Posts tonen met het label Sacha Blé. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Sacha Blé. Alle posts tonen

maandag 23 februari 2026

Eilandheid - Sacha Blé

Eilandheid - Op Menorca
in memoriam Cees Nooteboom (1933-2026)

(i)

Bijna leef ik zoals ik zou,
dus zoals u.

Mijn dagen een licht bad, mijn zicht
zeewarm,

de studio krijtwit, eistil, Arabisch dik,
de patio bleu majorelle, mijn dagelijkse taal

eenzelfde borstel nu
van uw gebergte, cactussen, palm.

Hoeveel omwegen, hoeveel sinaas
bergt deze eilandheid,

nu deze februari nobel
over u zwijgt -


(ii)

Het sneeuwt hier dik wanneer ik lees
dat u daar gisteren bent overleden,

het sneeuwt hier traag uw rustige sneeuw,
in mijn bochten, op mijn omwegen.

Il neige, il neige sur Liège.
Hoogvlakte, monnikoog, hoveling,

kereltje op het balkon toen in Den Haag
de wereldoorlog al opnieuw begon,

de berg stilte
die u niettemin gauw vond,

is droef op weg nu, zonder schrift,
zonder haar god -

© Sacha Blé

Sacha Blé op DSvD





zondag 14 maart 2021

Een lange weg naar herstemming

Recensie van Alain Delmotte over 'Langzame zon' van Sacha Blé

In het mooie en onderschatte prozagedeelte van de bundel ‘Zie maar’ (onder de titel ‘Van alles het essentiële. Aan Gust De Smet (1877-1943)’) van Sacha Blé uit 2010 lezen we een
Langzame zon van Sacha Blé

lange brief van de dichter gericht tot de schilder Gust De Smet. Deze in drie delen uitvallende tekst is - bij mijn weten - de enige tekst waarin we het schrijfkabinet van Blé mogen inkijken en waarin we wat te weten komen over wat hem tot het schrijven van poëzie aanzet, over zijn ‘leidmotieven’, zijn stilistische methodiek, zijn leef- en werkwijze, zijn plaats in de wereld, in de tijd.

We lezen er volgende verhelderende passus: ‘Om aan vrienden en familie uit te leggen wat me met mijn gedichten voorstaat, verwijs ik altijd naar twee passages uit de brief van (d.w.z. Gust -De Smet) van het begin van de jaren twintig aan een toenmalige buitenlandse bewonderaar en mecenas. Het eerste brieffragment gaat als volgt: ”Wat mijn werk in het algemeen aangaat, is mijn betrachten om alles zo sterk mogelijk uit te drukken, niet een stukje natuur nabootsen, maar ieder schilderij bijna een synthese te geven. Daarvoor is dus in de eerste plaats nodig een sterke opbouw te bekomen, simpel en constructief, geen kleine details, van alles het essentiële over te houden. Op die manier krijgt het werk veel meer diepte en kracht dan van gelijk welke andere richting. De tweede alinea die ik altijd citeer is de volgende. “Ik arbeidde door met den wensch mij stap voor stap te ontdoen van alle cliché’s en van alle goedkoope kunstgrepen. Voortaan wil ik mij inspannen het innerlijk leven te vertolken, met den groots mogelijken eenvoud”’.

In dit citaat herkennen we veel van hoe de poëzie van Sacha Blé zich formeel heeft ontwikkeld: weg van alle fiorituren, arabesken, grootspraak, mom. Poëzie is schrappend schrijven (‘dat schrijven gelijk staat aan schrappen’, zoals hij dat in diezelfde brief noteert), een zwijgend spreken waarbij enkel ruimte wordt gegeven aan de kern van wat uitgedrukt moet worden en van wat zich wil laten uitdrukken. De kern van het innerlijk leven. Dat schrappen is eigenlijk al vanaf zijn eerste bundel aan de gang. Breedvoerigheid en (retorische) pose is deze dichter altijd vreemd gebleven.

Wat in zijn nieuwste bundel ‘Langzame zon’ verrast is de onomwonden compactheid waarmee dit thans gebeurt. De syntaxis wordt waar het kan of moet afgeschud. Eénwoordzinnen en neologismen dringen zich dan op. We vinden nog andere elementen terug: de ellips, de reductie, de verticaliteit, grammaticale kortsluitingen, het wit. Uiteindelijk betreft dit middelen die we uit het minimalisme kennen. (De talrijke neologismen deden me trouwens vluchtig aan de poëzie van August Stramm denken.)

