zondag 30 april 2023

Groots in Griekenland - Hendrik Carette

Groots in Griekenland


Eenmaal binnengedrongen in Griekenland moet ik
voor een eiland kiezen.
In mijn geval is dat Kreta. Ik verander in een liegende
Kretenzer met een borstelsnor en een open overhemd.

Ik weet dat ik dan weer een boerensalade eet
en dat ik harswijn drink uit een kleine koperen karaf.  
Op een terras lees ik langzaam de koele verzen
van Kavafis die mij verblijden

en ik stap niet op een boot naar de Filistijnen
noch naar de veerboot voor Athene
maar blijf op dit eiland tot aan mijn dood.


© Hendrik Carette




vrijdag 28 april 2023

Een aura van ambachtelijkheid - Alain Delmotte

Alain Delmotte bespreekt De revolutie van de Vijftigers – een theoretische exercitie’ van Gert de Jager.

Ik was veertien jaar toen ik poëzie begon te lezen. Ik deed dit eerder ongeordend: ik las lukraak Franse en Nederlandstalige gedichten. Vooral de poëzie uit de eerste helft van de twintigste eeuw. Ik raakte al vlug gefascineerd door de Franse en Belgische surrealisten – die ik overigens nog altijd graag lees, weliswaar op een totaal andere wijze dan toen. Op een dag las ik (of liever ik hoorde het voordragen) het gedicht ‘Het beeld‘ van Paul Rodenko. Ik meende daarin iets van het surrealisme te herkennen. Ik begon allerlei dingen op te zoeken over die Rodenko en onvermijdelijk kwam ik bij de bloemlezing ‘Nieuwe griffels, schone leien’ terecht. Het exemplaar dat ik me toen aanschafte was al de achtste druk. Pakweg daterend uit 1972. De bloemlezing was toen al twintig jaar oud (over wat er zich in die tijd aan ontwikkelingen in de Nederlandstalige poëzie hadden voorgedaan bleef ik op dat moment onwetend). Ik vond het een verrassend boek. Het kwam uit op een jarenlange quasi beate  bewondering voor de Vijftigers. Daarbij hoorde nog een ander boek: de internationale bloemlezing van Sybren Polet ‘Verboden stemmen spreken door mij’ waarin al de buitenlandse dichters te vinden waren die voor de Vijftigers van belang zijn geweest. Die twee boeken werden mijn persoonlijke referentiepunten in de poëziewereld. Veel breder dan het zogenaamde ‘experimentele’ ging mijn blikveld niet. Totdat Komrij met zijn bloemlezing op de proppen kwam en de Vijftigers flink tegen de schenen schopte. De Nederlandstalige poëzie had dus meer te bieden dan louter experimentele poëzie. Laat me zeggen dat ik de Vijftigers wat begon te relativeren. Hen afwijzen? Nee, dat wou ik niet. Ik ben ze stelselmatig blijven volgen. De een al meer dan de andere. Ze behielden een ereplaats in mijn boekenkasten. Ze lieten mij niet los en ik liet ze niet los.

Speelt dat laatste ook een rol bij Gert de Jager? Wijst zijn essay ‘De revolutie van de Vijftigers – een theoretische exercitie’ in die richting? De Vijftigers zijn voor De Jager alvast geen onbekend terrein. Hij publiceerde onder andere in 1992 zijn scriptie ‘Argumenten voor canonisering: de Vijftigers in de dag- en weekbladkritiek 1949-1959’. In het tijdschrift ‘Literatuur’ uit 2000 lezen we een artikel van hem onder de titel: ‘Atonaal en de gevolgen. Vormprincipes in de moderne poëzie’.We mogen hem dus een kenner noemen.

In dit nieuwe boekje stelt De Jager zich de vraag hoe het mogelijk was dat deze ‘experimentele groep’ in een opvallend kort tijdsbestek werd gecanoniseerd en het poëtische landschap heeft gedomineerd. Was het de naoorlogse tijdsgeest? Was het een machtsgreep? Was het een (literaire) revolutie (die een inhaalmanoeuvre inhield ten aanzien van de poëtische ontwikkelingen die zich in de eerste helft van de eeuw in de Westerse wereld had voorgedaan)? De Jager is niet de eerste die zich dat heeft afgevraagd. Zo was er R.L.F. Fokkema die het zich in zijn boek uit 1979 ‘Het komplot der Vijftigers’ ook al had afgevraagd en er literair-historische verklaringen voor zocht .

