Posts tonen met het label Jet Marchau. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Jet Marchau. Alle posts tonen

dinsdag 7 juli 2026

Een roadtrip als Cri du Coeur

Over Zwermkoorts van Kristien Dieltiens.


Op zaterdag 20/6/2026 werd in Beernem, het thuisdorp van Kristien Dieltiens waar ze sinds 1995 woont, Zwermkoorts, voorgesteld. Het boek is uitgegeven door Borgerhoff & Lamberigts, 2026.

 

Zwermkoorts met als ondertitel ‘Een roadtrip met de dood op de hielen’, is geen historische roman, zoals onder meer De stille pijn van Lucca (2005), Papinette(2009) Kelderkind (2012), nu met een nieuwe, algemenere titel ‘Kelderkinderen’,,  Kortgeknipt (2017) of Carlota (2023), maar wel een confronterende, harde psychologische eye-opener. 

 

De titel Zwermkoorts’ is tweeduidig. In de eerste plaats slaat ze op een waanzinnige zwerftrip van moeder Pearl met haar dochter Daisy en zoontje Willow.  Zij ‘zwermen’ vanuit het grensgebied van de  Verenigde Staten langs allerlei stadjes, dorpen en onderkomens, ‘ helemaal door ‘Trump’-land, naar Mexico.

Maar ‘zwermen’, een bijenterm,  slaat ook op het gedrag van de bijen die in het verhaal een belangrijke rol spelen. Je kan ze zien als  metafoor  voor het ‘zwerven of ‘zwermen’  van de moeder en kinderen. 

 

Her  voornaamste thema van ZWERMKOORTS is de  fascinatie voor gevaarlijke moeders die aan het ‘Münchhausen by proxy-syndroom’ lijden en de invloed daarvan op haar kinderen.

Met dit syndroom is Kristien Dieltiens als leraar een paar keer geconfronteerd, en het ligt haar nog  altijd nauw aan en op het hart.  Vanuit haar verontrustende ervaringen geeft ze haar blijvende  betrokkenheid gestalte in een  fictief verhaal.

 

Moeder Pearl, ex-verpleegster, houdt Daisy en Willow bewust kwetsbaar. Ze prent ze in dat ze doodziek zijn en dient hen dagelijks onnodige medicijnen toe.

Zij moeten dankbaar zijn voor deze ‘fantastische moeder’, die met hen en voor hen de dood ontvlucht, op zoek naar de meest geschikte dokter die hen kan helpen.

Zij moeten haar tonen  dat ze van haar houden. Zo gedragen ze zich ook. 

Tegenover de buitenwereld wil ze bewonderd worden als de zeer bezorgde, perfecte moeder.

Kristien Dieltiens laat Daisy aan het woord en leeft zich diep in de kinderen in. Ook in haar eerdere jeugdliteratuur en romans   (106 in totaal  nu al!) toonde  zij  een groot hart voor kwetsbare kinderen.

 

In de roman worden afwisselend witte en grijze bladzijden gebruikt.

De witte bladzijden slaan op het heden.  Daisy, de verteller, overdenkt de acht jaar waarin  ze als kind, na hun laatste stopplaats in Monterrey, Mexico,  gescheiden leefde van haar moeder en broer. Therapeute Cassandra geeft haar de raad om het dikke glas tussen haar heden en verleden te doorbreken. .Dat probeert ze in zeven stappen die Cassandra haar opdraagt.

Ieder stap levert flashbacks op die we lezen in de  grijze bladzijden. Die duidelijke structuur maakt de roman heel toegankelijk. 

 

In versneld  tempo herneemt de volwassen Daisy  de tocht vanuit Amerika  terug naar hun laatste verblijfplaats in Monterrey. Daar erfde ze van de imker Saturnino, voor haar ‘de vader die ik nooit gekend heb’,  een  grote som geld, zijn huis en imkerij. Ook naar haar broer Willow die ze in Monterrey achterliet en die ze mist, wil ze op zoek.

Bij aankomst wordt ze opgevangen door Rodrigo en zijn zoon Jesüs.   Dank zij het gewezen  nauwe contact van Jesüs met de overleden Saturnino én diens logboek  zorgt hij voor de laatste schakel tussen verleden en heden. 

Jesüs is het ook die haar (en Kristien Dieltiens ook ons,  in heel mooie bladzijden!)  laat kennismaken met  het gedrag van de bijenwereld. Hun gedrag heeft het kind Daisy van de dood gered.

En Daisy beseft: ‘De bijen van Saturnino hadden een deur geopend‘ en ‘Alles wat hij (Saturnino in zijn logboek) ) had beschreven, klopte met mijn leven’.

 

De flashbacks in de grijze bladzijden brengen ons naar verschillende personen die Daisy’s leven beïnvloedden.

 

Vooreerst is er moeder Pearl (what’s in a name..), een fysiek aantrekkelijke vrouw. Een narcistische  vrouw ook die verslaafd is aan zichzelf, die zichzelf verheven voelt  boven leraars (ze is bewust thuislerares) en dokters.

 

Behalve het Münchhausen by Proxy syndroom, vertoont Pearl nog  meer psychopatische trekken.

Als borderliner is ze emotioneel instabiel en impulsief,  met terugkerende relatieproblemen. De mannen met wie ze om de haverklap relaties aangaat, dumpt ze meteen wanneer  ze zwanger wordt. Telkens laat ze het kindje verdwijnen. Om mogelijke vragen te vermijden, ‘vlucht’ ze met haar kinderen naar een volgende bestemming.. 

 

Als eerste bant ze  haar moeder Granny uit hun leven.. Granny vermoedt een en ander en protesteert tegen de behandeling van de kinderen. Zij missen haar.

Op verschillende vluchtplaatsen proberen mensen de kinderen te beschermen, mensen waarbij de kinderen zich té goed voelen volgens Pearl en die haar doorzien: Rose, ,een buurvrouw Gladys , Little Liam …Daar loopt het mis wanneer Willow en  Daisy ontdekken wat er gebeurt  en verplicht worden om een baby, die ze liefdevol Big Liam noemen, te begraven. Op hun laatste bestemming gebeurt hetzelfde met de baby van Pearls laatste ‘geliefde’ Renzo. De roadtrip gaat vanaf dan naar een versneld einde toe. .

 

Dat Daisy en  Willow van hun moeder blijven houden,  haar (weliswaar verplicht) dankbaar blijven ‘als mama maar gelukkig blijft’, is aannemelijk lezen we: (…)  een moeder in je hoofd, in je lijf, kan nooit geamputeerd worden.’  

