dat Shari Van Goethem en Edward Hoornaert niet aan hun proefstuk toe zijn. Uit de diepste klei van hun psyche hebben zij met een sterk tot de verbeelding sprekende taal een van begin tot eind meeslepende bundel geboetseerd; oftewel “een plek / om je aan vast te zuigen / als aan een borst” (Voorland, SVG); of nóg anders gezegd: 1 + 1 = 3! Ten slotte zou deze recensie niet compleet zijn zonder ook de prachtige opmaak door Uitgeverij P te noemen; al mochten de knappe collages binnenin, eveneens door Shari Van Goethem, gerust de gehele pagina innemen!

© Vincent Van Gelder

Shari Van Goethem & Edward Hoornaert, Waar schaduw uit de bomen valt, Uitgeverij P, Leuven, 2024, ISBN 978-94-64757-62-0


maandag 10 maart 2025

er is geen weg dan de weg naar zee

Daniël Franck over ‘Veelvoud van een eiland’ van het dichterscollectief Obsidiaan

er is geen weg dan de weg naar zee



Het dichterscollectief Obsidiaan presenteert zich als een open labo voor poëzie waar de dichters via allerlei projecten elkaars creativiteit stimuleren. Het collectief ontwikkelde een eigen podium ‘Roes!’ en een online platform ‘Roer’. De dichters die er deel van uitmaken geven al enige tijd mee het Vlaamse poëzielandschap kleur en inhoud. Met ‘Veelvoud van een eiland’ leveren Edward Hoornaert, Ann Van Dessel, Wim Vandeleene, Steven Van der Heyden, Reinout Verbeke, Tania Verhelst en Geert Viaene nu een tastbaar resultaat af. Deze bundel vol sterke gedichten is een mooie staalkaart van hun stemmen en kunnen.

Het thema ‘eilanden’ verbindt het geheel, al gebeurt dit af en toe ook met de losse pols. Het mooie is immers dat een dergelijk algemeen thema zowel een rode als een losse draad kan zijn. Poëzie houdt niet van te strenge restricties. Het is wel een prettige insteek. Als lezer haal je spontaan de atlas boven en zo wordt dit een rit met niet alleen poëtische maar ook geografische verkenningen. En er zullen nog andere dimensies het pad kruisen.

 

aan een verlaten kust kan je elk wild verhaal kwijt

niemand betrapt jouw dromen op een weeffout

op jouw hoede voor de inteelt van het eigen gelijk

verwelkom je de overzeese invloed


        (uit ‘Lanzarote’ van Wim Vandeleene)

Er zit een opmerkelijke eenheid in de bundel, wat toch bijzonder is voor een groep dichters. Misschien moet een verklaring worden gezocht in de correctie en bijsturing van elkaars werk. Met uitzondering van Reinout Verbeke staan de gedichten van de respectieve dichters kriskras door elkaar. Dat levert spanning en variatie op. Op die manier wordt ook het idee van een verzamelbundel wat opgebroken. Sommige poëtica’s leunen dicht tegen elkaar aan. Dat idee wordt nog verscherpt doordat vele dichters hier de hoofdletters en de interpuncties hebben afgezworen. En opmerkelijk: het zijn de vrouwen die het meest nadrukkelijk andere paden opzoeken.

Bezieler van Obsidiaan is Edward Hoornaert, de man van de nauwkeurige observatie. Zijn poëzie is knap verwoord met vaak sterke slotverzen (“geen grens meer trekken tussen binnenshuis / en buitenshuis, een plek zoeken die niemand ooit bezat”). Het is een genot om bijvoorbeeld het eiland Ometepe op te zoeken en dan de tekst ernaast te leggen. Dit soort dubbele ervaring zorgt echt wel voor een meerwaarde. Hij zoekt ook obscure uithoeken op, want “Eilanden van klein kaliber // verwelkomen ons als gasten van goeden huize.”

De poëtica van Steven Van Der Heyden leunt daar wel bij aan. Zijn minutieus opgebouwde gedichten zijn wat klassieker van opbouw en plechtiger, maar worden altijd gekenmerkt door een rijk taalvermogen.

voor de wal luisteren zeehonden op banken

naar eilander taal die zingt over oude dromen

zorgvuldig bewaard onder eeuwenoude zadeldaken

van een dorp met streken


(Uit ‘Schiermonnikoog’)

Met onder meer een gedicht over Nelson Mandela op Robbeneiland of over de leprakolonie Spinalonga (“Gekooid kunnen we niets dan luisteren / naar wat aflandige wind brengt”) bouwt hij tevens een brug naar maatschappelijke toestanden; nog een extra dimensie dus.

