Posts tonen met het label Essay. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Essay. Alle posts tonen

vrijdag 12 december 2025

Zingen in de oorlog - Jef Boden

Zingen in de oorlog

‘Zoals de kolonel zei,’ bedenkt Natalia, ‘dit is de eerste maal in twee jaar tijd dat ik vogels hoor zingen. Thuis zingen ze niet.’

‘Omdat ze een shellshock hebben opgelopen,’ lacht de frontarts Roman.

‘Die shellshock hebben wij ook, en toch zingen wij nog,’ zegt Natalia uitdagend.

Deze dialoog staat in een reportage in The Power Within over een herstelkamp voor Oekraïense medici in Zweden. Zing je nog, ondanks de oorlog? Ontdek daarnaast Joelia Pajevska, ambulancier in Mariupol, gevangen, gemarteld, geruild, die later verklaart dat sport en kunst belangrijk zijn om trauma’s te verwerken. Onlangs verscheen haar eerste dichtbundel en de voorbije zomer was ze naast Serhii Zhadan een blikvanger op het tweedaagse poëziefestival van Kharkiv. Nauwelijks 20 km van de Russische grens laat zo’n ondergronds festival net vele toeschouwers toe om het hoofd boven de explosies te houden. Eerder verscheen In the Hour of War met werken van 27 dichters uit de eerste maanden van de oorlog. 

De oorlog dringt het leven binnen

Onvermijdelijk dat dichters over het hele land de realiteit niet kunnen negeren. De oorlog dringt het leven van iedere bewoner binnen. Is vluchten een optie?

Serhii Zhadan schrijft onmiddellijk:

Neem slechts het belangrijkste. Neem de brieven

Neem slechts wat je kan dragen

Neem de iconen en het borduurwerk, neem het zilver

Neem het houten kruis en de gouden replica’s…

We zullen nooit terugkeren.

We zullen onze stad nooit weerzien.

Of zoals Halyna Kruk stelt

…. Met iedere volgende dag van de oorlog

werd mijn noodzakelijke bagage

lichter…

En ze eindigt

uiteindelijk zijn zelfs sleutels

niet essentieel

Blijf je thuis? Bij iedere poetsbeurt vraagt Lyudmyla Khersonski zich af wat je van al die oude spullen bewaart, tot

…….. dan, eureka –

onder een stapel, een blikje sardines!

Marianna Kiyanovska beschrijft dan weer hoe de oorlog in alle kleine dingen doordringt, als in het vruchtvlees van kersen, zoet en fris. Maar, sommigen spuwen pitten uit, uit andere lichamen haalt men kogels.

Marjana Savka varieert dit in Hier ligt de Heer. Verslagen in een kist. Na Bucha breekt God niet langer brood, wacht eerder op het wonder der verrijzenis, met een fragment van een raket in zijn borst. Maar Hij zal aan hun zijde opstaan!

Al is het voor Dmitry Bliznyk oneindig eenvoudiger:

Neem de onsterfelijkheid, God, maar geef

me deze koude appelkelder.

Onvermijdelijk wordt, zoals Alex Averbuch dat doet, de vraag gesteld hoe je ooit naar een stad kan terugkeren die niet langer bestaat.

je vraagt: mijn geliefden, waar moet ik nu heen?

waar zeg je jezelf vandaag vaarwel?

Een taal in oorlog

Met het dagelijkse leven verandert ook je taal. Lesyk Panasiuk laat er geen gras over groeien. In In de Ziekenhuiskamers van mijn Land opent hij duidelijk:

De letters van het alfabet trekken naar de oorlog

… vormen woorden die niemand roepen wil.

… De taal in tijden van oorlog

is onverstaanbaar. In deze zin

gaapt een gat – niemand wil sterven – niemand

spreekt.

Taal vertelt waartoe de dichter veroordeeld is, klinkt het bij Boris Khersonsky. Gedichten brengen geen oorlog, zijn eerder een spiegel, een ontkenning, maar woorden krijgen met iedere explosie een andere betekenis.

Natalia Bilotserkivets meldt hoe men meer dan ooit gedichten schrijft en ondertussen weet hoe machteloos dit is. Oksana Zabuzko formuleert in Een definitie van poëzie hoe, terwijl vingers een pen vastgrijpen, ze koud worden, niet langer die van haar zijn.

Mijn jonge ziel –

De kleur van nat gras –

Naar vrijheid – dan

‘Stop!’ klinkt het, ontsnapt

Op de wankele grens

Van twee werelden –

Stop, wacht.

Mijn God. Eindelijk. Kijk, hier komt poëzie vandaan. 

En zoeken dichters in oorlogstijden waar ze met hun teksten heen moeten, dan weet Ekaterina Derisheva dat:

De mensen schrikken van artillerievuur

Leren opnieuw tellen

Een twee drie vier vijf.

Andriy Bondar formuleert hetzelfde in de mensen van mijn land. Hoe ze in de schaduw van woorden, de dreiging van de dood, te vroeg, als een vlinder op een karton worden geprikt.

Of met de woorden van Yurii Izdryk

kijken naar de wereld door het vizier van een geweer

kijken in jezelf door een microscoop

…. om elkaar te beschermen.

En krijgt taal nog een andere kleur? Anastasia Afanasieva schreef tijdens haar vlucht onder hevige bombardementen het eerste deel van een gedicht nog in het Russisch, ze eindigde in het Oekraïens. Niet langer in de taal van de agressor.

De dichter in de strijd

In een oorlog is het onvermijdelijk dat dichters dienst nemen, dat gedichten rechtstreeks uit de loopgraven komen. Nog steeds.

In Hij schrijft verwoordt Kateryna Kalytko hoe een soldaat in een brief aan zijn moeder herinneringen ophaalt en pijnlijk vermeldt hoe Andrew niet op zijn brief antwoordde.

Ostap Slyvynsky reikt in “1918” nog verder terug. Gebeurtenissen van die oorlog raken onvermijdelijk de actuele.

De geur van oorlog

Je ruikt naar oorlog

Jij en oorlog zijn één.

Zo schrijft Borys Humenyuk in Wanneer je je wapens schoonmaakt hoe de oorlog in je leven kruipt, hoe je wapen je nabij is, hoe in de aarde graven je als naar de baarmoeder terugleidt, hoe het gevecht, de geur, je één maakt met die oorlog.

Yulia Musakovska weet dat er niet alleen appelen in een tas kunnen schudden, ook beenderen, want

Je bent geen broer van mij

geen eerlijke vijand

geen man

geen beest.

Een zak vol beenderen.