Die opduikende stilistische middelen (samen met de soms aanwezige repetitio en anafoor-reeksen) wekken een veel stevigere en heftigere ritmiek op dan dat we van Blé gewoon zijn. Het geheel krijgt hiermee een bijzonder dwingend, bezwerend en expressief karakter. In veel van zijn vorige bundels viel een soort bij het parlando aanleunend en deinend gefluister op. In deze bundel is dat minder het geval. Er wordt niet gemijmerd: er wordt uitgesproken! Wat resulteert in bijvoorbeeld het volgende gedicht:

Ik, toen: pruim, peer,
dode tak.

Ik, toen: sleedoorn, duinhoorn
meidoorn, braam.

Ik, toen: bok, kraai,
teek, darm.

Ik, toen: zonder
schietlood.

Enige context bij dit gedicht. Het is het tweede gedicht uit een drieluik met de titel ‘Droge zon’, dat op zijn beurt deel uitmaakt van de eerste cyclus van de bundel ‘Lange weg – zelfportretten’. De syntaxis lijkt in dit gedicht (omwille van een al te ‘droge zon’?) verdampt, weggebrand, uitgezuiverd, vrij van schijn. Blijven slechts skeletachtige residuen over: een ik, een toen, elementen van herinneringen aan een aardse, vruchtbare omgeving, herinneringen in ‘ongerepte staat’, zonder schietlood. Een gedicht dat past bij de vraagstelling die in het eerste gedicht van de reeks te lezen staat:

(…) Vergeetboot:

Waar was ik, waarom was ik
De voorbije dertig jaar,

Waar mijn zomerziel, mijn zonnepraten,
Mijn schokschouderen, en schapenvacht?

Verzen die sterk in contrast staan met het schrale van het eerst geciteerde gedicht. Hoe reductionistisch ze ook voorkomen: het gaat niet ten koste van het lyrische opvliegen. In positieve of negatieve zin (in rijzende extase of in vrije val) blijft beroering in de buurt.

Ik stel nu niet dat deze bundel een taalgerichte bundel is, al valt die wel in zijn radicaliteit op. Maar het typeert het proces waaraan Blé onderhevig blijkt te zijn. Een minimalist – zoals die zich liet onderkennen in de jaren zestig en zeventig van de voorbije eeuw – is hij niet, wordt hij nooit. Hij streeft niet die absolute taalautonomie na: het menselijke laat hij niet los. De esthetische ervaring blijft aan een ethische ervaring gekoppeld. Een soort van engagement is hem eigen. En al zeg ik dat met de nodige nuance: poëzie impliceert voor hem een introspectieve zoektocht, ‘een lange weg’ naar ‘herstemming’, naar een ik zonder ‘ik’.

Hoezeer reik ik naar een nu
Dat me in mijn diepte

herstemt, een niet-ik
Dat me open laat en gretig verkent.

Zo klinkt het in een gedicht dat is opgedragen aan de jonge boeddhist Giel Foubert die op zestienjarige leeftijd naar een boeddhistisch klooster in Indië trok om er monnik te worden. Iets wat m.i. met te veel tromgeroffel in de media kwam. Maar goed: het moet de dichter toch sterk hebben aangesproken aangezien, zoals hij schrijft in het gedicht ‘Blokhut’, hijzelf op kluizenaarsleefijd is gekomen:

Doel nummer één nu voor mij:
rijstebrij of te wijken
van mezelf tussen de zonen
aan de zijde van Iele vrouw Wijs
Op weekdagen tussen tien en drie,
Ben ik wèl helemaal van mezelf.
Als dat mag volstaan. Als karma of leer.

Waaruit ik concludeer dat die blokhut tussen tien en drie wellicht zijn schrijfkabinet zal zijn. Poëzie, niet als ‘rijstebrij’ maar als spirituele evenwichtsoefening: dat bedoelde ik met ‘ethisch’. Maar we lezen uit deze verzen nog iets af. Dat deze poëzie, deze potentiële spiritualiteit niet wereldvreemd is: Blé implementeert zijn gedichten (en dat was al zo in zijn debuut) in zijn particulier levenskader waarbij elke te expliciete anecdotiek of belijdenis wordt geweerd. Waarmee ik niet wil zeggen dat het anecdotische of belijdende niet aanwezig zou zijn: ze sluimeren in de schaduw van deze teksten. Het particuliere hoort bij het ‘zijn’, bij wat verwoord moet worden. Wat in deze context geschrapt wordt, verbreedt het particuliere, lengt het particuliere met ruimere interpretatievelden uit.

Deze poëzie brengt met grote gevoeligheid de nabije omgeving van de dichter in woord en in beeld. Het is niet zomaar wat decorum: het is net dat wat de dichter bevraagt, het is in dit gegeven dat de dichter naar een essentie peilt.