De gedichten van Reinout Verbeke zijn wat cryptischer. Dit is een dichter die het mysterie omarmt en zich niet toevallig vastbijt in het begin der tijden (zie de gedichten ‘Gondwana’, ‘Avalonië’ of ‘Pangea’)

Pangea

//

We gingen aan de vloedlijn liggen

en zogen de oceaan leeg

//

Het laken schoof langzaam weg

en we zagen: het dal liep dieper

de vlakte waarop we waren

uitgekeken bleek een top

//

Wie we een eiland hadden genoemd

zit nu aan onze voeten, komt rechtop

en raakt onze bovenarm aan

//

we delen voedsel en worden warm

We delen vuur en vinden de route

die viervoeters al hadden platgetreden

Geert Viaene schrijft fraaie beeldende gedichten, filmisch zelfs. Hij verbreedt het speelveld ook mooi naar de klimaatproblematiek:

de oceaanwoestijnen breiden almaar

verder uit, we verliezen grip, krijgen

//

helder in beeld het spatten van verkleurde

berenpoten in zwarte blubbersneeuw

Teloorgang is een beetje een rode draad in deze sterke poëzie.

Wim Vandeleene is de scherpslijper van het juiste woord, wat tot heel fraaie gedichten leidt.

aan de kaap houdt permafrost gasbellen vast, als oude adem

onder de spiegel dreigt een blauwe gletsjertong

//

schaarse weelde trekt rendieren aan

fjorden snijden ons eiland in rafels

Hij is ook niet te benauwd om eilanden te laten ontstaan: “waar platen botsen, werpt een vulkaan zich op / met onderaards gegrom, stoom, puin / het rode braaksel van aardse ingewanden / tot een eiland aan het licht komt. In de slotakkoorden van zijn gedichten laat hij ook al eens een kritische noot toe. Zo mondt ‘Dubai’ uit in “zelfbestuivers en renteniers van de grote getallen / in het midden van hun speelveld staan ze te blinken”.

Zoals eerder aangehaald wijken de vrouwen in het gezelschap vormelijk af van de patronen door de anderen uitgetekend. Zo zorgt Ann Van Dessel voor geslaagde vormexperimenten Vooral het beeldgedicht ‘Ei’ springt eruit. Zij vult het begrip eiland in met een ruimere interpretatie en dat mag. ‘Eiland van smaragd’ is een zeer geslaagde vrije omzetting van een gedicht van Sharon McErlane:

tot een eiland opgroeit onder

je voeten. leg je ziel in het land

en teken met een stok je zending

in de bedding uit. ga dan.

Tenslotte moeten we het stellen met slechts twee gedichten van Tania Verhelst, maar alleen al het lange en schitterende ‘Penelope’ is de aanschaf van de bundel waard. Het is speels, wijs en pijnlijk tegelijk en die speelsheid vindt een vormelijke pendant in de doorlopende versregels en enjambementen over de strofen heen:

“(…) weet je / wat ik soms denk odysseus dat jij nooit bent weggeweest dat je jarenlang / in de achtertuin van kalypso hebt gebivakkeerd –  kalypso mijn god jij zei / dat het // aan haar lag dat zij je niet liet gaan dat was het toppunt jij hebt troje / verslaan en alle wereldzeeën // overwonnen maar je was weerloos tegenover die ene vrouw die jou niet liet gaan”.

Ondanks de verschillen is het knappe aan deze bundel toch de eenheid. Dit is een collectief dat elkaar goed gevonden heeft en dat ook op papier onderstreept met een kwalitatief sterke bundel. De Vlaamse poëzie leeft wel degelijk. Het belang van Uitgeverij P hierin kan niet worden onderschat, dat mag ook wel eens worden gezegd.

 

© Daniël Franck 


Veelvoud van een eiland - Dichterscollectief Obsidiaan, Uitgeverij P, 2024, ISBN 978-94-64757-57-6)


De Obsidiaan-dichters van 'Veelvoud van een eiland' bij de voorstelling
van de bundel op 5/2/2025 in de boekhandel De Reyghere in Brugge.
Vlnr Geert Viaene, Steven Van Der Heyden, Wim Vandeleene, Ann
Van Dessel, Reinout Verbeke, Edward Hoornaert en Tania Verhelst


Veelvoud van een eiland bij Uitgeverij P.

Veelvoud van een eiland op Roer.me

Dichterscollectief Obsidiaan 

Veelvoud van een eiland – De voorstelling

zondag 8 december 2024

Waar schaduw uit de bomen valt


Op zaterdag 14 December 2024 stellen Edward Hoornaert, voormalig stadsdichter van Roeselare en Shari Van Goethem om 16:00 u in Villa Vandewalle in Roeselare hun dubbelbundel "Waar schaduw uit de bomen valt" voor. Heleen Debruyne (van Klara) gaat in gesprek met de beide dichters en er is livemuziek van Bodem. Kunstenaars Siska Viaene, Sabine Victor en Silke Desmet lieten zich op hun beurt inspireren door de poëzie en stellen er ook hun werk tentoon. De receptie wordt u aangeboden door Stad Roeselare. De neerslag van al dit schrijven werd gebundeld door Uitgeverij P.