Ik merk op dat De Jager enkel de Nederlandse Vijftigers ter sprake brengt. Vanzelfsprekend op Claus na. De verschillen tussen de Nederlandse en Vlaamse experimentelen zijn groot maar wezenlijk niet onoverbrugbaar. De Vlaamse vijftigers leggen andere klemtonen. Er werden vanuit Vlaamse zijde pogingen tot samenwerking ondernomen maar die mislukten. In de bloemlezing van Rodenko werden evenwel de Vlaamse Vijftigers opgenomen. (In latere edities zelfs de Vijfenvijftigers: Gils, Snoek, Pernath.) In de bloemlezing van Walravens, ‘Waar is de eerste morgen?’, ontbreken de Nederlanders. De focus ligt helemaal op de Vlaamse experimentelen. Maar goed: het zou mooi zijn als iemand in Vlaanderen zich aan dezelfde exercitie als die van De Jager zou wagen. (Of deed Jos Joosten dit al in zijn boek ‘Feit en tussenkomst, een studie naar het Vlaamse avant-gardetijdschrift Tijd en Mens’?)

De invalshoek van Gert de Jager is anders dan die van Fokkema. Het is hem vooral om een ‘theoretische exercitie’ te doen. Hij benadert de groep vanuit een socioliteraire hoek en op basis van het concept en de terminologie die door Pierre Bourdieu werden uitgedacht. (https://nl.wikipedia.org/wiki/Pierre_Bourdieu). Deze premissen worden als volgt door De Jager omschreven: ‘Wie de literatuur wetenschappelijk wil bestuderen, bestudeert geen intrinsieke  eigenschappen van teksten want die vallen niet te ontdekken. Wat we hebben zijn eigenschappen die worden toegekend en die worden toegekend door individuen met een positie. Wie wil begrijpen wat er gebeurt in de wereld van de literatuur, moet sociale processen bestuderen.’ De theoretische exercitie van De Jager bestaat erin dat hij in zijn essay vanuit verschillende sociologische invalshoeken ‘een bepaald licht (wil) werpen op wat er tussen 1949 en 1954 gebeurde’.

De eerste benadering speelt zich af op ‘het veld’ van de kunstwereld. Daaruit blijkt (ik resumeer) dat de regels van de kunst sociale regels zijn. Persoonlijk contacten en de netwerken die daarbij ontstaan spelen een cruciale rol. En er is ook de ‘charismatische ideologie’ die het volgende stelt: ‘Een kunstwerk bezit geen intrinsieke kwaliteiten; die kwaliteiten worden toegekend in een sociaal proces. (…) in dat proces wordt een bijzondere kracht ervaren: de kracht van uitzonderlijke individuen. (…) Het veld van de kunst (…) gedijt bij exclusiviteit, bij schaarste.’ Het is duidelijk dat binnen dit gegeven die rol door Lucebert werd opgenomen. Of werd het hem opgedrongen? Hij werd al vlug als de sleutelfiguur van de beweging van Vijftig beschouwd. Al was hij er zelf niet echt gelukkig mee.  

De sociologische benadering analyseert binnen het literaire veld de machtsverhoudingen, strategieën en adaptaties. Meteen nuanceert De Jager dit: ‘een sociologische theorie beschrijft in zekere zin alles, maar verklaart uiteindelijk niet zoveel. (…) in een sociologische theorie, zeker die van Bourdieu, schuilt een leegte.’

In de daarop volgende paragraaf, ‘Het imago’, wordt die leegte met de typerende Bourdieu-begrippen ‘posture’ en ‘habitus’ opgevuld. Ze hebben te maken met de ‘beeldvorming’ die een rol speelt bij de reputatie die een auteur verwerft, waarbij niet alleen het literaire werk van belang blijkt te zijn maar evenzeer de ‘programmatische verklaringen, interviews, polemieken en essays’. Hier wordt de klemtoon gelegd op de ‘zelfpropaganda’ van sommige Vijftigers. Zoals in het beroemde gedicht ‘De verdediging van de Vijftigers’ en in een aantal polemische lezingen van Lucebert. Alsook enkele uitspraken van Vinkenoog met provocerend gehalte. Beide dichters verklaren de oorlog aan sonnettenschrijvers en andere rijmratten. En we noteren ook wat Paul Rodenko in zijn inleiding tot ‘Nieuwe griffels, schone leien’ schreef: ‘de poëtische standenmaatschappij is omver geworpen’, ‘de dichter (…) neemt zelf het roer in handen’. Rodenko bezorgde hiermee de Vijftigers een ethisch kader.