Eenzelfde spanning zit ook in Begrafenisdiensten van Lyuba Yakimchuk. Het is niet wat je verwacht. De vijand probeert je te verleiden, vermomd als een struik, als sneeuw, als een leuk meisje. Zelfs in een kist kan hij doen alsof zijn hart niet meer slaat. Het zou mooi zijn als je jezelf zou kunnen overtuigen dat hij inderdaad zo’n terrorist is en geen menselijk wezen.

Zevenentwintig dichters uit het eerste jaar van de oorlog zoeken in deze bundel een eigen stem, bieden een veelheid aan stemmen.

© Jef Boden

 
In the Hour of War: Poetry fromUkraine, Arrowsmith Press, 979 8986 3401 80

The Power Within
, The Kyiv Independent, 978 6178 2475 22



 



maandag 8 september 2025

Al het vaststaande verdampt, al het heilige wordt ontwijd - Flor Vandekerckhove

Al het vaststaande verdampt, al het heilige wordt ontwijd (°)

Een getuigenis van Flor Vandekerckhove

Toen ik in 2013 afscheid nam van de boekenmarkt, had ik daar mijn redenen voor. Dat ik dat toen op een zinvolle manier kon doen, komt door wat ‘het digitale’ me ter beschikking stelde. Ik koos voor een welhaast dagelijks bijgehouden weblog — De Laatste Vuurtorenwachter — en voor de zelfstandige publicatie van e-boeken, gratis verkrijgbaar via De Weggeefwinkel van De Lachende Visch.

Ik heb dat moeten leren, digitaal schrijven. Gauw!, autofictief boek van mijn kindertijd, had vijf edities nodig om eindelijk te worden wat zo’n e-boekje enerzijds vraagt en anderzijds mogelijk maakt, Gauw! werd uiteindelijk een coming of age in provovers, met luisterfragmenten die je naar die tijd terugvoeren. Zo is ook een blog nog iets anders dan het elektronische equivalent van een papieren tijdschrift, het is een regelmatig bijgewerkte website, een plek die tot een vloeiend schrijfproces uitnodigt, startend van een tekst die voorlopig is, evolueert, elders naar wijst (de link); een drager die het verhaal niet versteent, zoals een papieren blad dat uiteraard wel doet. Sindsdien voeg ik beeld en klank toe aan wat ik schrijf en experimenteer ik met korte teksten die de surfende blik van de internetlezer bij ’t verhaal houden… De Laatste Vuurtorenwachter is een digitale werkplaats waarin ik, als ware ik een alchemist der letteren, de dingen meng: publiek dagboek en verhaal; essay en kladwerk; eenmanskrant en poëzie… Alles in de smeltkroes, hopend dat er goud van komt, verhaal zoekend in handpalmverhalen, drabbels, eenparagraafverhalen, provoverzen, prozagedichten,  driezinnenverhalen, oneliners en mini-essays.

In die digitale wereld ben ik inmiddels meer dan tien jaar bezig en onderweg heb ik me uiteraard wel eens de vraag gesteld waarom dat alles in ’t literaire veld onopgemerkt blijft, vraag die misschien wel terug te brengen is tot een andere: kan een schrijver weigeren z’n literaire kraam op de markt te positioneren en er tegelijk over klagen dat men zijn kraam niet vindt? Ik denk dat ik het antwoord inmiddels wel weet, ik formuleer het in De blogger en de literaire markt.

Intussen heeft de wereld niet stilgestaan. In 2022 vraagt Isabelle, echtgenote van Dimitri Verhulst, aan een machinerie, soort ChatGPT, om haar een verhaal te bezorgen zoals haar man er normaliter een schrijft. Het resultaat laat Dimitri Verhulst schrikken: ‘Ik voelde me om te beginnen wreed getypecast. Dat was angstaanjagend, fokking goed geschreven. Ik dacht dat het effectief van mij was. (Schertsend) Nee, maar het was wel mijn schrijfstijl. Echt griezelig. (…) het is wel angstaanjagend. Je moet weten dat die technologie volgende maand al veel beter zal zijn.’

Ik doe het haar na, nu met iets van mijn eigen schrijverij. ‘Kunt u me in exact honderd woorden,’ vroeg ik aan ChatGPT, ‘een fictieve roman noir vertellen, met als protagonisten een mislukte schrijver en een escort? Het verhaal dient zich af te spelen op de Oostendse Oosteroever.’ In minder dan geen tijd krijg ik een antwoord dat ik alleen lichtjes moet aanpassen om het helemaal naar mij toe te trekken.

OP DE KILLE Oostendse Oosteroever dwaal ik rond, een mislukte schrijver met inktzwarte gedachten. In de rokerige middenclub ontmoet ik de kaaihoer, thans escort, met littekens achter haar glimlach. We drinken whisky en zwijgen over ons verleden. Wanneer de escort me vraagt een klant te volgen die te veel weet, ruik ik inspiratie — of ondergang. Ik volg de man, verdwijn drie dagen, en keer terug met bebloede handen en een kladschrift vol waanzin. De escort leest het, glimlacht triest. ‘Nu ben je eindelijk schrijver,’ zegt ze, voor ze me aangeeft bij de politie. Regen valt, de Oosteroever zwijgt, zoals altijd.

 

De slotzin maakt me jaloers: ‘Regen valt, de Oosteroever zwijgt, zoals altijd.’ 

En het wordt erger. Op het einde van 2024 vertaalt een geschoolde vertaler een gedicht van Jean Pierre Rawie⇲ in ’t Engels, hij is daar een dag lang mee zoet, ’s morgens begonnen, ’s avonds gedaan. Omdat die mens wel meer met taal bezig is, beschikt hij over een betalend, professioneel programma voor kunstmatige intelligentie (AI)⇲. Die avond vraagt hij aan dat ding om ook een Engelse vertaling van dat gedicht te maken. Drie seconden later is er al resultaat, verschillend van ’t zijne, maar ook zeer geslaagd. Hij daagt me uit: welkeen van die twee vertalingen is des mensen, welkeen komt uit de machine? Ik aanvaard de uitdaging, vergelijk het origineel in z’n geheel met de twee vertalingen, doe het daarna nog eens strofe per strofe en uiteindelijk lijn per lijn. Twee keer perfect metrum, twee keer perfect rijmschema, twee keer perfecte vertaling. Op basis van een esthetisch aanvoelen maak ik tenslotte een keuze, en wat blijkt? Blijkt dat ik er glad naast zit! (°°) 

Daar hoef ik me niet voor te schamen: Door AI gegenereerde poëzie is niet te onderscheiden van door mensen geschreven poëzie en wordt gunstiger beoordeeld⇲: ‘Naarmate door AI gegenereerde tekst zich blijft ontwikkelen, wordt het steeds moeilijker om deze te onderscheiden van door mensen geschreven content. (…) Opvallend was dat deelnemers eerder geneigd waren om door AI gegenereerde gedichten te beoordelen als door mensen geschreven dan daadwerkelijk door mensen geschreven gedichten (…). We ontdekten dat door AI gegenereerde gedichten gunstiger werden beoordeeld op kwaliteiten zoals ritme en schoonheid, en dat dit bijdroeg aan hun foutieve identificatie als door mensen geschreven.(…).’