Locatie: Villa Vandewalle, Meensestgeenweg 156, Roeselare

Info: "Voormalig stadsdichter Edward Hoornaert nodigde tijdens zijn stadsdichterschap Shari Van Goethem uit voor een dichtersresidentie in Roeselare. Samen bezochten ze de tentoonstelling van het Eden kunstenfestival. Dit resulteerde in een mooie samenwerking en uiteindelijk zelfs een dichtbundel die we graag aan je voorstellen in een happening met woord, beeld en muziek. Heleen Debruyne (KLARA) gaat in gesprek met de auteurs van de dichtbundel. Dit is een samenwerking tussen voormalig Stadsdichter Edward Hoornaert, Shari Van Goethem en het Eden kunstenfestival".

vrijdag 17 november 2023

Roeselare zoekt een nieuwe Stadsdichter


De Stad Roeselare is op zoek naar een nieuwe stadsdichter! Wie treedt in de voetsporen van Edward Hoornaert als stadsdichter van Roeselare voor 2024 en 2025?

Het stadsbestuur en het dichterscollectief Obsidiaan zoeken samen een dichter die zich voor de komende twee jaar engageert om poëzie dichter bij de Roeselarenaar te brengen en Roeselare verder op de kaart te zetten als poëziestad. De stadsdichter draagt met woordkunst op een positieve manier bij aan de identiteit van de stad. Je bent ambassadeur van de poëzie en brengt dat onder de aandacht van de inwoners van Roeselare. Dit zowel door je poëzie, alsook door het realiseren van een artistiek-creatief project.

Kandidaten kunnen zich tot 29 december 1923 aanmelden. De bekendmaking van de nieuwe stadsdichter is voorzien in de poëzieweek. Interesse? Bekijk de voorwaarden op https://www.roeselare.be/vrije-tijd/cultuur/stadsdichter-van-roeselare waar je ook het inschrijvingsformulier terugvindt. Donderdag 25 januari 2024, bij het begin van de poëzieweek, wordt de nieuwe stadsdichter bekendgemaakt.
 
 

 
 
 

zaterdag 16 september 2023

Vergezicht - Edward Hoornaert

Vergezicht


Op weke voeten komt ze aangelopen. Ze vraagt
of ik de vloedlijn kan zien vanop de vensterbank
of ik kan horen hoe de golven oorlog voeren.

Zij waarvan de uitsnede
geen foto is, maar licht gevangen op een vel papier.

Haar glans verblindt, haar stem wijst moedeloos de weg
die tal van vaders, moeders gingen voor hun kind.

Wanneer ze zwemt dan is het stil in mij
volgen mijn handen de beweging van haar handen
legt het lichaam zich in tal van onvolmaakte vormen

onthult de zee zijn adem: de oneindige omsingeling van water.



© Edward Hoornaert


Voorpublicatie. Gedicht uit ‘Weten welke huid je aan moet’, de tweede bundel van de Roeselaarse stadsdichter Edward Hoornaert die op zaterdag 30/9/2023 om 15:00 u. wordt voorgesteld in het Arhus Café in Roeselare.

Plaats van voorstelling: Het Verzonken Kasteel - Arhus Café, De Munt 8, 8800 Roeselare.
Programma:
Collega-dichter Reinout Verbeke leidt de bundel in en interviewt Edward Hoornaert.
• Gastdichters Ann Van Dessel, Shari Van Goethem, Tania Verhelst, Lander Cornelis, Wim Vandeleene & Steven Van Der Heyden lezen voor uit Weten welke huid je aan moet en eigen werk.
• De muzikale intermezzi zullen verzorgd worden door de groep Ooievaar.
• Uitgever Leo Peeraer overhandigt de eerste exemplaren.
• Receptie.


Iedereen welkom, mits een seintje vooraf voor donderdag 28 september 2023 aan Uitgeverij P.
Sint-Antoniusberg 9, 3000 Leuven of mail contact@uitgeverijp.be






vrijdag 15 september 2023

Keurslijf - Edward Hoornaert

Keurslijf

Wat een gebouw in zich draagt valt niet af te lezen
van zijn muren. Kamers kennen geen buitenlucht of het is
dat die naar binnen gezogen wordt langs vensters

en deuren. Je weet dat er iets is maar niets wijst
op een teken van leven. Gordijnen bewaken het licht.
In uitsparingen wordt de zon gevangen.

Alleen wij zijn doorzichtig. Schuwen het wit van onze ogen
die kleur bekennen. Kiezen de juiste kleren om zo weinig mogelijk
bloot te geven. Kruipen door de dagen in een veel te strakke huid.

In het donker cirkelen we rond gedachten waaraan we niet ontkomen
dichten vragen als lekken af, zoeken in een lichaam dat ademt
de slaap die ons past.


© Edward Hoornaert


Voorpublicatie. Gedicht uit ‘Weten welke huid je aan moet’, de tweede bundel van de Roeselaarse stadsdichter Edward Hoornaert die op zaterdag 30/9/2023 om 15:00 u. wordt voorgesteld in het Arhus Café in Roeselare.