In veel van zijn bundels wordt gecelebreerd en gememoreerd. Af en toe gebeurt dit tegelijkertijd. Ook nu weer. Bijvoorbeeld in de in memoriam gedichten voor zijn vrienden ‘Thomas’ en ‘Hugo’: ze worden aanroepen alsof de dichter ze weigert los te laten – in zijn herinnering blijvend gestut moeten worden. Die gedichten hebben een bijna incanterend karakter. Het leven, de hartslag worden gecelebreerd. Onder meer in het gedicht ‘Beman mij, hart’:

Klis mij, Koekoeksjong,
Maartse zon,

ding naar mij oneindig,
Kleilaag, Braambos.

Verklik mij, Tenor
Levinas,

rook mij uit, damp mij in,
Vrije Uitloop Stal.

Giet mij uit,
Modderbad,

ding naar mij, oneindig,
beman mij, Hart -

In de tweede cyclus ‘Hotel du Soleil’ (waarin we beklijvende gedichten lezen - het hoogtepunt uit de bundel) wordt een ‘moeilijke gestorvene’ herdacht:

Pronte schoon ma
Zwemles- en choco-oma
balorige raaf:
bezink in mij –

Het verhaal van een rouwverwerking, ja, maar ook het verhaal van een dure, duurzame en voortdurende zoektocht naar licht – nog een constante in Blé’s werk. De zon verschijnt alom en in verschillende vormen in deze bundel: ze is mal, traag, droog… Ze kraait. Ze is een vlecht, een paard, een spiegel, een tafel… Kortom iets waaraan het ons niet mag ontbreken, iets dat niet in gebreke mag blijven?

Een recensent omschreef onlangs de poëzie van Blé als hermetisch. Dat doen recensenten wel vaker als ze niet meteen zicht en greep op een poëtisch geschrift krijgen. De poëzie van Blé is in geen geval ‘hermetisch’ in de betekenis van ‘gewild duister’. Blé richt zich niet tot een kaste van ‘ingewijden’. Hij tendeert naar de groots mogelijk eenvoud – zoals dat het geval is in het geciteerde gedicht uit ’Droge zon’. Eenvoud: ja, als dat tenminste niet ten koste gaat van de gelaagdheid die poëzie nu eenmaal kenmerkt.

Ik citeer opnieuw uit zijn brief naar Gust De Smet: ‘ik wil een overtuigend evenwicht zien tussen verstilling en bewogenheid, tussen aangeboren eenvoud en onvermijdelijke gecompliceerheid’. Aangeboren eenvoud en onvermijdelijke gecompliceerdheid: wat een rake omschrijving voor waar het de poëzie om te doen is.

Het is waar: poëzie geeft zich niet zomaar prijs. Gedichten zijn geen journalistieke stukjes of snelle happen. Zoals ik al meerdere keren schreef: een gedicht lees je niet, maar herlees je. En je herleest zolang totdat je het gevoel hebt dat je met dichter het gedicht mee aan het schrijven, mee aan het beleven bent. Met het versluierde en het verzwegene die gedichten nu eenmaal eigen zijn.

De recensent ergerde zich ook aan de aantekeningen die zich achteraan het boek bevinden. Ik citeer: ‘Te veel moet de lezer aan het werk met gedichten die uit een stapeling van begrippen bestaan. Dat levert een persoonlijke ontdekkingstocht voor de lezer op, maar het dwingt hem ook voortdurend te bladeren naar de ‘Aantekeningen’ om allerlei zaken op te zoeken.’

Het bladeren naar die aantekeningen is misschien vervelend bij een eerste lezing. Bij meerdere lezingen is dat niet meer nodig. Trouwens die aantekeningen zijn puur informatief en hebben geenzins de bedoeling om de gedichten te ontsluiten.

Twee voorbeelden: als in een gedicht het woord ‘Pali’ valt en je leest dat dit de taal is van het oudste boedhisme – dan assimileer je dat toch meteen? En dat ‘Hugo’ uit het gelijknamige gedicht iemand was die in een blibliotheek heeft gewerkt, is interessant om te weten maar eigenlijk kon je het zo uit het gedicht aflezen. Hoe gereduceerd deze gedichten lijken, ze bieden veel te lezen aan interpretatieruimtes. Handvaten bieden de juxtaposities van de vier citaten die in het eerste gedicht worden aangeboden (en op de achterflap van de bundel is terug te vinden). Wie ze goed leest, kan ze bij de lectuur mee laten resoneren. Het eerste citaat is van Adorno (‘Juist leven is onmogelijk/in een valse wereld’) komt in het laatste gedeelte van het laatste gedicht terug (juist leven is onmogelijk,/ ja Adorno) wat de bundel een afgeronde structuur geeft.