Wil je een verhaal lezen/schrijven? Een gedicht? Vraag het aan ChatGPT en die levert het je in minder dan geen tijd. Waardoor de woorden van  T.S. Eliot⇲ in deze AI-tijden nieuwe betekenis krijgen. ‘Hier ben ik dan, ergens middenin, en al twintig jaar,’ zegt hij:

Bezig om woorden te leren gebruiken, en elke poging

Is een heel nieuw begin, en een nieuw soort mislukking

Want de beheersing die je over woorden hebt verworven

Dient enkel voor wat je niet meer te zeggen hebt, of de manier

Waarop je dat niet langer zeggen wil. En zo is elke poging

Een nieuwe start, een aanval op het ongezeglijke

Met primitief gereedschap dat voortdurend achteruitgaat

In de gebruikelijke brei van onprecies gevoel,

Van eenheden emotie zonder discipline. En wat er is om te veroveren

Door kracht en overgave, is al eens ontdekt

Een of twee keer, of vaker, door mensen die je niet kunt hopen

Na te streven - maar er is geen competitie -

Alleen de strijd om weer te vinden wat verloren is gegaan

En steeds opnieuw gevonden en verloren: en nu onder omstandigheden

Die ongunstig lijken. Maar misschien verlies noch winst.

Voor ons geldt enkel en alleen het pogen. De rest gaat ons niet aan.’ (°°°)

 

Mijn onderwerp is — ’t staat in de ondertitel van De Laatste Vuurtorenwachter — ‘de verdwijnende wereld van een babyboomer/soixantehuitard.' Ik denk wel dat zo’n artificieel intelligente machinerie in staat is om, nu of morgen, dé ‘coming of old age’-roman van een soixantehuitard te produceren. Ik vind ook dat we dat aan de machine mogen overlaten. Ik luister liever naar wat Saskia De Coster zegt: ‘(…) dat er nog een immens terrein braak ligt waar de literatuur een nieuw speelveld kan vinden en de schrijver zijn identiteit kan heruitvinden en herontdekken.’ (°°°)

Ik vraag ChatGPT wat zij ervan vindt en haar antwoord is even waar als prachtig: ‘De taak van de schrijver is aarzelen, dwalen, missen.’ Want daarin versla ik de machine dagelijks en met gemak! Ik doe het met de publicatie van een almaar toenemend aantal marginale stukjes die elkaar aanvullen, tegenspreken, afvallen en overtreffen, zoals dat past voor iemand van mijn generatie. De literaire vertaling van de verdwijnende wereld van een babyboomer/soixantehuitard is geen roman, het is een almaar veranderende mozaïek in wording, die in een literair maquis tot stand komt, een maquis waarin ook vernieuwers als Charles Baudelaire, Isaak Babel, Paul van Ostaijen, Charles Reznikoff, de dichters van de beatgeneration en Bob Dylan zich hebben opgehouden, ongezien werkend aan een literatuur die vreemd is voor degenen die de dienst uitmaken. (°°°°°)

Flor Vandekerckhove⇲

 

(°) De titel is geïnspireerd door een passage in Het Communistisch Manifest⇲.

(°°) k kan die twee vertalingen niet tonen, ze werden mij in vertrouwen toegestuurd en niet ter publicatie.

(°°°) T.S. Eliot in Four Quartets⇲. In een vertaling van Peter van Huizen, hier in dbnl⇲.

(°°°°) Saskia De Coster in ‘Leve de schrijver zonder boek’ (DS der Letteren, 5 juni 2021) Meer erover in Twee groene⇲.

(°°°°°) Velerlei maquis⇲ is een essay waarin ik een periode uit het het werk van onder anderen Charles Baudelare, Paul van Ostaijen en Bob Dylan belicht, meer bepaald de tijd waarin ze hun werk in het verborgene (het maquis uit de titel) produceerden. Bestaat er ook vandaag zoiets als een literair maquis? Zijn er vandaag schrijvers die zich, ongezien door het literaire veld, in dat maquis ophouden? Zijn die schrijvers in dat maquis in de weer met taal-, vorm- en genre-experimenten, zoals modernisten dat, beginnend met Charles Baudelaire, ook deden? Ik schreef er een essay over, Velerlei maquis.

De digitale publicaties (pdf of ePub naar keuze) van De Lachende Visch zijn gratis. Mail erom (en vermeld de titel: in dit geval ‘Velerlei maquis’) en zeg ook of je pdf dan wel epub verkiest: liefkemores@telenet.be⇲. Zoals al de e-boeken van uitgeverij De Lachende Visch is ook dit essay gratis voor wie erom vraagt. Er is een PDF-versie en het is ook beschikbaar in EPUB. Je kunt bestellen via liefkemores@telenet.be⇲. De Weggeefwinkel zorgt ervoor dat het in je mailbox valt. (Vermeld titel en welke versie je verkiest, pdf of epub.)



zaterdag 19 april 2025

Wat is luxe - Carla Bogaards

Wat is luxe

Thomas Nagel  schrijft in “Mind and Cosmos. Why the Materialist Neo-Darwinian Conception of Nature is Almost Certainly False”:”Maar ik ben overtuigd geraakt van het idee dat er wel doelgerichte natuurwetten kunnen  bestaan(…) dat er dingen gebeuren omdat ze op een pad liggen dat ergens naar toe leidt.”

Overigens is bovenstaand citaat de consolidatie van wat een bevriende psychiater, ik kwam hem weer eens tegen bij een vernissage,  mij vertelde tijdens een nogal serieus gesprek  over zoiets dat  wel “Het Leven” wordt genoemd. Toen zei mijn gesprekspartner namelijk, je moet je eigen levenspad volgen. Of zei hij “pad”, zonder het woordje “levens” eraan vastgeplakt. Tant pis, het gaat om de kwintessens.