Plaats van voorstelling: Het Verzonken Kasteel - Arhus Café, De Munt 8, 8800 Roeselare.
Programma:
Collega-dichter Reinout Verbeke leidt de bundel in en interviewt Edward Hoornaert.
• Gastdichters Ann Van Dessel, Shari Van Goethem, Tania Verhelst, Lander Cornelis, Wim Vandeleene & Steven Van Der Heyden lezen voor uit Weten welke huid je aan moet en eigen werk.
• De muzikale intermezzi zullen verzorgd worden door de groep Ooievaar.
• Uitgever Leo Peeraer overhandigt de eerste exemplaren.
• Receptie.


Iedereen welkom, mits een seintje vooraf voor donderdag 28 september 2023 aan Uitgeverij P.
Sint-Antoniusberg 9, 3000 Leuven of mail contact@uitgeverijp.be






donderdag 14 september 2023

Schaduwbeeld - Edward Hoornaert

Schaduwbeeld


Ik sliep in jouw naam en droomde
dat ik vleugels ruilde voor een harnas

dat binnensmonds de hel losbrak, elk woord
werd ingesloten. Elk onbezonnen idee wou rennen

voor zijn leven. Ik zag de uitgesleten bedding
van mijn gezicht, de zandkorrels in mijn ogen

voelde vreemde handen smelten om mijn oren.
Staarde me blind op een bodemloze put.

Bleef wachten tot jij uit mijn slaap zou ontwaken.


© Edward Hoornaert


Voorpublicatie. Gedicht uit ‘Weten welke huid je aan moet’, de tweede bundel van de Roeselaarse stadsdichter Edward Hoornaert die op zaterdag 30/9/2023 om 15:00 u. wordt voorgesteld in het Arhus Café in Roeselare.

Plaats van voorstelling: Het Verzonken Kasteel - Arhus Café, De Munt 8, 8800 Roeselare.
Programma:
Collega-dichter Reinout Verbeke leidt de bundel in en interviewt Edward Hoornaert.
• Gastdichters Ann Van Dessel, Shari Van Goethem, Tania Verhelst, Lander Cornelis, Wim Vandeleene & Steven Van Der Heyden lezen voor uit Weten welke huid je aan moet en eigen werk.
• De muzikale intermezzi zullen verzorgd worden door de groep Ooievaar.
• Uitgever Leo Peeraer overhandigt de eerste exemplaren.
• Receptie.


Iedereen welkom, mits een seintje vooraf voor donderdag 28 september 2023 aan Uitgeverij P.
Sint-Antoniusberg 9, 3000 Leuven of mail contact@uitgeverijp.be





maandag 5 oktober 2020

'Twee helften' - Het debuut van Tania Verhelst

Tania Verhelst in het Gezellehuis (Zo 4/10/2020)

Zaterdag 3/10/2020 laatst werd in het Brugse Gezellehuis ‘Twee helften’ de debuutbundel van Tania Verhelst voorgesteld. De bundel is een uitgave van Uitgeverij De Zeef, stilaan hét adres voor debuterende dichters om thuis te komen. Het Gezellehuis was de aangewezen locatie voor de voorstelling want multitalent Tania Verhelst die behalve dichter ook plastisch kunstenaar en nog een paar dingen meer is, neemt immers momenteel ook het eerste officiële Stadsdichterschap van de Stad Brugge waar. Met die mooie witte open tent in de Gezelletuin kon alles zaterdag bovendien – met de zorgzame hand op het hart - volledig ‘corona-proof’ verlopen.


Herman Leenders leidde, spits en gevoelig zoals we dat van hem gewoon zijn, de bundel in. Collega-dichters Edward Hoornaert en stadsgenoot Wim Vandeleene, die net als Tania Verhelst deel uitmaken van het dichterscollectief Obsidiaan, lazen voor en er was muziek van Dirk Ooms en Bernard Dewulf. Uitgever en dichter Roel Richelieu Van Londersele overhandigde het eerste exemplaar aan een glunderende én uiteraard terecht heel gelukkige Tania Verhelst. Zij las enkele gedichten uit haar bundel en had tot slot nog een bevlogen dankwoordje voor ons bewaard. Onze cerebrale hemisfeer die zoals de meeste andere dingen niet toevallig ook al uit 'Twee helften' bestaat zag (én hoorde) dat het goed was!

Na de publicatie van haar corona-stadsgedicht 'als de tijd daar is' vroeg Tania Verhelst haar lezers en iedereen die dat wilde, verder te schrijven, beginnende met de mantra 'als de tijd daar is', met de belofte om elk vers van een beeld te voorzien.
Dit stadsdichtersproject van haar resulteerde in een mooie tentoonstelling die in het Gezellehuis nog tot 6 december 2020 kan worden bezocht. Wel reserveren vooraf!

De tekst van zijn inleiding, waarvan iedereen graag zag dat ze achteraf voor alle poëziefanaten bereikbaar bleef, werd ons achteraf door Herman Leenders bezorgd. De tekst is dan ook integraal via deze Digther-blogpost na te lezen. Waarvoor dank!