Daisy neemt pas jaren later afstand, wanneer ‘mama’ voor haar ‘Pearl’ wordt .

 

Willow, Daisy’s jongere broer, is volgens moeder Pearl laagbegaafd en plast nog in zijn bed. Dat wordt telkens door een woedende Pearl hardhandig afgestraft.

Laag begaafd is de teruggetrokken Willow niet. Hij verzamelt insecten  in glazen potjes  en  bestudeert ze.  Om zichzelf te beschermen leeft hij in zijn gedachten en praat hij weinig, behalve met een fictief vriendje Bear. Daisy beschermt  hem en waakt over hem, zoals ook hij haar beschermt en redt uit een benarde toestand met hangjongeren.

 

Daisy vertelt Willow over de boeken die ze stiekem uit een plaatselijke bibliotheek ontleent.  Zij fantaseren  er verder over,  blijven eigen verhalen vertellen en bouwen een eigen schatteneiland. Zo  overleven ze hun gedwongen gevangenis.

Ook hierin herkennen we het vaste geloof  en pleidooi van  Kristien Dieltiens voor de kracht van woorden,  boeken en verhalen.

 

Andere personen van grote betekenis voor de kinderen vermeldde ik al eerder: de vaderfiguur Saturnino, Rodrigo en Jesüs die Daisy inleiden in de wereld van de bijen.  Door hem  beseft Daisy tenslotte dat ze leefde zoals de insecten van Willow: ‘achter dik glas, starend naar wat zich aan de andere kant afspeelde.’.

Ze is klaar voor de laatste stap van Cassandra’s 7 opdrachten: en nieuw levensverhaal schrijven.

 

Voor dit levensverhaal ging Kristien Dieltiens ging niet over eén nacht ijs. Drie jaar opzoekingswerk en schrijven gingen aan de publicatie vooraf

Samen met haar Mexicaanse schoondochter en diens zus en zoontje maakte ze  een roadtrip in de Zuidelijke Staten van de VS en Mexico. Zij beschrijft de vele bezochte locaties en haar  indrukken en ervaringen  gedetailleerd,  beeldrijk, zintuigelijk  en vaak heel poëtisch.

 

Daarnaast heeft ze ook oog voor de politiek in Texas en Mexico. Ze portretteert zijdelings de

Trump die ze ziet op billboards en op MAGA- T-shirts en die Daisy  hoort in de gedreven pro-Trump reacties van moeder Pearl.  Daisy laat ze kritisch krantenartikelen lezen waardoor haar een licht opgaat over de Amerikaanse politiek. Haar goudvis noemt Daisy ‘Donald’: ook hij ziet alles achter dik glas.

Kristien Dieltiens liet zich daarnaast door imkers grondig inlichten over de wereld van de  bijen en hun gedrag. Daisy ziet de paralellen met haar leven.  Lange gesprekken met psychiater Dirk Adriaenssens over het psychopatische gedrag van de moeder en het effect op de kinderen leidde tot diepgang van de personages.   

 

Op de voorstelling van Zwermkoorts vertelt Kristien Dieltiens: :

 

Het anonieme van die eindeloze landschappen, het idee dat je er kunt verdwijnen zonder dat iemand het merkt, bleef bij mij hangen”  “Daarnaast las ik veel over bijen. Dichter Maurice Maeterlinck zei ooit dat de mens nog maar vier jaar te leven heeft als de bijen uitsterven“. Zwermkoorts is een begrip uit de bijenwereld en de poëzie, en ik wilde daar graag mee aan de slag.”

 

Hoe heb ik Zwermkoorts beleefd?

 

Zwermkoorts is naar inhoud een a-typische Dieltiensroman. Anders dan de vorige  is hij niet vanuit een historische, maar wel vanuit een  zeer persoonlijke ‘cri du coeur’ geschreven. – Ik las hem met stijgende verwondering, onrust en ongemak.

Hoe zeer heeft Kristien Dieltiens mij in haar eye-opener betrokken! Dat ik, een leek in dit probleem  en dit soort situatie, niet aan de geloofwaardigheid twijfel, daarvoor staan  de diepgang van de personages, het goed gedocumenteerde en  gedetailleerde verhaal garant. Haar vlotte, toegankelijke stijl en zintuigelijke rijke taal  trokken mij iedere bladzijde verder. Het is geen roman om in ‘l’heure bleue’ te lezen, maar mijn ‘verwondering’ eindigde in een grote bewondering.

Ik ben ervan overtuigd en ik hoop dat dit ook voor heel veel lezers zo zal zijn.

 

In boekenvriendschap, Jet


© Jet Marchau
 

Deze recensie verschijnt ook op "Dun lied donkere draad" de blogsite van de VWS:
Dit is de link. 
 

vrijdag 26 juni 2026

Vrouwen van het verlangen

Aantekeningen van Jet Marchau over Erosie van Astrid Haerens


Erosie
(2026) is, na de roman Stadspanters (2017), en na haar bekroonde  poëziebundel Oerhert (2022), de tweede roman van Astrid Haerens (Zwevegem, 1989).

Om maar meteen in huis te vallen: Ik heb de roman twee keer gelezen.

Een eerste keer vol bewondering voor haar poëtische taal, en nieuwsgierig naar het experimenteren met bladspiegels en de  muziek die achter de speciale interventies van de O-o-klank zaten. Waren ze louter als commentaar op haar woorden bedoeld, of kon ik er een melodie uit halen?

En een tweede keer: een beetje uit onvrede. Zat er een definitieve ommekeer in de evolutie in van de hoofdpersoon Helle? En waar dan?

Ik verklaar me nader: de korte inhoud:

Helle en Alma zijn van in hun kindertijd hartsvriendinnen; Helle (de schrijvende ‘ik’) is een introverte, onzekere persoon, die evolueert tot een internationaal succesvolle kunstenaar. Ze is ook een jutter, een verzamelaar van onder andere  stenen, die ze verwerkt in haar schilderijen.

De extraverte Alma omarmt uitbundig het leven, waar ze ook Helle probeert in te betrekken. Zij groeit uit tot een succesvolle fotografe.

De vriendschap tussen de twee is heel hecht, op het randje af van een liefdesrelatie. Ze genieten van hun exclusieve samenzijn, van mekaars lichaam, en Helle, die nooit iemand in de ogen kijkt, laat toe dat Alma haar bekijkt en honderden foto’s van haar maakt.