Ik reageerde een tikje verbaasd, pardon, zal wel, hoezo. Maar wat ik niet deed, de daad bij zijn woord voegend, richting garnalenkroketjes  koersen, ik ben er dol op- piramidevormig geschikt op een zilverkleurige schaal - zojuist binnen gebracht door de catering- over mijn schouder tegenstrevend, dit is nou mijn pad. Beetje flauw zou het zijn geweest, maar vooral dom. “Onderzoekt alle dingen en behoudt het goede”, predikt apostel Paulus, ja dat is wijsheid; ik ben op onderzoek uitgegaan, sindsdien dringt  de  impact van mijn kennis zijn woorden en die van Nagel meer en meer tot me door.

Van die zoektocht, zeker het is een cliché, doe ik verslag. U neem ik mee  op sleeptouw. Wat de uitkomst van deze zoektocht zal zijn…geloof het of niet, de pot met goud aan het eind van de regenboog.  

               In elk geval, er schijnt zoiets te zijn als een pad, niet letterlijk weliswaar, hoewel, je kunt het moeiteloos visualiseren.

Pad komt van het Griekse patos, het betekent  “smalle weg ontstaan door de voetstappen van mensen of dieren die erlangs zijn gegaan”.

Levenspad betekent, het leven voorgesteld als een pad dat  men moet aflopen.

En wat is de connectie met  “levensplan”, dat het ontwerp is voor de inrichting van iemands leven?

Terug naar dat pad, ook in Roodkapjes leven speelt het een rol; de boswachter had haar nog zo gewaarschuwd niet van het pad af te wijken, ze sloeg zijn raad in de wind, door dieper het bos in te gaan. Daar openbaarde zich de weelde aan fauna en flora, in de zoelte bloeiden verleidelijk mooie bloemen, muskuskruid, bleeksporig bosviooltje,  salomonszegel, dagkoekoeksbloem en nog veel meer. Toegewijd als ze was  plukte ze een boeketje voor haar zieke grootmoeder, waar ze op bezoek zou gaan. Ze vlijde het in haar witte, met broderiekant afgezette schortje, vouwde de punten ervan toe; haar schoot een tuintje.

Voorzichtig droeg ze deze rijkdom mee naar het huisje en haar hartje klopte verwachtingsvol, wat wachtte haar daar, behalve grootmoeder zelf, natuurlijk haar vreugde! Ze zou hup twee drie genezen zijn!

    In het mandje aan haar arm lagen, weggeborgen onder het schoon gewassen en glad gestreken glazendoek, een schaaltje aardbeien en een paar sneden roggebrood.

-Charges Perrault zelf, die zijn beroemdheid dankt aan zijn sprookjes verzameling “Contes de ma mère l’Oye”-Sprookjes van Moeder de Gans -heeft het in “Petit chaperon rouge”over koek en boter.-

Grootmoeder was niet zo’n schrokop, en ze at met kleine hapjes. O ja, ze zou voor grootmoeder een kan fris water putten, ze was geen klein kind meer, ze kon best de emmer laten zakken aan het touw, en vol weer op te halen. Blijmoedig, bijna huppelend voortstappend, ging ze haar ’ s weegs.

Uit  het kinderliedje over Roodkapje weten we dat ze niet bang  was voor de wilde dieren waar de boswachter over had gesproken.

Hij zingt, in het bos zijn de wilde dieren, in het bos, in het bos, etc.en zij zingt terug, ik ben niet bang voor de wilde dieren, ik ben niet bang, ik ben niet bang etc.  

Daarna loopt ze de wolf tegen het lijf, is ze  soms zo’n  durfalllig wolvenfluisteraarstertje, hij heeft  verschietende geelgroene ogen 

Roodkapje zou dus dat bewuste, zogenaamd veilige, pad hebben verlaten en toch,  bezweer ik u, zou ze het pad van haar leven blijven volgen.

Ze creëerde  een gloednieuw pad, mens en dier zijn er langs gegaan, en, ze bereikte tenslotte veilig haar bestemming. 

In de versie van Perrault staat dat Roodkapje door  grootmoeder c.q. de  wolf gevraagd wordt in bed te komen liggen. De uitdrukking elle a vu le loup  betekent: zij heeft haar maagdelijkheid verloren. “ Le Loup, la voyant entrer, lui dit, en se cachant dans le lit sous la couverture: ‘Mets la galette et le petit pot de beurre sur la huche, et viens te coucher avec moi.’” 

Ik bedoel dat een meisje op een dag toegeeft aan iets wat verder niet benoemd hoeft te worden.

Over de wolf het volgende: ik moet u het antwoord  schuldig blijven waarom ik een kunstwerk in mijn kamer heb staan, krijt op karton, van een levensgrote wolf, hij lijkt zijn poten te verzetten in zijn mij besluipende loop, zijn kop, aan de schijnbaar behaagzieke licht gebogen hals, naar voren gestoken, hij kijkt me recht in de ogen.

Echter, het  antwoord op de vraag WAT IS LUXE kan ik u wel degelijk geven: je pad, oftewel je eigen levenspad, volgen is namelijk luxe, pure luxe.

Nog dezelfde avond, nadat ik mijn definitieve antwoord op bovengenoemde vraag op typte, werd ik tijdens mijn avondwandelingetje, en het was niet eens volle maan, door het Leven zelf aangesproken.

Mij werd ter plekke een genereus aanbod gedaan, namelijk “een leven in luxe”.

 Ik neigde ernaar om als het ware mijn handen uit te strekken, en het geschenk, zo kan je het wel noemen, in ontvangst nemen.

Het was een groots ding dat ik zou accepteren,  nogal verschillend van zoiets tijdelijks en oppervlakkigs als ontdekt worden door een beroemde couturier die je aanbied zijn topmodel te worden, en  zijn nieuwe collectie te showen op de catwalk.

De situatieschets: op een  dag slenter je  in Parijs op je witte gympjes langs het terras van café De Flor en wordt gespot door deze beroemde couturier. ‘Veuillez  m’excuser mademoiselle...’etc.etc.

Terug naar het aanbod  het Leven. Vooralsnog was mijn reactie:’Okay.’

“Okay” is het symbool voor  de verdichting van een aantal of een samenstel van begrippen in een enkele voorstelling. Het voldoet in elke denkbare situatie  Eigenlijk doet alleen de toonhoogte en intonatie ertoe daarmee kan alles verpest worden.

(C’est le ton, qui fait la musique)

Er volgde een verraderlijk korte tijd van zelfreflectie; welke consequentie moet ik trekken, welke bruidsschat moet ik in brengen; als een gedomesticeerd dier aan de leiband van  diezelfde luxe lopen?

’Wat is er voor nieuws aan’, vroeg ik, en wandelde weg, mijn pad vervolgend.