Extern:
* De wereld heeft een naad - Inleiding Herman Leenders
* Thuissite Uitgeverij De Zeef
* Expo ‘Als de tijd daar is’ – nog tot 6 december 2020
* Als de tijd daar is – Stadsdichtersproject van Tania Verhelst
* Dichterscollectief Obsidiaan
* Thuissite Tania Verhelst
* Thuissite Herman Leenders
* Thuissite Roel Richelieu Van Londersele

Foto's: van boven naar onder:
Tania Verhelst, Edward Hoornaert, Wim Vandeleene en enkele momentopnames uit de tentoonstelling.

(Paul Rigolle)















































maandag 27 maart 2017

De oneindigheid - Giacomo Leopardi

Een poëtisch commentaar van Edward Hoornaert bij L’infinito 

Goed tien jaar geleden reisde ik met de auto richting Umbrië en de Marken, twee Italiaanse regio’s die het bij de meeste toeristen in populariteit moeten afleggen tegen Toscane als gedroomde reisbestemming, maar die qua authenticiteit helemaal niet moeten onderdoen voor het gebied waar de Italiaanse renaissance in de vijftiende en zestiende eeuw haar hoogtepunt beleefde. Umbrië, ook wel il cuore verde d’Italia genoemd, herbergt met Perugia misschien wel één van de mooiste capoluoghi van Italië terwijl de Marken, ingebed tussen de Apennijnen in het westen en de prachtig uitgesneden Adriatische kust in het oosten, met zijn rijk geschakeerde lappendeken van ontelbare heuvels én de aanwezigheid van kunst en cultuur in tal van kleinere en grotere steden niet voor niets ook soms als het ‘nieuwe Toscane’ geprezen wordt. Het is in laatstgenoemde regio (waarvan de van oorsprong Oudgermaanse naam nog herinnert aan de middeleeuwen, toen het grondgebied van de Marken nog aan de grens lag van het keizerrijk van Karel de Grote) dat Recanati ligt, een stadje gelegen bovenop een heuvel én onlosmakelijk verbonden met zijn ontegensprekelijk beroemdste inwoner die er aan het einde van de 18e eeuw geboren werd en er in het begin van de negentiende eeuw zijn jeugdjaren doorbracht, met name de grote Italiaanse dichter Giacomo Leopardi (1798-1837).

Monte Tabor, il colle dell’infinito

Een bezoek aan Casa Leopardi, het ouderlijke huis van Leopardi, was een van de belangrijkste redenen van mijn bezoek aan de stad. Het palazzo heeft immers een prachtige familiebibliotheek die zowat de hele eerste verdieping van het gebouw inneemt en waar de schrijver in spe zich op vijftienjarige leeftijd verdiepte in de studie van klassieke en moderne vreemde talen, geschiedenis, filosofie en filologie. Wat echter nog meer tot mijn verbeelding sprak was Monte Tabor, een kleine heuvel niet ver van het paterno ostello van waaruit Leopardi vaak in alle eenzaamheid ging wandelen om zijn geest de nodige ruimte te geven. En laat het nu net de warme herinneringen aan die wandelingen op Monte Tabor zijn die Leopardi er in 1819, op amper 21-jarige leeftijd, toe zullen brengen één van zijn meest tot de verbeelding sprekende gedichten neer te pennen: L’infinito (De oneindigheid). Monte Tabor heeft er zijn bijnaam il colle dell'infinito aan te danken en in het park dat men er heeft aangelegd vlakbij het Centro Studi Leopardiani, vind je het openingsvers ‘Sempre caro mi fu quest’ermo colle’ (‘Steeds was mij deze eenzame heuvel lief’) in grote letters op een muur terug. Het is op die plek dat je, op heldere dagen, met je rug gekeerd naar de muur, vanop de op het zuiden georiënteerde heuvel de besneeuwde toppen van de Monti Sibillini kan aanschouwen. Het is ook op diezelfde plaats dat Leopardi ’s avonds de maan in al haar bevalligheid kwam bewonderen, waarvan een wondermooie impressie in Alla luna, een ander bekend gedicht van zijn hand.

Een ‘kleine beeltenis’ van het oneindige

Het gedicht L’infinito maakt deel uit van de bundel Idilli (Idyllen, 1826). Een idylle betekent letterlijk ‘kleine beeltenis’ en beperkt zich doorgaans tot een lieflijke schildering van het landelijke, eenvoudige leven, zoals dichters zich dat droomden: vredevol, gelukzalig en vrij van elke ondeugd. Met de keuze voor deze titel schrijft Leopardi zich nadrukkelijk in in een klassieke poëtische traditie die zijn aanvang neemt bij Theocritus en de Alexandrijnse dichters. En toch neemt hij meteen ook afstand van die traditie. Zoals hij later zelf zal aangeven in het werk Disegni letterari (1828) zijn de Idilli in feite composities die ‘situaties, affecties, historische avonturen van zijn geest’ tot uitdrukking brengen. De idylle wordt bij Leopardi met andere woorden een genre waarin de dichter zichzelf niet zozeer tot doel stelt een landelijk tafereel in woorden te schilderen, maar zich bij het aanschouwen van de natuurlijke wereld die zich voor zijn ogen voltrekt bovenal concentreert – in een vorm van pure lyriek – op zijn gemoedstoestand, zijn diepere gevoelens, de bewegingen van zijn geest. Leopardi vernieuwt de idyllische traditie door een persoonlijke en intieme dimensie aan zijn verzen toe te voegen. Dergelijke verinwendiging van het ‘gebeuren’ breekt de idylle open en heft de begrenzing en beperking van die ‘kleine beeltenis’ op. Het beeld dat de dichter voor ogen staat ontdubbelt zich in een werkelijk beeld (empirisch waarneembaar, beperkt en begrensd) en een ‘virtueel’ beeld (vrucht van de dichterlijke verbeelding). De voortdurende slingerbeweging tussen wat het subject ziet en hoort enerzijds en datgene wat hij zich voorstelt en herinnert anderzijds brengt zijn geest in extase en het is in die extreme gemoedstoestand dat het oneindige voorvoeld wordt.