Je vraagt je bij de lectuur van deze gedichten af: zou het leven nu echt onmogelijk zijn? En als lezer denk je: is het nu net niet de uitdaging van deze poëzie om via de omweg van de taal het leven weer voor mogelijk durven te houden? Poëzie die zich verweert en een eigen ‘lange (om)weg’ gaat. Ik wens dat deze bundel van Sacha Blé hem nieuwe lezers oplevert. 


© Alain Delmotte


 ‘Langzame zon’, Sacha Blé, Stichting De kaneelfabriek, 2020, 46 blz, €16,75, ISBN9789083099521

Stichting De kaneelfabriek
Sacha Blé bij Digther
Meander-recensie 'Langzame zon'



dinsdag 24 december 2019

Langzame wolk - Sacha Blé

nenia voor Tomas Vanhoutte 
(16.11.1969-9.12.2019)



Langzame Wolk, Cervantes, Baard,
Plooifiets-God, Houten Klaas,
Tentendichter, Blonde Vaan:
wals dan nu, wals met ons –

Berk, Buizerd, Mast, Beek,
Schildersoog, Vel Over Been,
Aardpeer, Schietlood, Trommelaar:
wals dan nu, wals met ons –

Kroontjespen, Nachtwacht, Apollo’s
Maat, Zielenroersel, Twijfelrots, Denk-
vulkaan, Spoorzoeker, Ongelovige
Thomas, Beminde: wals nog lang, lang met ons –


© Sacha Blé

17.12.2019


dinsdag 1 januari 2019

Zelfportret - Sacha Blé

Zelfportret.

Met Boeddhistische Novice Giel Foubert (°1988)


Ik mis u, hier, uw
ranke hoofd, uw

hoge lenden, naaktheid,
uw lange weg.

Sinds ik u ken, uit de krant,
weet ik meer zeker

dat ik hier niet ben,
niet in dit leven, niet

in een vorig, niet
in een distel, een suikerklont,

een bladblazer, steriel appartement.
Hoezeer reik ik

naar een nu
dat me in mijn diepte herstemt,

een niet-ik dat me open laat
en gretig verkent.

Iets in me zegt, onophoudelijk,
dat ik zoals u was, als ventje van zes,

geweldig braaf kliederend
in de maartse zon

met Oost-Indische verf,
op roze vloeipapier

met paardenbloemen doorvlochten,
toen ik nog bloot ging dus,

ten volle zeker
van mijn ouders en mezelf –


© Sacha Blé


Notitie van Sacha Blé bij dit gedicht : “Met het einde van het jaar in zicht schreef ik dit gedicht. Omdat het 5 jaar geleden is dat Oost-Vlaming Giel Foubert op 15-jarige leeftijd naar India vertrok, toen met de nodige commotie tot gevolg.”


maandag 31 december 2018

Geitjes in Imlil - Sacha Blé

Als dus de muilezels in de middag
tussen het water in de vallei staan,
hun bonte rugdoek nog op,
gebonden op enkele meters van elkaar,
dan staren ze naar wat is

tussen de grond en hun baal,
wat zij zien zien wij niet
terwijl in hun rug frivool de geitjes
vallen naar elkaar, waarom groeten
in Imlil de ezels de stoeiende geitjes niet?


© Sacha Blé


Noot:
Op maandag 17/12/2018 werden nabij het Marokkaanse bergdorpje Imlil de brutaal, gruwelijk vermoorde lichamen teruggevonden van de 24-jarige Deense rugzaktoeriste Louisa Vesterager Jespersen en de 28-jarige Noorse Maren Ueland.

Dichter Sacha Blé debuteerde in 2003 bij Uitgeverij Lannoo met de bundel 'Afwezigheid'. Eén van de eerste gedichten van die bundel is bovenstaand gedicht 'Geitjes in Imlil', waarin Sacha Blé de ongrijpbare sfeer in Imlil te pakken probeerde te krijgen. Een gedicht dat nu, vijftien jaar later, gelezen kan worden als een in memoriam!


zondag 30 december 2018

Je gezicht - Sacha Blé

Je gezicht –
ik beschrijf het met de wereld

die ik ken: de ree
Vasalis, berin Yourcenar,

de fee Szymborska,
Van Hee de volle maan.

Je had niets met poëzie.
Liever iets nuchters én sentimenteels,

de après-ski in La Bresse,
het Nieuwjaarsconcert uit Wenen,

de vogels op de oude kustlijn,
Knokke, de Champagnestreek in maartse zon.