© Carla Bogaards

* Tessalonicenzen 5:21

*Tevens is de betekenis in het algemeen seks hebben. In dit specifieke geval heb ik gekozen voor de andere uitleg gekozen.     

Naschrift. De hele categorie van min of meer sprookjesachtige  verhalen, in dit geval uit  onze Westerse cultuur staat geboekstaafd, van Odyssee tot Bijbel, Torah en Koran; vergelijkende verhalen ter lering en vermaak.

Dit essay is ook na te lezen op de site van Carla Bogaards.


Carla Bogaards op Wikipedia



dinsdag 14 januari 2025

Naar een apologie van het prozagedicht

Over Breedschrift van Alain Delmotte 

Recensie: Antoon Van den Braembussche


Alain Delmotte (1957) bekleedt een vrij unieke positie in het huidige Vlaamse poëzielandschap. Hij debuteerde in 1983 met de bundel Sociaal realisme in de legendarische Yang Poëzie Reeks. Toch bleef zijn poëzie
lange tijd in de marge. Maar dit belette hem niet om in alle stilte een imposant oeuvre bij elkaar te schrijven. Op zijn naam staan een vijftiental dichtbundels. Hierin evolueerde hij in de jaren 90 via ronduit experimentele poëzie naar dichtwerken waarin er sprake was van een kruisbestuiving tussen beschouwing en poëzie. Vanaf 1997 koos Alain Delmotte resoluut voor het prozagedicht. Het feit dat het prozagedicht in onze letteren al vanouds stiefmoederlijk wordt behandeld, verklaart mede waarom zijn poëzie lange tijd ondergewaardeerd werd.

Daar is nu verandering in gekomen. Getuige hiervan de recente verzamelbundel Elementen van Warhoofdigheid: Een keuze uit zijn prozagedichten 1997-2022  (Uitgeverij P, eind 2023). Deze bundel bevat een verzameling leerdichten met als centrale (taal)figuur Warhoofd, een fictief alter ego van de dichter zelf. Maar er is meer. Stilaan wordt ook zijn verdienste erkend als schrijver over poëzie: als uitstekend recensent en last but not least als bevlogen essayist. Dit komt met name tot uiting in de onlangs verschenen essaybundel Breedschrift, eveneens verschenen bij uitgeverij P, met teksten en recensies uit de periode 1998-2020, grotendeels gewijd zijn aan het prozagedicht. Met deze opmerkelijke parallellie en gelijktijdigheid tussen praktijk en theorie heeft Alain Delmotte het prozagedicht definitief op de kaart gezet. Omdat je in ons taalgebied beschouwingen over het prozagedicht met een vergrootglas moet zoeken, is Breedschrift enkel al uit hoofde hiervan een baanbrekend werk. Gezien de grote tijdspanne, waarin de werken tot stand kwamen, kan je het essayboek ook als een levenswerk zien.  

Essays

Vooraf zij opgemerkt dat het hier wel degelijk om essays gaat in de oorspronkelijke zin van het Franse woord essai, dat letterlijk “poging” of “probeersel” betekent. De term werd in  zijn literaire betekenis overigens voor het eerst door Montaigne gebruikt. Alain Delmotte verklaart al van meet af aan dat zijn tekst geen literair-historische, literair-wetenschappelijke of academische pretentie heeft. Het gaat hier, zoals hij beklemtoont, om niet meer dan “poëticale plaatsbepalingen”, persoonlijke stellingnames ten aanzien van de poëzie. Desondanks of misschien juist daardoor is het uitdagende lectuur, origineel, belezen, aansprekend en tegelijk complex. Het boek bevat prachtige passages, munt uit in verleidelijke zijbespiegelingen, waarin Alain Delmotte zichzelf bevraagt, nuanceert, om nadien steeds opnieuw, soms schoorvoetend op de kernvraag terug te komen, zij het vaak met een lichtjes bijgestelde visie. Het betoog is dus niet lineair maar eerder meanderend. Je zou het kunnen beschouwen als een soort van flânerie in de zin van Baudelaire of Walter Benjamin. Of nog: “tastzoekend”, een lievelingswoord van mij dat als zodanig echter niet bestaat maar hier toch vanzelfsprekend is. De gehanteerde werkwijze maakt het niet gemakkelijk om de tekst samen te vatten en te bespreken.

Waarom nog poëzie?

Maar laat ik een poging (!) wagen. Hoewel de essaybundel hoofdzakelijk, zoals gezegd, aan het prozagedicht is gewijd, is deel I gewijd aan de prangende vraag: waarom nog poëzie? De directe aanleiding hiervoor was een column van Ann de Craemer, “Dichters huilen niet”, waarin zij betoogde dat poëzie helaas niet meer van deze tijd is. “Het probleem is dat er weinig behoefte is, en dus ook weinig vraag is”. Johan De Boose reageerde fel in een open brief aan Ann De Craemer, waarin hij hooggestemd besluit: “Ik geloof in het tegengestelde: poëzie is de basis van alle literatuur en zal op die manier ook alle literatuur overleven. Proza als hoger leesvoer is van vrij recente datum (…), maar poëzie is er altijd!”.

In het verlengde van deze controverse worstelt Alain Delmotte eveneens met de vraag die ooit al door Hölderlin in het begin van de 19de eeuw werd gesteld: “Wozu Dichter in dürftiger Zeit?”, “Waartoe dichters in behoeftige tijd?”, een vraag waar Martin Heidegger in Hölzwege een lang, beroemd essay aan wijdde. Alain Delmotte vermeldt het essay van Heidegger maar bespreekt het jammer genoeg niet, wat ik als dichter-filosoof  wel graag had zien gebeuren. De vraag van Hölderlin blijft echter wel in het betoog nazinderen. Alain Delmotte probeert in zijn antwoord op deze vraag zich een weg te banen tussen geruchtmakende recente Franse discussies over het onderwerp, en verder tussen gedachten of gedichten van H.C ten Berge, Erik Spinoy, Osip Mandelstam, Plato, Adorno, Yves Bonnefoy, Charles Baudelaire, Emmanuel Levinas, René Char, Ida Gerhardt, Toon Tellegen en Paul Celan, Roland Jooris en Annie Reniers. Dit levert her en der sprankelende citaten op. En intussen ontvouwt hij op deze wijze ook langzaam de kern van zijn betoog.