Ze beloven elkaar dat ze samen hun leven zullen uitbouwen, nooit gaan trouwen, nooit kinderen krijgen, niet worden als hun ouders.

Ze dromen over hoe ze hun toekomstige leven samen. Waar, welk huis, hoe ze de dagen zullen vullen etc.

‘Alma, fluisterde ik, wij zullen altijd vrouwen van het verlangen blijven’. Die typische pubergedachte blijft duren, tot Alma toch plots, na jaren, dan zijn ze al dertigers, hun allesoverheersende contact verbreekt.

Helle begrijpt er niets van: ‘naast onze vriendschap was mijn werk het enige waaraan ik nooit had getwijfeld’.

Ze  valt in een donker gat, probeert zich recht te houden door te experimenteren met nieuwe vrienden en geliefden, door zich volledig op haar kunst te werpen, tot ze opgebrand is volgens de dokter en niets nog zin heeft. Een totale burn-out.

Ze vlucht naar een weinig gekend Duits waddeneiland:

Het niet-weten begon me op te jagen als een dier’.

Daar gaat ze, op het zeggen van de oudere wijze eilandvrouw Hetty, op zoek naar helende barnsteen, ‘ de opgedroogde tranen van de Heliaden..’ ‘Afstand geeft inzicht’ zegt Hetty.

Erosie, ook al zit ‘eros’ erin verborgen, meer nog vind ik in het woord de geleidelijke ‘slijtage’ van de vriendschapsrelatie én de evolutie, de transformatie van Helle. Water, wind en haar gebogen zoektocht naar stenen eroderen haar genadeloze zoektocht naar het ‘waarom?’.

Net zoals de stenen in het motto van Maguerite Yourcenar vooraan, bevindt Helle zich op een kruising van ‘snijdende lijnen’ die in het oneindige verdwijnen, vanuit een knooppunt van krachten die te onvoorspelbaar zijn om te meten en die wij onhandig als geluk, toeval of noodlot bestempelen.

Die onvoorspelbaarheid probeert Helle net te begrijpen.

Dat doet ze in gedachten in fictieve (soms reële) brieven aan Alma.

Ze stalkt haar met emails en telefoontjes, tot Alma laat weten: ‘Ik wou dat ik het beter uit kon leggen, maar ik ben er niet klaar voor. Hier stopt het. Het ga je goed.

Helles verhaal wisselt tussen (chronologische) flashbacks en haar verblijf en zoektochten op het eiland. Heel poëtisch, ook in korte zinnen en  klanken verwoord.

Ik kon me volledig inleven in de hechtheid van de, gedeeltelijk herkenbare, vriendschapsrelatie, maar, bij de tweede lezing merkte ik de hints die de ommekeer voorspelden en groeide het besef: Helle is een verhalenvertelster. Haar herinneringen zijn ingekleurd. Ook Helle beseft dit: ’hoe ouder ik word, hoe minder ik weet wat herinnering, wat verbeelding is’. En: ‘Ik verzin, verzin opnieuw. Ik herhaal. Ik hou vast. Hoe ging het verhaal? Wanneer begon het einde?’

Zo is Erosie ook een roman over een gekleurde vriendschap, waarover ik  nooit eerder zo intens las.

Hoewel, naar het einde toe, merkte ik dat ik sneller en sneller over de (hoewel prachtige) beschrijvingen heen las. ‘Trop’ was’trop’.

En net als ik dacht: dit is het keerpunt, ze komt er, ze krijgt weer zin in het leven en in haar kunstwerken, komt er toch nog een terugval, de twijfel. Dit kan, er blijft altijd een wrang gevoel achter bij een zo heftig verlies,  maar ik haakte af bij teveel uitgespitte herhaling.

Toch blijft ook voor mij EROSIE, een bijzonder intense, poëtisch verwoorde roman over een verterende vriendschap. En voor velen wellicht over hier en daar herkenbare gevoelens. 

In boekenvriendschap, 

© Jet Marchau.

Deze tekst verscheen ook op "Dun lied donkere draad", de Blog van de VWS.

www.AstridHaerens.be


zaterdag 13 december 2025

De hondenwandelaarster (172) - Jet Marchau

172. Het leven na 75

De hondenwandelaarster

‘Je kunt een lievelingskleur hebben of een lievelingslied, maar ook lievelingswoorden bestaan dus’

Die bedenking van puber Vieux-Rose, de verteller in ‘Meisjes van krijt’ van Lara Taveirne, heeft me aan het denken gezet. Heb ik lievelingswoorden? En welke dan?

In bed wiegen ze me in slaap, in de vroege ochtendwandeling met hond Chilla sluit mijn geest aan bij de voorbije avond. Het regent, sneeuwregen, het is herfst en koud.

November, ja, dat kan een lievelingswoord zijn. Naar inhoud sowieso, ik verjaar in deze maand, en ik ben dankbaar dat ik nog kan verjaren. ‘Toen was’t  bietend koet’ zei mijn moeder. 

k hou van de herfst.

Maar ik zoek geen lievelingswoord naar inhoud, ik zoek zoals Vieux-Rose naar klanken, naar ritme, naar zachtheid.

Terwijl hond Chilla aan ieder hoopje bladeren snuffelt, erger ik me  voor een keer niet. Ik volg haar ritme en ik overloop de maanden. De mooie/ trieste inhoud mag mij niet leiden. Enkel het naakte woord dus. Of de maand die als woord het minst naakt blijft.

Januari en februari stranden bij de heldere klanken, de beginmedeklinkers en de agressieve ‘r’, maart, mei, juni, juli zijn te kort om ritme te halen, augustus struikelt over de tweeklank en de twee ‘u’s, de explosieve  ‘k’ in oktober en o’s voorspellen al teveel donkerte.  In september en december vind ik ritme terug, maar ze halen het niet bij de zachte, bijna nasale beginklank en de sobere e-klanken van november. Niet voor mij toch.  

Chilla snuffelt verder, ik sukkel er achteraan. Ik ga het rijtje nog eens af:  welke maand miste ik?

‘April is de wreedste maand’, ‘April is the cruellest month (….)’ de beroemde beginzin van The Waste Land van TS Eliot.  Donkere gedachten worden weer ongewild tot leven gewekt: ‘(…)  mixing memory and desire (…).

 Ja, fluistert Quentin Bell bij de dood van zijn tante Virginia Woolf, einde maart 1941. De antwoorden op het waarom moeten nog komen, in April.