Helder
had je het alles, als kippenstront.

Tot je dood ging.
Vroeger, merkelijk, dan de zon.


© Sacha Blé


dinsdag 6 december 2016

Ilse dus - Sacha Blé

bij Het verkoolde alfabet - Paul de Wispelaere, dagboek (1992)


Dit jaarboek is
traag, is genoeg, is een gedicht,
zo weinig bleef achter
tussen de slapen van zijn schrijver.
Een andere professor morrelt in de krant
in amper vijfhonderd woorden :
te weinig enerzijds, te weinig
anderzijds, een trip
die te particulier is,
want te geprivilegieerd, dus te vlak.

Verspilde moeite. Uw zelfportret
is mij dadels, is mij
bloed en ingewanden,
het danst koppig op dat slappe koord
dat het ik opspant.
Ook ik kreeg gewoon les
van uw Beatrice
die dus Ilse heet:
ze kende me
een onderscheiding toe, voorzichtig,
op het mondelinge examen –


© Sacha Blé, 2016.



Dit gedicht verscheen dit voorjaar in een lichtjes afwijkende versie in de nieuwe bundel van Sacha Blé “Appel met kind”. Uit deze bundel publiceerde de Schaal van Digther eerder ook drie gedichten en een recensie van Alain Delmotte. Sacha Blé herdenkt en erkent de pas overleden Paul de Wispelaere als een van zijn leermeesters; een van de weinige Nederlandstalige auteurs ook die hij herleest.


zaterdag 19 november 2016

Zitbank - Sacha Blé

Hugo De Troyer - Foto S.Blé




















Nenia voor Hugo De Troyer (1964-2016)


Boek me dan, Boekenman,
Broze Viking, Indiaan Bach

drijf me, wijs
me de muur eeuwigheid,

kniel naast mij,
Verlichte, Rode Wijn –

Breng me het brons,
het graniet, de paardenkracht,

Berg van Koffie, Jij,
Bariton, Zitbank –



© Sacha Blé,

16.11.2016.


zaterdag 7 mei 2016

Een lucide en melancholische optimist

Over ‘Appel en kind’ van Sacha Blé.

‘Het beeld was helder, zelfs woorden onnodig,
met het kind was hier de devotie,

de dankbaarheid aangekomen – (...)’

De voorflap van de nieuwe bundel van Sacha Blé ‘Appel met kind’ is bijzonder opvallend en zelfs in zekere zin spectaculair want hij eist meteen alle aandacht op.
Het is een foto van de gewaardeerde fotografe Lieve Blancquaert. We zien een flink ingebakerde baby op een witte achtergrond (een strakgespannen laken?). Je krijgt de indruk dat het kind ergens tegen aanhangt, maar het ligt. De kracht zit in de scherpe helderheid van de foto: vele details laten zich zien. Een grote dosis aan rode schakeringen (van zeer licht roze tot ‘appelrood’) zijn zichtbaar. Het gezicht van de baby ontroert, ontwapent. En voor wie er gevoelig voor is: bij zoveel kwetsbaarheid roept de baby ons op tot devotie en dankbaarheid.

Appel met kind. Rood met kind. Een appel van een kind. Iemands oogappel. De appels van Cézanne.

In zijn geheel, dankzij die subtiele rode variaties, de moeilijk te situeren achtergrond, het perspectief van de fotografe, is het een beeld waarin vele verhalen liggen ‘ingebakerd’.

Vertelt die foto nu iets over de bundel, iets over de poëzie van Blé? Mij lijkt de foto kleurrijk te getuigen van een onvoorwaardelijk geloof in levenskracht: het kind belooft iets. Een thema dat zich binnen het geheel van de bundel laat aanvoelen: het vadermotief duikt in verschillende gedichten en cycli op. Die vader neemt soms verschillende gedaantes aan: van Vader tot vader. Maar het beeld van een betrokken, geëmancipeerde vader prevaleert. Dat aspect zorgt voor een onderhuidse ethische lijn in de bundel, zonder moraliserend te worden.

‘Geen groot lijden’ valt af te lezen in deze poëzie, enkel verinnerlijkte uitzichten, ‘alleen rivierland’. Zwarte zon wordt geen kans gegeven. Of net niet. Blé blijft helder schrijven, heeft nood aan helderheid. Weliswaar in het besef dat tijd genadeloos aftelt en gaandeweg die helderheid doet ineenkrimpen.

Zinspelend op de door Blé bewonderde Kouwenaar (op een paar uitzonderingen na neemt Blé van Kouwenaar de kenmerkende gedachtestreep op het einde van het gedicht over) noteert hij :

‘Zo wou ik schrijven helder
maar grijzer’

Doet het enjambement hier de klok niet hoorbaar tikken?