In het hoofdstuk met de titel ‘De romantiek’ situeert De Jager de groep binnen het literair-historische gegeven van de Romantiek. Het romantisch grondpatroon is in heel de ontwikkeling van de avant-garde terug te vinden. Met name: de beklemtoning van de ‘authenticiteit, het proefondervindelijke echt-of-onecht’ die we dus ook bij de Vijftigers gedeeltelijk kunnen terug vinden. Het snijdt het probleem en conflict aan tussen vakbekwaamheid en persoonlijkheid (vorm of vent). De Jager concludeert hieruit: ‘Relaties opdoen in het veld, het vormgeven van een imago: het was allemaal mogelijk en noodzakelijk, maar het paradigma van de romantiek, dat conventionele grondpatroon voor lezers en schrijvers, verklaart nog het meest waarom het atonaal dichten van enkele jonge mannen uit Amsterdam zo snel waardering en erkenning vonden.’   

‘Het gilde’ is het vijfde en afsluitend geheel van het essay. De apotheose ervan. De elementen die in de vorige paragrafen of hoofdstukken te lezen waren, kristalliseren er zich in. En er wordt een link gelegd naar vandaag. De Jager bekritiseert de sociologische Bourdieu-methodiek. Die zou niet meer voldoen omdat het kunstgegeven thans complexer is geworden.

Met ‘het gilde’ wordt de professionele wereld bedoeld met name ‘in de eerste plaats, de vakbroeders, de critici en pas dan de grote gedeelten van het publiek.’ De Vijftigers herdefiniëren het begrip ‘vakmanschap’. Elk van die dichters is op zoek naar een ‘singuliere’ schrijfwijze, een eigen idiosyncrasie. Die voor sommige critici in de beginperiode als ‘dichterlijk onvermogen’ werd omschreven. Op zeer korte tijd maakte ‘het gilde’ een bocht van zodra ‘de ambachtelijke kwaliteit werd gekoppeld aan een authenticiteitsclaim waarbij de tijdsomstandigheden als argument werden aangevoerd.’

Waarom is de sociologische methodiek van Bourdieu vandaag niet langer toepasbaar? Volgens De Jager is dat omdat het literaire veld is uitgedijd: ‘in of op het literaire veld kunnen heel wat circuits worden onderscheiden, er vallen steeds wijdere cirkels te trekken’.
De Jager besluit: ‘Wat is dus dichterschap? Hoe weinig pretentieus en hoe amateuristisch ook, het betekent niet meer en niet minder dan het meegeven van een aura van ambachtelijkheid aan de persoonlijke ervaring.’

Ik probeerde hier een synthese te maken van wat De Jager in dit boekje in grote lijnen doet. Zijn analyses zijn evenwel dieper gravend  dan mijn recensie. Het is de manier waarop hij analyseert die zijn essay boeiend en lezenswaardig maakt – zonder daarbij een al te academisch jargon te hanteren.  

Ik signaleer de lezer dat in dezelfde Gaia reeks een herdruk verscheen van de weinig gekende dichtbundel van Herman Gorter ‘In memoriam – Bij de dood eener communiste’. De Jager schreef een uitgebreide inleiding bij deze gedichten. Hij bewijst ermee dat hij weet hoe literatuur boeiend te maken.