Mijn gedachten dwalen af, naar de zo graag gelezen trilogie van Rindert Krombout over de Bloomsburygroup: Soldaten huilen niet (2010), April is de wreedste maand (2013),  Vertel me wie we waren (2014).  En terwijl Chilla haar beste snuffelmomenten beleeft, drijf ik verder terug naar juni dit jaar. Uitgeweken dochter Eva, een even grote Virginia Woolf- fan als ik zelf, nam ons mee naar de tentoonstelling rond Virginia Woolf en Vanessa Bell in het Deense Nivågård museum. Ik geniet nog altijd dankbaar na.

Maar April dus, ik moet terug naar het woord zelf, niet naar de inhoud. Het lukt me niet echt. Er is ook teveel persoonlijke inhoud.

Ik zoek ter afleiding nog meer lievelingswoorden, Vieux-Rose achterna. Pimpampoentje bijvoorbeeld, keppetje voor mijn kleinkinderen. Oei, die verkleinwoorden..

Het sneeuwt nu hard, ik stuur een gedachtengroet naar boven: het is ‘‘bietend koet’.. Ook Chilla geeft het op.

In het zachte ritme van november vinden we onze weg terug. Zij naar haar warme deken, ik naar een warme kop koffie. En straks, opnieuw naar  ‘Meisjes van krijt’. En ik weet het wel, want ik las vele jaren geleden al Lara Taveirnes De kinderen van Calais (2014), dat nu een nieuw leven kreeg in Meisjes van krijt (2025):  verder dromen zit er niet in, daar leent de zware  tocht, de tocht van vele meisjes van krijt, zich niet toe.

Maar dank je wel Lara, dat Vieux-Rose me toch even mee liet dromen en -denken. In november, in de sneeuw.  

In boekenvriendschap,

© Jet Marchau


Uit: ‘Het leven na zeventig’ – De hondenwandelaarster



donderdag 18 september 2025

Het sneeuwt. (Ook op het warme thuisterras) – Jet Marchau

Recensie 'In het wit' van Roderik Six

'in het wit' is het zesde boek van literair Knackjournalist en bekroond auteur Roderik Six (Ieper 1979). In zijn vorig werk, ‘waarin veel woede zat’, slaat hij nu een menselijker pad in, ‘op zoek naar tederheid’. (RS).

Die tederheid, het resultaat van grote empathie, uitgedrukt in gedetailleerde observaties en, zoals Stefan Hertmans over Volt (2019) schrijft: in ‘loepzuivere stijl’ én taal, greep me bij de keel.

In ‘in het wit’,(zonder hoofdletter in de titel) ontmoeten we twee vrouwen: M en Iris.

In beide verhalen sneeuwt het. Het verhaal van M splitst zich in twee delen die het middenverhaal, van Iris, omsluiten.

-Het verhaal van M is in de verleden tijd geschreven.

Beginzin: het sneeuwde.

‘Sneeuwen, het klinkt als de wind die met vingers van licht de kruin van een kind streelt’

M: Emma, maar afgekort omdat er van een ‘ma’ geen sprake is, is op weg naar haar demente vader in een landelijk rusthuis. En ze is vooral op weg naar een moeilijk gesprek met de arts en een hartverscheurende beslissing.

Via haar gedetailleerde kijk, bedenkingen en commentaren krijgen we een duidelijk beeld van de persoon M.

Tijdens de verre tocht met de bus kijkt zij bijna geobsedeerd door het raam naar de sneeuw en naar hetgeen buiten gebeurt. Het intensieve kijken roept bij haar herinneringen aan andere jaargetijden op, en verwijzingen naar auteurs en persoonlijke gebeurtenissen.

Ook bij het rusthuis zelf blijft geen detail onopgemerkt. Haar innerlijke commentaren zijn vaak cynisch en cassant:

Uit gewoonte helde de bus sissend op zijn kant om rolstoelen en wandelrekjes makkelijker te lossen. Het deed denken aan een vuilniswagen die zijn lading op het stort kiepert, als laatste rustplaats voor het bedorven vlees de oven in gaat.

Het wachten roept in de wachtzaal associaties, irritaties en nog meer bedenkingen op.

Enkel een laptop verried dat ze niet in een roman van Dickens was beland.

Haar verhaal gaat verder in het derde deel, na het verhaal van Iris, haar moeder: die M maar kort kende:

‘haar ( vroeg gestorven) moeder heette Iris maar voor M was dat slechts een naam, even betekenisvol als een straatbord in een bomenwijk…Haar herinneringen waren kopieën, droge lemma’s (…)

-Het verhaal van Iris is geschreven in de tegenwoordige tijd, terwijl het toch eerder dan M’s verhaal plaats vindt. Is dit om de tristesse hier nog voelbaarder te maken?

Beginzin: het sneeuwt.

Iris staart door het keukenraam naar de sneeuw. Buiten speelt haar man met haar kind. Ook hier volgen we haar in gedetailleerde waarnemingen. Maar Iris is moe, het gevoel dat ze nooit echt wakker is, overheerst, terwijl ze wel de’ scherpte van de wereld ‘ voelt.

‘ze vervloekt de erfenis van het moederschap, de ingebakken angst die je niet laat slapen; altijd half oor, speurend(..) altijd paraat, altijd bang (…) wanneer is het ooit genoeg?

Dokter Steels met een luisterend oor, raadt haar een dagboek aan. Ze probeert het, in de donkerte:

‘Misschien is het ook zo met woorden, misschien is het beter om net naast het ding te schrijven, om het ding te omsingelen, liever dan het platweg te benoemen.’

Maar het helpt haar uiteindelijk niet vooruit. Ze leidt ons stap voor stap rond in ‘haar wrakkig oud huis’, vervloekt het, hoewel met tederheid, zoals ze ook haar hele leven vervloekt.

Wanneer de wereld door de sneeuw een pauze, een ‘snipperdag’ heeft ingevoegd, probeert ze nog het beste ervan te maken door pannenkoeken voor man en kind te bakken, maar:

Deze dag. De lengte ervan. Het gewicht. Deze banale gedachten; de ondraaglijke schraalheid van haar bestaan ‘.

Dan gaat ze slapen, terwijl het kind en haar man buiten een iglo bouwen, worstelt ze zich uit haar kleren, legt ze haar verlovingsring op het nachtkastje en glipt ze weg:

‘Ergens barst iets, het huis huivert. Het zwart wordt dieper nu, onaards, en Iris spartelt: dit is te diep.’