Sentiment, ja, daar maakt Blé tijd en ruimte voor in zijn gedichten: hij wenst het niet te ontwijken. Op een kabbelende manier, als een vorm van dialoog met de lezer. Dit wil zeggen: zonder gezwollenheid of krampachtige pathos. Zonder daarbij per se een slachtofferrol aan te nemen. Hij ontmoet gewoon de lezer en legt hem niets op.

We hebben hier te maken met een dichter die kiest voor het weinige, het mindere, het niets van de banaliteit (dat minder niets is dan het lijkt). Het is zoals hij schrijft in het gedicht ‘Minder’ bij Leonard Nolens’ grote verzamelbundel ‘Manieren van leven‘:

Ik leef, Leon, minder, zoveel is zeker.
Minder dwingend, minder gesinterd,
minder door uw bioritme gehinderd.

Het voelt beter, jawel. In mijn nieren,
achter mijn huig en op mijn longen
weet ik nochtans die brandnetels van u

en de wormen. Love me or die,
want zo is mijn leven, ik verdoe ganse zomers
achter ons huis, in de beek, met de zonen.

Brandnetels en wormen. Een lucide, melancholisch (in de plaats van een idealistisch of zelfs extatisch) optimisme typeert deze ingetogen ‘doctor in de sentimentaliteit’ (zoals hij zichzelf omschrijft in het gedicht ‘Zelfverdediging‘). In de laatste strofe van ‘Minder’ wordt meer dan een of ander vakantietafereel geëvoceerd: ik lees er een levensingesteldheid in, een doelbewuste, zeer doordachte existentiële keuze. Wat het werkwoord ‘sinteren’ betreft (dat ik hier voor het eerst las) verwijs ik naar Wikipedia.

Banaliteit is rijker dan we kijken. Het licht doet het ons opmerken. Licht doet ons spitsvondig oog voor het banale krijgen. De dichter grijpt erin met zijn vocabularium (met hier en daar een licht en sympathiek Oost-Vlaams tintje): het banale geeft hij een naam, houdt hij op die manier wonderbaarlijk. In die zin interpreteer ik het epitaaf van Publius Terentius Afer dat voorin de bundel staat: ‘Als twee mensen hetzelfde doen, doen ze niet hetzelfde’. Met andere woorden er zit variatie, verwondering in het meest banale dat we doen: er is meer dan enkel gelijkenis, routine, bedruktheid, verdwazing.

Wat mij van de poëzie van Blé doet houden is nu net die aanwezigheid van het licht. In mijn lectuur ervaar ik dit licht als aards, minder als spiritueel (maar ik sluit het niet uit). Deze dichter biedt ons een schaal vol aardse vruchten aan. Des nourritures terrestres. In letterlijke zin vallen woorden van vruchten: appels, perziken, dadels, vijgen, krieken... In symbolische zin: de gedichten thematiseren aardse en (klein)menselijke gelegenheden.

Voorjaarslicht, zomers licht, nazomers licht. Zuiders licht straalde in eerdere bundels. Waar ligt dat Zuiden? Waar moeten we het zoeken? Veel meer dan waar het is, is het Zuiden waar je het wilt: vlakbij de deur en zij het extreem vluchtig – Blé staat klaar op het op te vangen: om er taal van te maken, er kleur aan te geven. Kleuren worden vaak in zijn gedichten genoemd, benoemd. Een greep: hardblauw, zee-wit, melkwit, wolk groen, blauwroze, perzikblauw, meloenroze. Blé had een fruithandelaar of een kunstschilder kunnen zijn, maar hij is een dichter.

De bundel telt drie cycli. De eerste cyclus ‘Nacht en dag’ draagt als ondertitel ‘oden’. Is dit echt het passende woord? Een ‘ode’ houdt altijd iets onvoorwaardelijks in zich. Vooral je als het ‘mindere’ wilt vooropstellen. Van blinde verering geeft de dichter nergens blijk. Neem nu dat hierboven geciteerde gedicht naar aanleiding van Nolens. Ik meen er een weerklank in te herkennen van een van de ‘In memoriam’ gedichten die Nolens schreef bij het overlijden van Herman De Coninck.

Leer het me, Herman, ik ben nog zo klein.
Leer me daar vallen, en zonder te huilen,
dwars door de stoep van een wildvreemde stad.