© Alain Delmotte

De revolutie van de Vijftigers – een theoretische exercitie’ – Gert de Jager – deel 23 uit de Gaia Chapbookreeks 2023 ISBN 978 1 4478 4712 0
In memoriam – Bij den dood eener communiste’ – Herman Gorter – inleiding Gert de Jager -  deel 20 uit de Gaia Chapbookreeks 2022 ISBN 978 1 4710 7605 3

Gaia-Chapbooks


donderdag 27 april 2023

Nachtjapon - Mouhamed Rasho

Nachtjapon 


Ik neem het pad door het bos om het spoor van je stem te volgen in het stromend water,
‘’Je doet het nog een keer, je sluit de deur niet achter je.’’
‘’Niks wordt gezien in het donker, niks.’’
ik ben gevuld met wat je aan anderen overlaat,
met de geur van jouw hand onder de oksels,
met jouw adem in de nekken,
je doet de knopen van de nachtjapon open en ik zie niks behalve  je botten,
wit en glanzend
wit en mooi
zoals herinneringen zouden moeten zijn.


© Mouhamed Rasho

Website Mouhamed Rasho

 


woensdag 26 april 2023

Vallen - Mouhamed Rasho

Vallen


We praten om de tijd te laten verstrijken,
we worden verliefd  om de tijd te laten verstrijken,
we wandelen om de tijd te laten verstrijken,
en dan komt er een uur
dat we alleen maar naar een blinde vlek kunnen staren,
dat we ons alleen wat we hebben gedaan kunnen herinneren,
ook om de tijd te laten verstrijken,
we zullen ons herinneren
zonder te beseffen dat we in alle vallen zijn gelopen
De vallen die de tijd al stilaan voor ons had gezet


© Mouhamed Rasho

Website Mouhamed Rasho

 



dinsdag 25 april 2023

Wie zijn we? - Mouhamed Rasho

Wie zijn we?

Hij dronk een rauw ei en zat voor de biljartzaal
hij rookte en zong van een gebroken hart
zonder zich zorgen te maken over het bloed
dat in een groene tatoeage op zijn onderarm viel.

Hij stond voor de biljartzaal toen hij ze al zingend zag lopen: Wie zijn we,
hij zong over zijn gebroken hart en ging met hen mee
ze waren Kinderen die liefhadden en wisten niet wat liefde was
ze zongen liedjes en gingen ten strijde

Zonder zich zorgen te maken over het bloed dat uit zijn onderarm viel,
zong hij: ‘’Met mijn gebroken hart zal ik van je blijven houden.’’
Hij dronk 's ochtends een rauw ei en zat voor de biljartzaal
Hij ging met hen mee waar ze gingen
ze waren kinderen en zongen: Wie zijn we, ze wisten nog niet wat de dood was
ze waren Kinderen die liefhadden en wisten niet wat liefde was


© Mouhamed Rasho

Website Mouhamed Rasho

 


zaterdag 22 april 2023

Alain Delmotte is de nieuwe voorzitter van de VVL

Dichter, essayist, recensent... Digther-redacteur Alain Delmotte is het allemaal! Nu is hij sinds enkele dagen ook voorzitter van de VVL (Vereniging Vlaamse letterkundigen), de oudste schrijversvereniging van Vlaanderen. Hij volgt hiermee de betreurde Frank Decerf op, ook al een Digther-redacteur.

Veel gelukwensen, Alain! 

Facebook-pagina VVL
De Boekhouding van de VVL
Alain Delmottte op De Schaal van Digther


vrijdag 14 april 2023

Perron - Eric Vandenwyngaerden

1. Bijna

Telkens als je zegt ‘we zijn er bijna’,
ben je er nog niet: je stapt nog niet
van de trein. Er is nog geen vast
perron. We naderen nog.
 
Ook als ik denk – ik sta maar
eens op, want je zegt ‘we zijn
er welhaast’ – zoek ik nog wat te
doen: mijmer ik weer weg, schrijf
nog iets op. Voorzichtig, verbaasd.

En het is koud in huis. Terwijl ik
wacht op jou, hoor ik de verte
in het treingeruis, haalt de herfst
de zomer in, droom ik dat je er
bent, dat je eindelijk binnenkomt:

regen druppelt van je kin.
 


2. Zo dus  

Teken hoe het komt dat je
nog bij me bent: je wuift in
de verte – eenvoudig hoe
alles kan zijn.

Dat en de avonden hiervoor,
en alle andere daarna,
houden we in gedachten.

En uren regen zich aaneen.
We leerden een nieuw wereld
kennen.

Buiten daalt inmiddels de zon.
Je bent er.
Dit is het dus: zo.

Nog pluk ik je van het perron.