Hoe Roderik Six beschrijft hoe ze wegglijdt, hoe hij haar sterven en haar worsteling gevoelvol beschrijft, treft mij diep.

De ring van Iris legt een draadje naar het derde deel, dat weer aansluit bij het eerste verhaal van M, wel opnieuw in de verleden tijd: het sneeuwde.

Haar vader is al een tijdje gestorven en langzaam glipt ook de wereld van M door haar vingers: haar lichaam was een dichtgetimmerd kraakpand waarin de lampen één voor één zouden doven.

Opnieuw treft dit gedetailleerd inleven van Roderik Six: de twijfel, het tig-keren controleren, de gele post its, en misschien wel het ergste: ‘geen schouder om op te huilen’. ‘M kon, niet eens bij zichzelf terecht. Want binnenkort zou haar geest haar ziekte vergeten’.

Het houvast aan haar dierbare auteurs licht heel even op, maar ook dit verdwijnt.

Hoeveel intenser en empathischer kun je dreigende dementie nog beschrijven?

Een ding komt haar nog helder voor de geest: ze moet op zoek, naar de verlovingsring van haar moeder. En weer gaat ze op weg, terwijl ze door het raam van de trein nu de lente ziet ontwaken. Op weg naar haar geboortedorp. Waarom? Ik onthoud je de pointe.

Wellicht kunnen de troosteloosheid van de thema’s of de intense beschrijvingen afschrikken. Ik zelf ben na de laatste bladzijde in de zon op het thuisterras gaan zitten, op zoek naar warmte tegen al die kou. De roman had en heeft me bij de keel gegrepen.

En toch raad ik dit boek aan, vanwege de tedere empathie, de gedetailleerde filmische opmerkzaamheid van Six, de ongelooflijke secure en rijke taal, vanwege het literaire genot.

Dank zij Six’ filmische voorstelling, zal ik ieder vlokje sneeuw nu nog intenser bekijken, zal ik intenser meevoelen met de troosteloosheid van sommige levens.

En neen, in het wit brengt geen boodschap, maar het verhaal kan zeker een gespreksonderwerp voor gevarieerde leesgroepen zijn. En dat maakt de roman dan weer veelzijdig.

In boekenvriendschap, Jet

© Jet Marchau

‘In het wit' bij Uitgeverij Prometheus
Website Roderik Six  

Deze recensie verschijnt ook op de site van de VWS.



vrijdag 23 februari 2024

Dwalen tussen water en wind

Jet Marchau bespreekt 'Bloedzang' van Caro Van Thuyne

‘Dit boek is een groeiend bos en elke boom ben jij’

Beter dan die quote kan ik ‘Bloedzang’ van Caro Van Thuyne niet samenvatten. Hoewel, mijn exemplaar staat vol potloodstrepen en ik verdwaal in al mijn notities…stof genoeg voor vele titels als inleiding.

In mijn boekenkast staan meerdere ‘moederboeken’: Peter Verhelst met ‘Voor het vergeten’, Tom Lanoye met ‘Sprakeloos’, Erwin Mortier met ‘Gestameld liedboek’, Adriaan Van Dis met ‘Ik kom terug’… En straks dus ook ‘Bloedzang’, zodra ik het van mijn leesvenster haal, als uitnodiging voor nieuwsgierige lezers.

De inhoud.
Bloedzang is een autobiografische roman.
 
Na een hersenbloeding is Caro Van Thuynes moeder gedeeltelijk verlamd en is ze haar taal verloren (afasie). Dag na dag zitten haar man, en beurt om beurt haar 4 kinderen aan haar ziekenhuisbed, hopend op enige herkenning of mogelijkheid tot communicatie.

Met Caro, de oudste dochter, volgen we bijna minuut na minuut mee hoe de ziekte evolueert en vooral, hoe Caro daarop reageert en reflecteert.

Die reflecties doorkruisen haar intense pogingen om haar moeder terug te halen, om haar eigen onmacht en verlatingsangst te kaderen. De 426 blz. lange zoektocht naar de juiste woorden om haar bedenkingen, herinneringen, emoties, frustraties in taal te brengen zijn intens, wervelend en overdonderend.

‘Dit boek van mij gaat over zoeken, dwalen tussen water en wind maar blijven zoeken. En in het zoeken zit het vinden.’
 
De zoektocht
Een moederboek van 426 blz., val je dan niet in herhaling?
 
Niet als je zoals Caro Van Thuyne het proces van afscheid telkens vanuit een ander perspectief bekijkt. Enkele voorbeelden:

-Haar pogingen om haar moeder terug te halen, zijn doorspekt met verwijzingen naar werk van bewonderde auteurs, die ze appreciërend ‘zuster’ of ‘tante’ noemt: mijn zuster Kate (Kate Zambreno, The Book of Mutter), haar zuster Anne (Anne Carson,Gender of Sound), haar tante Pinkola , (psychoanalytica en bewaarder van oude verhalen Clarissa Pinkola Estés)- van haar leert ze dat haar m’màtje’ in het ‘tijdperk van de nevelwezens’ is beland- , tante Annie (Annie Dillard) bij wie ze haar geloof in de natuurreligie bevestigd ziet, tante Mary (kunsthistorica Mary Beard), kunstenaar Frida Kahlo die de ‘universele’ moeder schilderde in Mijn geboorte, de gekoesterde Celia Paul met haar zeeschilderijen. De volledige lijst vind je in het dankwoord achteraan.

Met hun werk als background overdenkt ze het liefdeloze verleden van haar moeder, verwijt ze haar levenslange onderwerping als vrouw, reflecteert ze over de patriarchale maatschappij en de bevrijding die zij, Caro, als dochter bevocht en nog altijd bevecht.
 
'Natuurlijk kwam ik in opstand, ik wilde geen gevangene zijn, ik wilde kunnen stormen en vliegen! Ik was woedend dat jij zo mak en gedwee was, waarom was je zo mak en gedwee, wilde jij dan niet vliegen, iedereen wilde toch vliegen, iedereen had toch het recht om te vliegen, vechten moesten we voor dat recht voor dat recht dat ons was afgenomen, waarom vocht jij niet, ik wilde dat je me leerde vechten (…..).'
 
Dat mannelijke auteurs nagenoeg ontbreken, bevestigt de feministische toets in haar werk.