L’infinito

Sempre caro mi fu quest’ermo colle,
e questa siepe, che da tanta parte
dell’ultimo orizzonte il guardo esclude.
Ma sedendo e mirando, interminati
spazi di là da quella, e sovrumani
silenzi, e profondissima quiete
io nel pensier mi fingo; ove per poco
il cor non si spaura. E come il vento
odo stormir tra queste piante, io quello
infinito silenzio a questa voce
vo comparando: e mi sovvien l’eterno,
e le morte stagioni, e la presente
e viva, e il suon di lei. Così tra questa
immensità s’annega il pensier mio:
e il naufragar m’è dolce in questo mare.

De oneindigheid

Steeds was mij deze eenzame heuvel lief
en deze heg, die aan zoveel zijden
de verre horizon aan ’t oog onttrekt.
Telkens als ik hier zit, stel ik me erachter
onmetelijke ruimten voor, en stilten
die ’t menselijk begrip te boven gaan,
en peilloos diepe rust; waarbij ik soms
bijna verstijf van angst. En als ik dan
de wind door deze takken heen hoor waaien,
dan vergelijk ik die immense stilte
met dit geruis: ik denk aan de eeuwigheid,
aan de afgestorven jaren, en aan dit
dat leeft, en aan ’t geluid ervan. En zo
verdrinkt mijn geest in eindeloze diepten,
en zoet is ’t mij in deze zee te zinken.

(Vertaling: Frans van Dooren)


Het gedicht, dat uit één enkele strofe van 15 hendecasyllabi bestaat, vertrekt vanuit het eenvoudige decor van een idylle, een landschap gevormd door een eenzame, geliefde heuvel en een heg die de horizon aan het gezicht onttrekt. Het is echter net de waarneming van dat laatste obstakel die de verbeelding van het subject in werking doet treden en paradoxaal genoeg ruimte creëert voor ‘onmetelijke ruimten’ en ‘stilten die ’t menselijk begrip te boven gaan’. Na dit eerste overwegend visuele deel waarin de perceptie van oneindigheid in ruimte zich aan het subject openbaart (binnen het speelveld van zijn verbeelding weliswaar), volgt een tweede meer auditief deel waar opnieuw een concreet element, namelijk het ruisen van de wind dat zich als stem van het heden over de immense stilte van de onmetelijke ruimte binnen de verbeelding legt, de deur openzet naar het ervaren van een oneindigheid in tijd. Het horen van de wind maakt het subject opnieuw bewust van het levendige heden, maar roept meteen ook op wat niet meer tot dat heden behoort: ‘de afgestorven jaren’, de tijd in al zijn ‘eeuwigheid’. Levert Leopardi hier het fictieve bewijs van de grootsheid van de menselijke geest die het hele universum kan gevoelen, zonder enige beperking in tijd en ruimte? De ontdekking van oneindigheid verloopt bij Leopardi in elk geval via de zintuigen, en niet langs de weg van het verstand. Meer nog, het opheffen van de rede is een noodzakelijke voorwaarde om onder te kunnen gaan in de zee van oneindigheid. Het lyrisch subject stelt zich iets voor wat (per definitie) niet te vatten is wegens ‘onmetelijk’ en ‘peilloos’. Begrip (‘greep krijgen op iets’) veronderstelt net afgrenzing, afbakening (zowel in tijd als in ruimte). En daar waar het subject in het eerste deel nog vreest zichzelf te verliezen in dit avontuur van de geest omwille van de onbekendheid met een niet eerder ervaren stilte, rust en onmetelijkheid die hem tegelijkertijd aan de dood doen denken (‘ove per poco il cor non si spaura’), boezemt schipbreuk hem aan het einde geen angst meer in. Welintegendeel, het is met het grootste genoegen dat hij zijn geest laat zinken in de ‘eindeloze diepten’ van de zee der oneindigheid (‘e il naufragar m’è dolce in questo mare’).