Het gaat Alain Delmotte in eerste instantie om de “queeste naar de lezer”. Het gaat om een allenspraak die tweespraak wordt! Of zoals de Franse  dichter en essayist Yves Bonnefoy het prachtig verwoordt: ”La poésie, cet accès à soi qui se fait un accès à l’autre”. – “Poëzie, deze toegang naar zichzelf die een toegang naar anderen wordt” (p. 21). Het gedicht richt zich tot iedereen en tot niemand in het bijzonder. Het gedicht gaat altijd op zoek naar een dialoog met een potentiële lezer. Het zoekt naar een lezer als gespreksgenoot. Het gaat om de aanspreekbaarheid: elk vers hunkert om aangesproken te worden en au sérieux te worden genomen. Vanuit deze optiek is het gedicht een ontmoeting of zoals Paul Celan het zo mooi uitdrukte, een handdruk. Hierbij schept de lezer als het ware mede het gedicht, meer nog: hij of zij is net als de dichter op zoek naar het magische woord, dat alles aan het licht brengt.

In tweede instantie gaat het Alain Delmotte om het onzegbare in het gedicht. Dit ligt in het verlengde van het voorgaande. Het gedicht als ontmoeting wijst op een fundamentele interactie tussen dichter en lezer. Hoewel het gedicht niet langer verwant is aan de goden, de goddelijkheid ontbeert, zoals Hölderlin beweert, schenkt poëzie ons nog steeds een extra dimensie: ze helpt ons ademen in een verstikkende wereld, ze geeft zuurstof aan onze taal, ze laat ons opnieuw in contact treden met de onvatbaarheid der dingen. Poëzie conformeert zich niet, is rebels, is ongebonden, is “dwars tegen de keer”. Dit komt omdat poëzie niet spreekt over iets: het is het spreken zelf, zodanig zelfs dat ze de stem van het onzegbare wordt, of wat Mandelstam fraai, “de lucht van het onverwachte” noemt. Dit vergt van de lezer een grote ontvankelijkheid. Het is luisteren naar een stem die niet zelden het diepste zelf of het meest ongrijpbare zijn vertolkt, Dit vraagt om lezen en herlezen, en blijven herlezen.

De queeste naar de lezer, de onvatbaarheid en de complexiteit van het gedicht mag niet verhullen dat poëzie niet losstaat van de historische context. In derde instantie benadrukt Alain Delmotte daarom ook terecht dat poëzie, zij op een geheel eigen wijze, in de wereld staat “Elk gedicht draagt de littekens van het tijdsgewricht waarin het is geschreven. Gedichten zijn de epigonen, de retorische spoken van de tijdsgeest” (p. 55). Ergens verwoordt Delmotte dit op magistrale wijze: “De dichter wil een stem zijn voor de woorden en de woorden een stem geven. Hij wil in de woorden de wereld laten horen. Waar is de dichter? Hij is naamloos. Dat hij ademt, is zijn identiteit, zijn intimiteit, zijn plek, zijn grensgebied en niemandsland. De dichter is waar er wereld is. Wie hoort het spreken van de wereld dat in het spreken van de dichter is ingebed? En dat soms de vorm van stilzwijgen aanneemt?” (p. 56).

Verdere structuur en opzet

Breedschrift is, zoals ik al schreef, hoofdzakelijk gewijd aan het prozagedicht. Hierbij leunt  Alain Delmotte sterk aan bij de Franse poëzie, waarin het prozagedicht, in tegenstelling tot de Nederlandstalige literatuur, een zeer respectabele traditie heeft. De voorloper bij uitstek is  Aloysius Bertrand (1807-1841), wiens Gaspard de la Nuit,, een bundel prozagedichten die pas een jaar na zijn vroege dood, in 1842, verscheen. Het werk werd, zoals bekend wereldberoemd dankzij het gelijknamige drieluik voor solopiano van Maurice Ravel uit 1908. Dank zij Gaspard de Nuit werd in de Franse literatuur het prozagedicht, vaak “poême en prose” genoemd, langzamerhand een veel beoefend genre. Belangrijke dichters zoals Charles Baudelaire, Paul Verlaine, Arthur Rimbaud, Stéphane Mallarmé en René Char zijn slechts het topje van de ijsberg. Het pleit echter voor Alain Delmotte, die beter dan wie ook in ons taalgebied vertrouwd is met de Franse poëzie, dat hij hier spreekt met een fenomenale voorkennis en hierdoor moeiteloos navigeert tussen de talloze Franse voorbeelden. Dit verklaart ook waarom hij start met diepgaande, zij het heel vrije reflecties op de prozagedichten van Jules Renard en Francis Ponge. Dit is de prelude tot het centrale essay  “Het prozagedicht – een persoonlijke apologie”, Daarna poogt Alain Delmotte in een reeks recensies vooral het belang van het prozagedicht aan te tonen in het werk van Nederlandstalige dichters zoals Peter Gryssaert, Frank de Crits (die hij met Max Jacob vergelijkt), Luuk Gruwez (wiens Psilologie hij in detail bespreekt), Nyk de vries en Xavier Roelens. Tenslotte wordt zijn eigen werk Elementen van Warhoofdigheid  op een speelse en intrigerende wijze uitvoerig toegelicht.

De eigenheid van het prozagedicht

Het is intussen duidelijk dat Alain Delmotte al sinds 1997 verknocht is aan het prozagedicht. Naar eigen zeggen begon hij met dit genre uit onvrede met de beperkingen van het reguliere gedicht. Hij citeert met graagte de bijna provocerende uitspraak van Jules Renard: “Des vers, des vers, et pas une ligne de poésie” (“Verzen, verzen, en niet één regel poëzie”). Of, zoals in een eigen gambade luidt: “Proza: poëzie die aan het vers ontsnapt, aan het vers ontkomt”. Omdat zoveel auteurs in het Nederlands laatdunkend neerkijken op het prozagedicht, het zelfs, zoals Benno Barnard, als “een onbeschaafd voorstadium van de poëzie” omschrijven, schrijft Alain Delmotte hier een persoonlijke apologie van het prozagedicht.  Om de eigen waarde, of zelfs de meerwaarde van het genre kracht bij te zetten poogt hij voortdurend de belangrijkste verschillen tussen ‘gewone” poëzie en het prozagedicht te verhelderen.

Een eerste verschil betreft wit/zwart tegenstelling. Terwijl ‘gewone’ poëzie gekenmerkt wordt door een grote hoeveelheid witruimte, wordt het wit in het prozagedicht tot een minimum herleid. Of, met andere woorden, indien de reguliere poëzie bepaald wordt door wit, dan wordt het prozagedicht bepaald door zwart.

Een tweede verschil betreft de tegenstellingen tussen smal en breed, tussen verticaal en horizontaal. Het ‘gewone gedicht’ spant zich op, breekt verzen af, neigt dus naar het verticale. Het prozagedicht daarentegen is een schriftuur van en voor de breedte, een “breedschrift” (vandaar ook de titel van het boek!). Ergens drukt Delmotte het verschil uit met een beeldspraak: terwijl het ‘lyrische’ gedicht ontspringt als een geiser, gelijkt het prozagedicht  op een kabbelende, deinende zee (met af en toe hoge golven).