-In haar bedenkingen en haar zoektocht vindt Caro Van Thuyne houvast in sprookjes en de mythologie. Zij zijn een metafoor voor haar eigen verwoede pogingen om haar moeder terug te halen.

Een rode draad is het terugkerende sprookje van de verbannen prinses Elisa en haar elf broers die na een vloek in zwanen zijn veranderd (Andersen?). Luisterend naar de raad van Morgan le Fay spint Elisa met de blote handen garen van brandnetels, en maakt ze er hemden van. Zo breekt ze de betovering. Zoals Caro de betovering rond haar dementerende moeder wil breken met haar woorden.

De belangrijkste rode draad is het beeld van de moederoeken- een zelfgevormd woord voor een soort kraaiachtigen, zowel v/m. Wellicht is de benaming geïnspireerd door het aangehaalde, mij onbekende sprookje My friend the Motherook’. (p. 371.)
 
De kolonie roeken achter het ziekenhuis begeleidt als krachtige metafoor het ziekteproces. Volgens de mythologie kunnen ze zowel onheilsboden zijn, of begeleiden ze de deugdzamen naar de hemel. In het tweede deel, na de dood van m’màtje, getiteld De Moederoeken, begeleiden zij het rouwproces van Caro en wordt hun metafoor nog krachtiger.

-Metaforen en beelden blijven een constante in het verhaal: de spiegel waarin ze haar moeder in zichzelf ontdekt, het lakken van de rode nagels die haar moeder weer levenslust moeten geven, het zingen van m’màtjes favoriete liedjes (Wil Tura), de ‘berin’ waarin ze zichzelf in haar onmacht en woede- bijvoorbeeld tegen onbehouwen verzorgsters- soms transformeert, de bezweringformules en litanieën die ze wanhopig herhaalt…en zo meer.

-Haar toevlucht zoekt ze in de natuur waarin ze vlucht, het bos, de zee, de bossen kleurrijke bloemen uit haar tuin die ze meeneemt naar de ziekenkamer..

De natuur die haar helpt, maar niet kan redden:

‘Willen vluchten en niet kunnen, willen loswurmen en -wrikken maar niet kunnen; Omdat onze streng weer strak getrokken wordt, m’mà, de streng waarover we geen zeggenschap hebben.'

Confronterende, intense bladzijden die er nog maar eens op wijzen hoe zintuigelijk Caro Van Thuyne schrijft, en hoe ze ons daarmee kan inpalmen.

‘menigmaal zou ik liever schilder zijn dan schrijver’'

Zij schildert met woorden.

-Met die zoekende, aftastende woorden wil ze haar dementerende moeder terug halen. Ze spreekt ze aan met m’màtje, en in het West-Vlaams, de taal van de ‘vertellementen’, 'grapjes, spreuken, de taal als toveren en als schelmse liedjes om op te dansen, taal als carnaval, taal als het feestje van ongrijpbaarheid, taal die met een plagerige heupstoot de hele blokkentoren van discipline en verwachtingen te val brengt. '

De taal die haar moeder haar gegeven heeft.

‘Jouw taal is als een bloedzang door mijn kinderlijf gegaan en heeft daar alles aangeraakt, het zal voor altijd blijven natrillen in mijn ribbenkooi, mijn schedelkooi, mijn bekkenkooi.'

De taal gebruikt ze ook als bezwering, in sommige bijzonder intieme, ontroerende passages, bijvoorbeeld waarin ze haar moeders arm en handen streelt, haar verzorgt, haar nagels lakt, of wanneer ze haar moeder als ‘Wout Vaak’ met verhalen in slaap wiegt.

De taal als kunstwerk op zichzelf, hier een kunstwerk zonder ‘Beschränkung’, zoekend naar het juiste woord, herhalend en moeilijk om de juiste woorden te vinden:

‘De juiste woorden voor mezelf, de juiste woorden vor jou. En, de juiste woorden voor al wie dit zal lezen, de juiste woorden, die niet uitleggen, maar laten voelen , ik wil dat wie dit leest voelt, zichzelf zal toestaan te voelen.’

Bloedzang is een boek om ‘te voelen’, geen boek om ontspanning te zoeken, geen boek om in één ruk uit te lezen. Je moet je laten meevoeren, de taal met mondjesmaat proeven, de machteloosheid willen blijven voelen. Bloedzang is ook een zeer persoonlijk boek. Caro’s moeder is geen ‘universele’ moeder, zoals Frida Kahlo ze schilderde, ze zocht haar eigen moeder: Jij blijft mijn enig bestaande individuele moeder, m’mà, en ik jouw enig bestaande eerste dochter en ik wil nadenken over onze enig bestaande individuele verhouding tot elkaar.’

Vele keren vraagt ze zich af waarom ze dit zeer individuele boek schrijft . Het antwoord is simpel: ‘Omdat ik van je hou m’ma’.

Die persoonlijke moeder- dochter relatie is overweldigend, maar zal in vele passages voor gelijkgestemde lezers herkenbaar zijn.
Het is vooral de taal die mij overdonderde. Af en toe had ik de neiging om te skimmen vanwege té doorgedreven zoeken, tasten, beschrijven, herhalen…Hoeveel keer heb ik gedacht: stop, genoeg uitgesponnen emoties, om me dan toch weer te laten bedwelmen door de werveling en het ritme van de taal in haar sprookjes, natuurschilderijen, bezweringen…

‘Bloedzang’ komt op mijn leesvenster, als lokaas voor een goeie boekenbabbel.
 
‘Bloedzang’ staat ook op de longlist van de Libris Literatuur Prijs 2024. Op 11 maart misschien ook op de shortlist. En op nog vele andere lijstjes. Daar hoort het ook.

In boekenvriendschap,
© Jet Marchau

Deze recensie verscheen eerder ook op de FB-pagina's van Jet Marchau en 'Brugge Leest'.

 
 
 
 
 


zondag 5 november 2023

Nostalgia - Jet Marchau

Uit 'Het leven na zeventig'

162. Nostalgia
voor Jens

Mijn verste schoonzoon stuurt mij een video door: de 2 zussen, de verre en de verste samen in het verre noorden, achter de piano. En ze zingen… mijn hart loopt over.

Wat heb ik dit gemist, toen ze hier het huis uit gingen. Hun dagelijks ge-oefen, klarinet, piano, harp, hun zang. Hun samenspel, ook met vrienden en vriendinnen. De sleutel in de deur, en dan even  stilletjes blijven luisteren. Vaak was hun broer dan al gevlucht.