Neigen naar het oneindige

Volgens Leopardi neigt de mens van nature uit naar oneindigheid. Het is Leopardi hier echter niet te doen om bovennatuurlijke krachten, om pure metafysica, maar veeleer om het streven naar een genoegen dat geen grenzen kent in duur noch uitgestrektheid, zo zal later duidelijk blijken uit zijn ‘teoria del piacere’ die hij ontwikkelt tussen 1819 en 1823 en waarvan de kerngedachte neergeschreven wordt in zijn Zibaldone (1820). Daarin stelt hij piacere (genoegen) gelijk aan felicità (geluk), maar verkiest hij, ter verduidelijking van zijn theorie toch de eerste, meer sensualistische term. In deze theorie staat Leopardi stil bij ons ‘neigen naar het oneindige’ dat wij niet kunnen bevatten, tenzij via de verbeelding, maar dan nóg enkel op onbepaalde wijze en niet op oneindige wijze. Het oneindige is immers altijd vrucht van de menselijke verbeelding, die eindig is. Maar het is wel enkel via de verbeelding dat we geluk kunnen ervaren. Enkel door jezelf over te geven aan de uitgestrektheid van de verbeelding en de rede op te heffen, door jezelf te laten opgaan in een oneindige, onbepaalde ruimte, door jezelf te verliezen, kan je een echt genoegen ervaren. Dit genoegen kan telkens opnieuw hernieuwd worden via nieuwe gewaarwordingen die je toelaten om het per definitie tijdelijke karakter van de werkelijkheid te overstijgen, tot de dood er een einde aan maakt. Het zich kortstondig inbeelden (of creëren) van die oneindigheid heeft voor Leopardi bijna vanzelfsprekend baat bij een poesia vaga e indefinita (een vage en onbepaalde poëzie) waarbij de verzen onder elkaar niet enkel een een metrisch continuüm vormen, maar ook een syntactisch continuüm dankzij de vele enjambementen en voegwoorden. De keuze voor een woordenschat die elke concrete waarneming of waarneming van eindigheid ontwijkt, draagt eveneens bij tot een ‘onbepaalde’ waarneming die verder uitdeint in tijd en ruimte. En daar waar in het begin van het gedicht nog concrete plaatsbepalingen (‘quest’ermo colle’, ‘questa siepe’) gebruikt worden die verwijzen naar een welbepaalde plaats, met name Monte Tabor in Recanati, vervagen ook die naarmate we verder ondergedompeld worden in het bezwerende ritme van het gedicht en andere, vagere elementen het oneindige, het onbepaalde oproepen (‘questa immensita’, ‘questo mare’). Hoe aardig dit alles ook klinkt, toch zijn het gedicht ‘L’infinito’ en bij uitbreiding Leopardi’s ‘teoria del piacere’ evenveel uitingen van het pessimisme van de dichter. Leopardi is zich namelijk maar al te zeer bewust van het feit dat zijn streven naar genoegen of geluk ijdel is, want vrucht van de verbeelding die op zijn beurt vrucht is een bewust gecreëerd contrast tussen wat eindig is (de heg als obstakel) en oneindig (‘onbegrensde ruimtes’ en ‘bovenmenselijke stiltes’). Het onzegbare ontvouwt zich voor onze ogen en laat van zich horen via het gegeven van de analogie als het gereedschap bij uitstek waarmee wij de wereld vormgeven. ‘Elk genoegen is eindig, maar hét genoegen is oneindig.’ In het gedicht L’infinito zijn het niet de dagdagelijkse, vluchtige vreugden en voldoeningen die een zekere vorm van geluk voorstaan – die verdoven hoogstens even de pijn. De ware vlucht uit angst en pijn bestaat erin op zoek te gaan naar het genoegen dat oneindig is in getal, in duur en in uitbreiding, een genoegen dat de mens in de werkelijkheid dan misschien wel niet kan vinden, maar wel via de kracht van zijn verbeelding. In de werkelijkheid zijn alle genoegens en vreugden eindig en afgebakend in tijd en ruimte, maar de menselijke verbeelding heeft de mogelijkheid dingen te bedenken die er niet zijn en dit bovendien ook op een manier waarop werkelijke dingen doorgaans niet zijn. Dergelijk vermogen tot verbeelding is volgens Leopardi eigen aan kinderen en kan niet zonder een zekere dosis onwetendheid, een soort kennis gebaseerd op het zintuiglijke. Het gedicht L’infinito evoceert op die manier, via Leopardi’s herinneringen aan de vele wandelingen op Monte Tabor tijdens zijn jeugd, misschien wel op een nostalgische manier de illusies en fantasieën die hij als kind op die plek ervaarde en als dichter steeds is blijven koesteren.



© Edward Hoornaert



woensdag 4 mei 2016

Vloeiing - Edward Hoornaert

alles heeft zijn vaste vorm
op steeds een andere plek

een steen schiet weg als bliksem uitgerold
de straat schuift ons de weelde van haar wielen toe

wij zijn het kind dat kijkt naar links en rechts
wij zijn het kind dat uit zichzelf de stap niet zet

wat ons ontglipt is wie niet zag

(traag tekent zich het remspoor af
wij blijven roerloos achter in de wind)


© Edward Hoornaert


Voorpublicatie uit de bundel ‘Wij vreemden’ die komende vrijdag 6/5/2016 om 20:00 u wordt voorgesteld in het Leeshuus te Oostende.