Ik kan het uiteraard verkeerd voor hebben. Het doet er overigens niet echt toe. Wat ik
wil zeggen is dat Blé veeleer in een milde en licht kritische dialoog met de door hem bewonderde kunstenaars wil gaan dan wel hen absoluut beaat adoreren. Het zijn onderschriften, benaderingen, bevragingen bij het werk van sommige auteurs en kunstenaars. In ieder geval staan er in deze cyclus zeer mooie gedichten te lezen. Zo onder meer het gedicht ‘Force’ bij het schilderij ‘Portret van Mevrouw Claus met bruidskleed’ van Emiel Claus. Ik citeerde hierboven al de laatste regel: ‘geen spoor van een groot lijden, alleen rivierland’. Ik ken dit schilderij niet. Het gedicht kan dus perfect zonder het schilderwerk gelezen worden. Er gaat van dit gedicht een ‘geweldig zachte kracht’ uit. Je hoeft dus niet altijd alles te weten over de hier opgeroepen kunstenaars om aan deze gedichten betekenis te verlenen. Ze creëren een breed interpretatieveld dat je als lezer zelf kunt gaan invullen, bijvullen.

Hetzelfde mogelijke interpretatieveld vinden we in de tweede cyclus terug. ‘Vader, wij wachten’. Een reeks gedichten bedoeld als een in memoriam voor de populaire zanger Luc De Vos (de titel van cyclus is ook de titel van een lied van De Vos). Laten we zeggen dat ik mij bij deze gedichten minder thuis voel. Nu moet ik, met het nodige respect, toegeven dat ik niet warm loop voor het soort muziek dat Luc De Vos schreef. Dit heeft niets met vooroordelen te maken eerder met voorkeuren.

In deze gedichten lijkt me het gegeven ‘vader’ en ‘zoon’ centraal te staan en de dubbelzinnige gevoelens die dat impliceert. Het gedicht dat me het meest aansprak was het tweede. De eerste helft van het gedicht stond al te lezen in de intro van mijn recensie. Ik citeer het nu in zijn geheel.

Het beeld was helder, zelfs woorden onnodig,
met het kind was hier de devotie,

de dankbaarheid aangekomen – de toon van de ouders
was wel nog scherp was wel nog hoekig

maar ook dat zou snel doven: zoals moedermelk en
foute hormonen, zoals al dat maar even heel grote –


Dat alles uitdooft ‘zoals al dat maar even heel grote’: is het een vaststelling, een verzoening of een verzaking? Het doet alvast als een soort kantelmoment aan. En dat moment wordt aangegeven door de gedachtestreep in de eerste regel van de tweede strofe. Hierin herken ik iets dat ik ook in het geheel van de bundel meen te onderscheiden.

In de structuur van bundel ervaar ik persoonlijk een soort dialectiek: van de ‘ode’ naar de elegie om uiteindelijk in de laatste beweging uit te dijen in een synthese die ik een gedempte lyriek zou durven noemen.

De laatste cyclus ‘Juni’ is opgedragen aan de ‘zonen’. Het bestaat uit drie delen die elk op hun beurt in cycli uitvallen. Blé nodigt ons uit tot een etymologisch onderzoek naar de naam ‘juni’. Juni verwijst naar de Godin Juno. Een gegeven dat allerlei verbanden gewild of ongewild doet ontstaan. Juno is de godin van het zuivere licht: we weten hoe belangrijk dat licht voor de dichter wel is. Zij is de beschermgodin van de vrouw, het huwelijk en de geboorte. Het kind op de voorflap mag zich gezegend en beschut weten: juni heeft een gezicht en het is van goddelijke oorsprong.

In deze cyclus staan gedichten te lezen die op volle lyrische kracht zijn. Tussendoor verweeft Blé er mythische verwijzingen in. Het lijken alweer gezinstaferelen die we te lezen krijgen maar het zijn levensverhalen waarin zowel het hogere als het alledaagse zich afbeelden. Maar geleidelijk aan gaan die gedichten gedempter klinken. Vooral in de laatste reeks ‘Evergem, mijn voornaam’. Een zoektocht naar identiteit, naar wat is en naar wat is geweest? Naar wat zal komen of uitblijven? Melancholie laat haar contouren zien. Tijd gaat voorbij, tijd maakt krassen, legt wonden bloot. Maar klare taal blijft naar zichzelf zoeken.

Werd het lijden hier dan begraven,
waar de treurwilgen, de familiewapens,

waar de bittere bloemen, waar de onweders
die de lucht in juni zuiveren?

Waar het onbehagen, waar de spijt
om dit plastiek rond de dood,

de dood die geen lieve kinderen kent,
zie dat, een ander spreekwoord -

Het dichterschap van Blé is discreet. Hij schrijft een poëzie die zich ver houdt van het literaire gebeuren. Zoals het hoort. Hem reduceren tot een soort huis-tuin-en-keuken- of middenvelddichter zoals ik bij sommige recensenten las, getuigt van onbegrip. Deze poëzie is er te geraffineerd en te onderhuids voor. Wie verder en dieper leest ontdekt een poëzie die ontroert, die ontwapent.