In de voorbije dagen heb ik zoveel graven bezocht, meestal als enige overlevende van mijn familie- generatie. Nostalgia: ‘nostos’, ‘algos’: heimwee? Terugkeer naar vroeger?  Er was geen zwaarte. Telkens kon  ik ‘dankjewel’ zeggen, behalve bij die enkele, het kleinste, en de andere, veel te vroege.  Dan zocht ik de wind in de wolken.

Ik glimlach naar de foto’s op onze persoonlijke wall of remembrance.  En lees de gedichten ertussen:  Johanna Kruit:’ Geboortehuis’, Erwin Mortier: ’Huis in ons’, ‘Foto’ van Herman de Coninck en ‘Met andere woorden’ van Bart Moeyaert. Beter verwoorden kan ik het niet. De schrik voor Nostalgia is groot, maar er is geen donkerte, wel warmte.

Tot nu…de warmte van hun stemmen, de flits van wat voorbij is, de sleutel in de deur van een stil huis ( toegegeven, op het welkom van mijn man en het geblaf van de hond na), het besef van  wat was en komt. I count my blessings, jazeker, telkens opnieuw, maar Nostalgia is plots wel heel dichtbij.

Ik volg Bart Moeyaert. Ik geef haar, de venijnige, een stoel, en luister naar mijn dochters  op de achtergrond. De warmte van hun samenspel,  die ik nu opnieuw mocht voelen.  

Dank je wel, verste schoonzoon.

Jet


(Het leven na zeventig - notities van Jet Marchau)




 

vrijdag 17 maart 2023

De hondenwandelaarster zet de dag in - Jet Marchau

 De hondenwandelaarster zet de dag in  

‘Wandelen is goed voor je’, zeggen ze. Mijn knieën vertellen iets anders. De weegschaal schommelt tevreden. En neen, ik heb geen stappenteller.

Ik ga de tuin in en herken het geklop van de specht en het dwingend geroep van de heggenmus.  Boven me heeft de dageraad goud in de mond, verderop dreigt de donkere regen.

Ik zucht. Regenhoed, jas en das weer aan, stok en leiband mee. Wanneer breekt die lente nu toch eens door? Binnen trekt Chilla vanuit haar mand een oog open en zucht ook. Denk ik.

De straatlantaarns branden nog. Ik gebruik graag dat oude woord. Ik zie me direct in een sprookje van Andersen of in een verhaal van Dickens. Mijn hoofd zit sowieso al weken vol van oude en nieuwe verhalen. Van Prutske over Vlaamse en Noorse sagen en verhalen tot Morris en Misjka,  Margriete en Carlotta. En naar een nieuwe ontdekking, vanmorgen bij het scrollen.  ‘Harde hand’ van Marita de Sterck, ook al een verhalenverzamelaarster. Nu met een jeugdverhaal  met  een asielhond en haar baasje in de hoofdrol.

Ik kijk naar Chilla. Een Westie. Chique, geen asielhond, wel een vroegere ‘flat’- hond. Al even erg.

De straatlantaarns doven zichzelf uit. Het is 7 uur. Er nadert en andere hond. Een ‘labradoodle’ weet ik. Gisteren was er een Italiaanse waterhond. Met krulletjes.  Een grote ‘bobbie’.

‘Dag Bobbie’, zegt een bejaarde tante tegen 11 jaar oude Chilla. In haar wereld heten alle honden nog ‘bobbie’.   En ze wrijft de andere bejaarde dame over het hoofd.

Onze vroegere- en tot onze aangewaaide Chilla ook enige-  hond haalden we na veel smeekbeden van de kinderen en verleid door zijn trieste  ogen, wel uit het asiel. ‘Vicky’ heette hij, meteen door de kinderen tot ‘Ricky’ omgedoopt.  Het woord genderneutraliteit kenden ze nog niet. Een ‘stratier’,  een bastaard.  Daar pakken de hondenbaasjes tegenwoordig niet meer mee uit.

Ik trek de snuffelende Chilla voorbij de voortuinen. De krokussen en paaslelies hebben zich weer opgericht. Bij al die regen van de voorbije dagen waren ze bijna weer de grond in gekropen. In de slotgracht van het (middeleeuws) kasteel mis ik de eenden. En de verhalen die met de bewoners verdwenen lijken.

Ik sla de weg naar huis in. Mijn hoofd alweer bij de verhalen die ik moeizaam op mijn computer samenraap. Een deadline  nadert.

Ik bedenk dat ik vanmiddag maar eens op zoek moet gaan. Naar de asielhond van ‘Harde Hand’.

Met de fiets, zelfs goed voor de knieën.  Zegt men.

© Jet Marchau


Uit: ‘Het leven na zeventig’ – De hondenwandelaarster

 

 


donderdag 20 januari 2022

Een leven als een oefening in verdwijnen

Pluto. Aan het einde van de weg rechtdoor.
van Lara Taveirne

Recensie: Jet Marchau

Er zijn romans waarin je wil blijven lezen en wonen. Verhalen vanuit de buik geschreven en met een pen om jaloers op te zijn. Je wil niet dat ze eindigen. 

Bij mijn selecte lijstje voeg ik zonder aarzelen Pluto (2021) van Lara Taveirne toe. Maar daar stonden ‘De kinderen van Calais’(2014) en ‘Kerkhofblommenstraat’ (2018) ook al.

In Pluto nemen 2 vrouwen, Loekie en haar moeder Antonia (Tonia) , ons mee in hun familiegeschiedenis. Een geschiedenis doorspekt van onmogelijk verlangen, van verlies, van rouw, amper gelouterd door bladzijden van flitsend geluk.

Na de zelfdoding van Antonia (Tonia) wacht de treurende dochter Loekie in haar huis op de komst van haar broer Rowan. Ze stoot er op een verborgen schrift en een bundel verhalen.

Het blijken de memoires, een zielsopenbaring van haar moeder, die ze vooral kende als een teruggetrokken, onzekere vrouw, het liefst onzichtbaar tussen haar boeken…

‘Ik zie mijn leven als een oefening in verdwijnen’ (blz. 209) schrijft ze in een nooit verzonden brief naar haar grote liefde Youssef, de verdwenen vader van haar zoon en dochter.