Nawinter
Cocon
Vloeiing


dinsdag 3 mei 2016

Cocon - Edward Hoornaert

een mens houdt zich afzijdig als een rups
hij voedt zichzelf met niets dan adem
weeft langzaam tot hij om zichzelf is komen heen te liggen

en plots is er het vermogen warmte vast te houden
kruipt het donker dichterbij en slaat het bed alsnog
een brug – over zijn wankele bodem

keert hij om en aan de overzijde wacht
de vleugels dicht een vlinder ingesponnen


© Edward Hoornaert


Voorpublicatie uit de bundel ‘Wij vreemden’ die komende vrijdag 6/5/2016 om 20:00 u wordt voorgesteld in het Leeshuus te Oostende.


Nawinter
Cocon
Vloeiing


maandag 2 mei 2016

Nawinter - Edward Hoornaert

wat ons tegenstaat: de weide die zich
van haar schapen heeft ontwold, de vijver
die graatmager op zijn eigen bodem ligt

te vloeien, en nergens iemand die het been heft
en om beweging roept, de wortels van het ijs
tussen de wolken zoekt

de tweesprong die ons nu geen keuze laat
de weg naar huis de enige weg naar huis

het wak waarin het ijs uiteindelijk verdwijnt
het huis waarin alles gaandeweg bevriest


© Edward Hoornaert


Voorpublicatie uit de bundel ‘Wij vreemden’ die komende vrijdag 6/5/2016 om 20:00 u wordt voorgesteld in het Leeshuus te Oostende.


Nawinter
Cocon
Vloeiing


Wij vreemden - Edward Hoornaert - Voorpublicatie

Op vrijdagavond 6 mei stelt uitgeverij Kleinood & Grootzeer om 20:00 u. de debuutbundel 'Wij vreemden' van Edward Hoornaert voor in 't Leeshuus te Oostende.

Reinout Verbeke leidt de bundel in. Edward Hoornaert leest gedichten voor, afgewisseld met de dichters Reinout Verbeke en Daan Borloo.
Sam David (Vloedt) zorgt voor de dialoog poëzie-muziek.
Nadien receptie en signeersessie. Vooraf aanmelden via: uitgeverij@kleinood-en-grootzeer.com.

Vanaf vandaag publiceert 'de Schaal van Digther' op deze site drie gedichten in voorpublicatie.

Over de debuutbundel en het werk van Edward Hoornaert vermeldt de uitgever Kleinood & Grootzeer op zijn website:

Op een bezwerende toon registreert Edward Hoornaert de ontwrichtende symptomen van vervreemding tegen de achtergrond van onze sterfelijke natuur. De bal stuitert almaar minder hoog tot hij uiteindelijk komt stil te liggen, de zwaartekracht van de dood spelbreker bij uitstek. Onderweg verliezen wij almaar meer aan weerstand. De gedichten in Wij vreemden zijn evenveel pogingen het hunkerende leven tegen het licht van de dood te houden. Hierdoor kan bij momenten meteen ook de indruk van de omgekeerde beweging ontstaan, namelijk het scheppen van dood tegen de achtergrond van het leven. Het leven wordt in die zin één en al anticiperen op de dood. De gedichten meteen ook een antidotum tegen de eindigheid inherent aan het leven.

Over Edward Hoornaert:
Hij studeerde in 2003 af als licentiaat in de Romaanse filologie aan de KULeuven
en koos er voor om als leraar te gaan werken. Zijn gedichten verschenen in verschillende literaire tijdschriften waaronder De Schaal van Digther, Kluger Hans, Meander, Plebs en Met Andere Zinnen. Hij werd meermaals bekroond voor zijn poëzie en werk van zijn hand werd gepubliceerd in diverse bloemlezingen. Hij is oprichter en redactielid van een twee powezie , een poëzieproject dat het puntdicht nieuw leven wil inblazen.


Uitnodiging 'Wij vreemden'
Blog Edward Hoornaert
Bericht bij Uitgeverij Kleinood en Grootzeer
Een twee powezie
't Leeshuus
Digther - Bericht over de voorpublicatie

Nawinter
Cocon
Vloeiing


zondag 14 september 2014

Terugslag - Edward Hoornaert


Ik ben de hand die zich geen raad weet met de bloemen
voor jouw graf, ik wacht en leg de stilte
eerder dan de bloemen voor je neer

compact en scherp is jouw gezicht dat onvolmaakt
in mij nu tot expressie komt, wij zwijgen niet
over verdriet dat vloekt en lacht, articuleren
zonder schroom de tijd die ons nog bindt
voor ook ik voorgoed in hoofd en tong verstar

elk woord dat nu nog komen moet
behoort tot ons verleden, zet diep het mes in onze rug
zoals wanneer ik zeg: ik wil een zoon die op je lijkt
en jij dat nu niet meer kan horen



© Edward Hoornaert