Dit tweede verschil leidt uiteindelijk tot een apologie, bijna een parodie: “Het lyrische gedicht gaat recht op het doel af, het prozaïsche is gaande – rustig aan, rustig aan. Het lyrische zingt, het prozaïsche neuriet. Het lyrische raast, het prozaïsche murmelt. En zoals na elke roes een kater volgt, blijft van het zingen achteraf enkel heesheid over: arme lyriek”.

(sic!).

Slotbeschouwingen,

Een eerste kritische kanttekening. De apologie van het prozagedicht, die tegelijk een zoektocht is naar de eigenheid ervan,  getuigt van moed, inzet, doorzettingsvermogen. Want het blijkt toch bij verdere lectuur hoe moeilijk de opdracht is. Zo schrijft Delmotte op p. 84 plots hoe lastig en problematisch het is een sluitende definitie te geven van het prozagedicht. Zo stelt hij op p. 93 dat er geen wezenlijk verschil is tussen prozagedicht en gedicht!? Op p.110 verzucht hij dat het prozagedicht niet onder één noemer te vatten is. Op. 124 citeert hij Sacré instemmend die verklaart dat “er geen fundamenteel verschil tussen proza en vers is”. Nogal wat lezers zullen hierbij hun wenkbrauwen fronsen, omdat het op een contradictie lijkt tussen doelstelling en conclusie, tussen de kernbeweging van de tekst en de tussentijdse aarzeling en relativering.

Een tweede kritische kanttekening is de volgende. Hoewel hij ergens betoogt dat een prozagedicht in regel niet langer is dan een tot anderhalve bladzijde, poogt hij ook veel langere teksten als prozagedicht of een reeks van prozagedichten te duiden, Dit doet hij onder meer bij de bespreking van Psilologie van Luuk Gruwez. Ook de Grotesken van Paul van Ostaijen ziet hij als een prozagedicht.  Zou het niet beter geweest zijn van poëtisch proza te spreken als een aparte categorie. Zo las ik onlangs het sublieme Wit van de Koreaanse Nobelprijswinnares Han Kang, dat overigens heel veel witruimte bevat! Wellicht zou Alain Delmotte hier van een opeenvolging van prozagedichten spreken, terwijl ik zelf eerder geneigd zou zijn om dit poëtisch proza te noemen.

Dit gezegd zijnde blijft dit essayboek een mijlpaal in de noodzakelijke beschouwing en exploratie van het prozagedicht, In eerste instantie omdat in ons taalgebied het genre tot  nu nooit de aandacht heeft gekregen dat het verdiende. Daarnaast is het boek niet meer en niet minder dan een schitterende apologie van poëzie überhaupt, de noodzaak aan poëzie  in een tijdperk dat naar een overkill van snelle informatie en tegelijk naar vervlakking neigt.  

© Antoon Van den Braembussche


Breedschrift
, Alain Delmotte, Uitgeverij P, Leuven, 2024, ISBN 978-94-64757-50-7

Breedschrift bij Uitgeverij P.  

Recensie Breedschrift op Mappalibri

Recensie Breedschrift op De Boekhouding




vrijdag 25 oktober 2024

Een taal zoeken - Jef Boden

Een taal zoeken

Ieder van ons herinnert ze: momenten dat je wereld even stilstaat. Door wat je meemaakt, ervaart, hoort. Johannes Kerkorrel is daar meer dan één keer verantwoordelijk voor geweest. Hillbrow op de radio overviel me zo sterk dat niets anders dan aandachtig luisteren mogelijk was. Als Paulus van zijn paard gebliksemd. Was het de poëzie van het lied waardoor de zanger en zijn taal definitief mijn hart veroverde? Tijdens latere optredens waren er telkens overrompelende kippenvelmomenten. Hij zong immers Hoe ek voel. Treffend gekozen woorden veroorzaken veel, knetteren alle richtingen uit. Je verliest je hart, of, je weet zoals Kerkorrel en zijn makkers dat je jezelf Voëlvry verklaart. Een taal kiezen, een taal vinden is zo belangrijk. En, voegen we er onmiddellijk aan toe, vaak zo lastig. Door een helder standpunt in te nemen, je taal ervoor aan te scherpen, beland je op een zucht van een conflict. Kan het anders in een aanklacht en op de weg naar de vrijheid? Wat verwacht je van een machtsapparaat dat haar fundamenten bekrast ziet? Een verbod ligt voor de hand, versluierende woorden vormen een subtielere repressie. Echt verscheurend wordt het wanneer je eigen kind slachtoffer wordt. Van Soweto tot Odessa. Dan wordt het een persoonlijke strijd op zoek naar een bruikbare taal. Hoe evolueert, voor vriend en vijand, een taal in een oorlog? Hoe gedraagt een taal zich strijdend in de frontlinie? 

Van bij de eerste raketinslag behoren kinderen bij de slachtoffers. In de documentaire 20 days in Mariupol zie je onmiddellijk leven en dood passeren: in de evacuatie van een beschoten ziekenhuis worden kinderen geboren, een partijtje straatvoetbal eindigt onder een lijkwade of, met wat meer geluk, met geamputeerde benen.

Vrij snel passen kinderen hun spelletjes en aftelrijmpjes aan. Niet langer diefje met verlos. Verstoppertje kleurt totaal anders of het spel klinkt als ‘luchtverdediging’ of ‘Putins dood’. Vierjarigen imiteren het geluid van het luchtalarm en de eerste woordjes van een peuter zijn ‘ma, pa, alles veilig’.

Herhalen, zeggen, schrijven wat de gruwelijke realiteit is, vooraleer de propaganda zich ermee bemoeit. Alles wordt bij zijn naam genoemd. Dat overstijgt de kinderjaren. Slachtoffers van de agressie winden geen doekjes om hun taal. Leef je tussen de daders dan hoor je andere geluiden en dien je die te imiteren. Er is geen oorlog, slechts een ‘speciale militaire operatie’, geannexeerde gebieden worden bevrijde gebieden, zelfs als de denazificatie gebeurt met gekopieerde SS-methodes. Niets nieuws onder de zon. Zo werd Praag in 1968 nooit door de sovjets aangevallen. Het land werd bevrijd. Coventry werd in 1940 slechts platgebombardeerd omdat het een militair knooppunt was, want “wij vallen slechts militaire doelen aan”. Burgerslachtoffers? Dat was officieel niet de bedoeling. Aardig wat mensen hebben dat anders ervaren in Guernica, Rotterdam, Coventry, Dresden, Aleppo, Mariupol, Gaza. Wordt in 2024 in Gaza een school met raketten bestookt dan is dat louter omdat militairen zich daar verschuilen. Toch geen agressor die ziekenhuizen of theaters als systematisch doel neemt? Bij een incident in vredevolle landen worden messentrekkers allerhande vandaag netjes “geneutraliseerd”.