Dochter Loekie leest schroomvallig, maar kan niet stoppen: ‘Als gevallen knikkers zijn haar ogen over de woorden gestuiterd’ ( blz. 97). In de teksten van haar moeder (in de ik persoon en in de verleden tijd), ontrolt zich een doorleefd kluwen van relaties, over drie generaties heen. Daardoor komt niet alleen Antonia in beeld, maar ook haar flamboyante moeder Maria Josepha (voor Loekie oma Zee) , levend naar de vrijheid- blijheid hippiegedachte van de jaren 70, van haar drie zussen, hun verschillende vaders en vooral van de mysterieuze vader van Antonia. Die ontdekking van wie en hoe die vader eigenlijk was en de beschrijving van de korte liefde tussen haar ouders zorgen voor een spanningsdraad die zich jaren later herhaalt in het persoonlijk verhaal van Tonia. Ook zij werd later verlaten door haar grote liefde.

Niet alles is verlies en verdriet. Tonia’s lievelingszomer in 1987 beschrijft ze met de ongeremde blijheid en de nieuwsgierige ogen van een tienjarige als eindeloos, ‘De mooiste zomer van mijn leven’. Een avontuur, zo gedetailleerd en zintuiglijk beschreven, om in te kaderen.

Pluto wordt meteen een ijkpunt in de roman, een droomplek waar Tonia als volwassen vrouw met een baby en een kleuter naar terug keert. Om er wellicht (vergeefs) het geluk terug te vinden.

De hippe moeder Maria- Josepha (er staat een stamboom voorin de roman) kocht het huis in een opwelling, gecharmeerd door de romantiek van een bouwvallig huisje aan een dijk, in the middle of nowhere. Of, in het hol van Pluto.

Dat dit geluk maar één zomer duurde, ligt aan haar verkeerde inschatting:

'De hectische wereld die ze had willen achterlaten, bleek een wereld die haar het best paste’ (blz. 91).

‘Ze had getuigen nodig, een publiek . Zonder was ze kansloos.’(blz. 92).

De tegenstelling tussen dochter Tonia en haar moeder kan niet groter zijn.

Ook de bladzijden waar Tonia en Youssef (Toto en Jojo) hun liefde beleven, zijn van puur geluk. Je wil blijven lezen hoe Youssef Tonia op handen draagt, hoe zijn woorden haar koesteren en omkringen. Zelfs wanneer Tonia na de geboorte van zoon Rowan weer in de diepste diepte zakt. Tot Youssefs woorden te kort schieten en hij vlucht om zelf niet in de duisternis te worden mee gezogen:

Het is voor de lezer een anticlimax na die prachtige bladzijden. Maar Tonia reageert begripvol:

‘Die nacht trof ik Youssef aan op een stoel naast het bed.(…) Hij stond al aan de afgrond, hij had alleen nog het laatste duwtje nodig. ‘Je mag het opgeven, Jojo. Ik heb geen zin meer. (blz. 196)

Dochter Loekie interpreteert: ‘Want dat heeft ze uiteindelijk gedaan: ze heeft hem laten gaan. Ze zag zichzelf als het grote blok beton aan zijn been en dus heeft ze zich van hem losgeknipt. Met een beetje moeite kon je er een teken van liefde in zien. ‘ ( blz. 198) .

Langzaam zie je Tonia naar de schaduwwereld ‘Pluto’ terug gezogen worden.

Want Pluto staat niet enkel voor de plaats en het bouwvallig huis, de naam staat ook voor de boot van de veerman met alle symboliek die er aan vasthangt, voor de verste planeet in ons zonnestelsel (een utopie voor Tonia dus) - maar vooral, voor de god van de onderwereld, de heerser van schaduwen: ’Morgen ga ik naar Pluto. Morgen zullen we verloren zijn. Morgen zijn we weg’(blz. 215)

Maar ze keert noodgedwongen en na een nieuwe (voor mij wat overdadige) draad naar de wereld terug, voor haar kinderen. Hoewel: “Ik leef in andere werkwoorden en leven is daar niet bij- overleven wel, of toch net.”(blz.212)

Tot ze, wanneer de tijd rijp is, uiteindelijk voorgoed verdwijnt, Aan het einde van ‘haar’ weg, gaat ze rechtdoor, de zee in.

Loekie leest in de nooit verzonden brief van haar moeder aan Youssef, de deels in hoofdletters geschreven woorden ‘ik KOM TERUG’. Loekie interpreteert:

‘Het is typerend dat haar moeder ‘ik’ in kleine letters heeft geschreven. Bij leven liep ze ook altijd wat gebogen. Ze praatte zachtjes en murmelend. En meteen na het avondeten doofde ze alle lichten om mogelijk bezoek te misleiden. Al jaren voor ze de zee in liep was ze bezig zichzelf uit te gommen.’ (blz. 199). Maar wanneer Loekie haar duim op de ‘ik’ legt, leest ze: KOM TERUG, een noodkreet van haar moeder naar Youssef?

Ik las de 299 bladzijden van de roman als betoverd. Niet enkel vanwege het sterk uitgewerkte thema, maar ook vanwege de sterke taal. Opnieuw nam ik, zoals in mijn ‘recensiejaren’, een potlood en noteerde ik zin na zin of woord na woord. Ik vulde volle bladzijden, in bewondering voor iedere raak geformuleerde beschrijving, ieder verrassend beeld.

Tonia over moeder Josepha die vanuit Pluto met haar dochters terugkeert naar de stad:

‘Mijn moeder had de sprei als een reusachtige sjaal om haar bovenlichaam gewikkeld. Ze leek alleen nog maar vaag op zichzelf, alsof iemand haar vacuüm had getrokken. De woorden en de wilde emoties waren er allemaal uit, alleen het omhulsel zat nog bij ons.' (blz. 93).

Loekie over haar broer Rowan: ‘Haar broer loopt rond in een oud toneelstuk. Voor elke nieuwe dag rolt hij een andere achtergrond uit.’ (blz. 101)

Loekie over haar tantes: ‘Het was alsof hun tantes elkaar konden lezen, ook wat in potlood werd gedacht’ (blz. 103). En na de toespraak van tante Eliza op de begrafenis van haar moeder:

‘Toen waren haar woorden vochtig geworden’. (blz. 105)

Ik laat de vele andere woorden en zinnen voor de toekomstige lezers. Ik hoop dat het er veel zijn. En dat het voor anderen een plaats krijgt bovenaan op hun must-read lijstje.


In boekenvriendschap,

© Jet Machau
Januari 2022

Deze recensie werd ook gepubliceerd op 'Dun lied donkere draad', de blog van de VWS en op "Brugge leest".