©Alain Delmotte


Appel met kind – Sacha Blé, uitgeverij Stanza
2016 - ISBN 978-94-90401-28-3, 15 euro.
Verkrijgbaar via de boekhandel en via deze ollauogalanestas-link.


zondag 14 februari 2016

Vakantie - Sacha Blé

        bij Courage! (Ida Gerhardt, brieven, 2005)


Eerder hield ik al van u
om uw gebrek aan verlangen.
Om al bij leven enige dagen
vakantie te nemen,
op die kusten van wat ooit was,
uw bucolische Rome en, ja,
Sparta. Nu bemin ik u

niet in het minst om uw wal
van gedichten: ze zijn mijn bed,
mijn uitkijkpost, mijn zeevruchten.
En omdat u het zo zeker wist
van de falanx goden
die ons wacht, zo zichtbaar,
zo alle dagen in de ether.


© Sacha Blé

Uit de bundel 'Appel met kind' zopas verschenen bij uitgeverij Stanza
en (ondermeer) verkrijgbaar via de boekhandel en via deze ollauogalanestas-link.

Digther publiceert drie gedichten uit de bundel:
- Pekelsonate (vr 12/2/2016)
- Zee-Wit  (za 13/2/2016)
- Vakantie  (zo 14/2/2016)


zaterdag 13 februari 2016

Zee-Wit - Sacha Blé

        bij Kind met een strohoed (Cézanne, olie op doek, 1902)


Middeleeuws vandaag: stuifsneeuw
over het klinkerterras,
een dove volwassen fazant
meermaals botsend tegen het schuifraam
en de metalen tuinbank.

Mijn zee-witte kind,
koortsig schilde ik je de perziken
van meneer Cézanne,
maar het was het ontdane beest dat je deed slikken,
ik herhaal het mezelf graag.



© Sacha Blé

Uit de bundel 'Appel met kind' zopas verschenen bij uitgeverij Stanza
en (ondermeer) verkrijgbaar via de boekhandel en via deze ollauogalanestas-link.

Digther publiceert drie gedichten uit de bundel:
- Pekelsonate (vr 12/2/2016)
- Zee-Wit  (za 13/2/2016)
- Vakantie  (zo 14/2/2016)


vrijdag 12 februari 2016

Pekelsonate - Sacha Blé

        bij Norwegian wood (Haruki Murakami, roman, 1987)


Ik onderken in u zeker
die pekel, dat failliet,

dat ellendige onvermogen
tot enige lichtheid in uw vezels.

Sinds uw zelfgekozen as
beukt een sonate balorig in mij,

van uw spierwitte joggingbroek
met felroze T-shirt,

van uw teenslippers in oker,
van uw perzik-tattoo.

Picknick maar en watertennis
nu in de Lethe,

als dat fraaie jong
van die aalvlugge lijster –


© Sacha Blé

Uit de bundel 'Appel met kind' zopas verschenen bij uitgeverij Stanza
en (ondermeer) verkrijgbaar via de boekhandel en via deze ollauogalanestas-link.

Digther publiceert drie gedichten uit de bundel:
- Pekelsonate (vr 12/2/2016)
- Zee-Wit  (za 13/2/2016)
- Vakantie  (zo 14/2/2016)


Appel met kind - nieuwe bundel van Sacha Blé

Appel met kind
Van Sacha Blé verscheen zopas bij uitgeverij Stanza de bundel ‘Appel met kind’. Blé publiceerde eerder de bundels Afwezigheid (Lannoo-2003), Onder de pijnbomen (Lannoo-2004), Tijdens het ontbijt (BnMuitgevers-2007) en Zie maar (BnM-2010). Vaak wordt bij de poëzie van Blé gewezen op het ongedwongen karakter ervan en op de aanwezigheid van een mooie dosis ongegeneerd engagement.

De Schaal van Digther geniet het voorrecht om met de toestemming van de auteur hier vanaf vandaag drie gedichten uit de bundel te publiceren. Het zijn drie gedichten uit de cyclus “Nacht en dag. Oden”:




- Pekelsonate (vr 12/2/2016)
- Zee-Wit  (za 13/2/2016)
- Vakantie  (zo 14/2/2016)


Later verschijnt in deze Digther-kolommen ook nog een recensie.

'Appel met kind' is (ondermeer) verkrijgbaar via de boekhandel en via deze ollauogalanestas-link.


(P.R.)