3. Perron

Zie dan toch – hoe ze kijkt als ze me ziet:
we komen thuis …

En als de nacht straks overkomt,
schuiven ook wij; en zonder
aarzeling duiken wij onder.


© Eric Vandenwyngaerden




woensdag 12 april 2023

Als je mij zoekt - Kris De Lameillieure

Als je mij zoekt, ben ik er
als mist op het veld, stof
in je oog, rood licht
op de hoek van je straat.

Je kan mij zien en na een tijd
ruik je mij, tast mijn huid,
voel je hoe ik kil keer,
een muur bouw rond mijn krimp.

Geen mens aan wie ik nog kleef,
naast kind of kind van kind.
Voor jou ben ik een traan.
Schud mij af nu je nog kan.


© Kris De Lameillieure


Foto P. Bardyn - Kris De Lameillieure wint Blow Up 7



dinsdag 11 april 2023

Halfweg - Kris De Lameillieure

Halfweg

Dagen maken bokkensprongen op zijn rug,
hinkelen op ribben, bikkelen en tollen
in zijn hoofd, trekken bekken in lachspiegels.

Halfweg keren ze weerom, tellen aftelrijmpjes
voor wie opnieuw begint. Krakende knieën,
schouders opgehaald, lopen in slow motion.

Hij draagt een hoed in fraaie verzen, schrijft
lotuskrullen in zijn naam. Zingt voor niemand
die kan horen, kijkt met elfen naar de maan.

Dagen knipt hij in een tuil, ademt zuurstof
uit het ijle. Dicht nachten met mondjesmaat,
schrijft tot zeven en wacht op het ontluiken.


© Kris De Lameillieure


Foto P. Bardyn - Kris De Lameillieure wint Blow Up 7



maandag 10 april 2023

Blues - Kris Delameillieure

 Blues

Je komt vroeg dit jaar, reeds voor de vrucht van ’t land gerooid,
het laatste gras gekuild in weckpotten. Nauwelijks mijn zomerblad
verschoten of vleugels ingeklapt. De huid nog niet met vacht bekleed.  

Naakt loop ik nu de einder af, trim schuimkoppen van het gelaat,
schraap zout uit vereelte wonden. Verzink in d’ogen van wie op strand
met twee alleen liggen. Ik ben een rimpeling, golf zonder geluid.

Geen tweet van jou, geen whatsapp. Jij spant geen strik, verluurt mij
nooit. Altijd zijn wij online, roffelen de trom of huilen ’s nachts in nood.
Als honden likken wij elkaars zweren, lepelen hetzelfde brakke water.


© Kris De Lameillieure


Foto P. Bardyn - Kris De Lameillieure wint Blow Up 7


zaterdag 8 april 2023

Kier - Inge Pollet

Kier

 
Onder de drempel scheurde de vloer open
Met wijde ogen vielen we en kierden besluiteloos
tot het begon te waaien

Er was eerst een dunne windvlaag die vlak daarna
aanzwol tot een antracietkleurige wolk boven de polder
En hoewel het geluid in aanvang nog wel meeviel
wilden we al snel dat we nooit gevallen waren

uit de smalle ruimte naast de keldertrap kwam
een intenser waaien opzetten we konden nog net de
deurklink grijpen

toen we dachten dat we het ergste wel gehad hadden
ontstond er nog een laatste rukwind diep vanuit de aarde

daarna was het kalm.

We zaten op het trapje,
schikten onze haren weer op de juiste manier.

In het zuchten een kleine bries.


© Inge Pollet





vrijdag 7 april 2023

Oksel - Inge Pollet

Oksel
 
Zoeken voortdurend naar aanwijzingen,
parameters, alteraties, trillingen
prognoses, ommekeer, energieën.
 
Ruimen de dekens naar zolder om helder te kunnen denken.
Onderdrukken het ruisen in de verwarming.
Raadplegen driemaal daags de engelen.
 
Lezen verschrikt de laatste berichten.
Telefoneren over geringe afbuigingen in grafieken.
Printen statistieken uit en hangen ze in de gang.
 
Verkennen alle mogelijke methodes, bevestigen toonloos geruchten uit de lucht.
Lopen wat heen en weer in de ondiepe tuin.
 
Klemmen de afloop harmonica gewijs onder oksel. 

© Inge Pollet