Dat je landgenoten oorlogsmisdaden en mensenrechtenschendingen begaan, dat zeg je dat beter niet. Nog minder als een regime je taal opeist binnen haar beleid. Voëlvry was geen toevallige benaming voor de concerten in apartheidstijden. Zo kleefde er na 1945 erg lang een kwalijke erfenis aan het Duits. In België werd Vlaams haast een synoniem voor collaboratie. Gebruikte men Russisch en Oekraïens broederlijk naast elkaar, de oorlog maakt voor de talen het verschil. In het bloed van een totale oorlog groeit een afkeer of verklaart men het land te zullen reinigen van onzuivere door decadente buitenlanders beïnvloede elementen.

Na de imitatie door kinderen is de vraag welke woorden en vormen volwassenen als oorlogstaal gebruiken. Regisseur Mstyslav Chernov zegt in het begin van zijn documentaire over het beleg van Mariupol dat een oorlog niet begint met explosies maar met stilte. De angst, het ongeloof, de radeloosheid, de sprakeloosheid. Er zijn geen woorden.

Wanneer een oorlog losbarst slaat die onmacht meermaals toe. De kans is groot dat je die agressie niet voor mogelijk hield en je verandert er bovendien niets aan. Het maakt je sprakeloos. Waar vind je een taal om ervaring en emoties te verwoorden?

Gedichten blijken dan een magische aantrekkingskracht te bezitten en een uitweg te bieden. Sinds de totale oorlog vanaf 24 februari 2022 zijn de beide partijen massaal aan het schrijven. In Oekraïne verzamelde men in die eerste maanden tienduizenden gedichten. Het is de eenvoudigste vorm van expressie en communicatie. Er is niet louter de drang om zelf te schrijven. Poëzievoordrachten zijn zeer populair. Van voorleessessies in schuilkelders tot Serhiy Zjadan die zijn werk zowel aan het front als op festivals brengt. In oorlogstijden smeden gedichten banden.

Proza ontstaat zelden tijdens een oorlog. Na de vele oorlogsdichters uit de Eerste Wereldoorlog, die vaak in het heet van de strijd dichtten, was het op het meeste proza flink wat jaren wachten. Dagboeken volgen dan weer dadelijk in het spoor van de dichters. Andrey Koerkov, Victoria Amelina en opnieuw Zjadan schrijven mee. Die laatste ontving in 2022 voor zijn werk Die Himmel über Charkiv in Frankfurt de Vredesprijs van de Duitse boekhandels. Oleksandr Mykhed meldde zich na 5 dagen bij het Oekraiense leger en stelde vast dat fictie schrijven niet langer kon. Zijn schrijvend zoeken had twee jaar nodig om tot The Language of War te komen. Geen echt proza, eerder zoekende non-fictie.

Niet zo bekend is dat het in Rusland niet anders is. De directe nood om emoties een kanaal te bieden is dezelfde. Aleksander Poesjkin deed in de negentiende eeuw niet anders. In 1940 dichtte Anna Achmatova over de stalinistische terreur. In Sint-Petersburg verscheen in 2022 een bundel van 500 pagina’s met gedichten van meer dan 100 auteurs over de eerste zes maanden van de oorlog. Voor hen was het een oorlog: “Poëzie van de laatste tijden”. Dat werd in 2023 weliswaar rechtgezet met een officiële tegenhanger vol patriottische gedichten: “Opgestaan door de derde wereldoorlog. Anthologie van oorlogspoëzie 2014-2022”. Daardoor stopte de protesterende stem niet. Internet en sociale media zijn erg ontvankelijk voor poëzie.

Tsaar Nicolas I verbood al lastige gedichten. Vandaag heet het ‘vervalsing van de waarheid’ of kortweg landverraad. Dat belet Evguenia Berkovitch niet om, na 9 maanden voorhechtenis, zich op haar proces tegen de aanklacht van ‘terroristische propaganda’ te verdedigen in 18 kwatrijnen. De rechter kon de verzen niet smaken: zes jaar cel. Elders werd de microfoon van Ilia Iachine tijdens zijn verdediging in verzen door de rechter uitgeschakeld. 8.5 jaar was het resultaat. Is het een troost dat Ossip Mandelstam al zei: “Nergens anders dan in Rusland wordt Poëzie zo gerespecteerd. Slechts in Rusland kan je je voor een gedicht laten terechtstellen.”

Is dichten inderdaad voor velen de eerste expressie, haast een stamelen om de surreële realiteit te vatten, al dan niet door de overheden geapprecieerd? Dichters nemen naast een pen net als landgenoten uit alle lagen van de maatschappij de wapens op om hun vrijheid, hun cultuur, hun taal mee te verdedigen. Zij schrijven verder, op de achterzijde van een pakje sigaretten, blijven vervolgens zoals Borys Humenjoek hun werk de wereld insturen. Tot ze zwijgen of spoorloos verdwijnen. Een leger aan kunstenaars is zo begraven.

Blijft de vraag: wat doet oorlog met je taal? Wat kan een taal voor je doen? Dagboekachtig onderzoekt Oleksandr Mykhed zo zijn nieuwe levenssituatie. Ik bezit niet de woorden om adequaat te antwoorden, stelt hij. Je identiteit en je taal verandert. Diegenen die in het leger gediend hebben zullen in het circus anders, of niet, lachen. Onmogelijk wordt het door de klassieke insider-outsider problematiek om helder te communiceren. Woorden keren terug naar de basis, als naar de wortels van het Oude Testament, zegt de vrijzinnige Mykhed. Je vecht tegen de noodzaak om over je vrienden, familie en wapenbroeders in de verleden tijd en in termen van afscheid te schrijven.

Artem Chapeye vraagt zich in dezelfde situatie af hoe je moet schrijven in een wereld waar vogelgezang en de kreten van gemartelden gelijktijdig bestaan.

Zijn er inderdaad nauwelijks woorden te vinden? Is er geen taal beschikbaar? Keren we allen uit een oorlog met de veroordeling levenslang te moeten zoeken? Of zullen hier en daar verzen toch er in slagen vrede in ons te brengen? 


© Jef Boden