dinsdag 22 september 2015

Frans Deschoemaeker: Volmondig rokend

Volmondig rokend
(over de dichter en zijn sigaret)

Wie schrijft, schrijft het grootste deel van de tijd niet. Wie schrijft, betoont geduld, wacht. Wacht tot een idee opkomt, een beeld zich losmaakt uit het ongewisse, een woord gaat gloeien van onvervangbaarheid. Daar komt een hoop staren bij kijken.

Wie schrijft, fixeert eerst lange tijd van achter zijn werktafel een punt in de boekenmuur, gunt zijn oog af en toe een vogelvlucht over de boekenruggen, de titels, de namen, de goudopdruk, de vertrouwde kreuken. Wie schrijft, houdt ervan over de tuin uit te kijken, gedachteloos in de verte te staren. Daar hoort een sigaret bij.

Tuinieren, wandelen, wijn drinken, het beluisteren van de Goldbergvariaties en het roken van een sigaret activeren de gedachte, polijsten de metafoor, laten dat ene onvervangbare woord opglanzen in de baaierd. Al bij al heb ik in mijn leven nog maar weinig geschreven, maar veel gestaard, en daar veel sigaretten bij gerookt.

In de Poëziekrant staat een foto van de Poolse dichteres Wislawa Szymborska. Zij zit aan tafel achter een grote kop koffie en ze trekt wellustig en zonder complexen aan een sigaret. Een grote rookwolk zal zo dadelijk het hoofd van de bejaarde dame omkransen. Wanneer zie je nog eens zo’n foto? Het is zo volstrekt not done geworden. Sigarettenrook is uit de glossy magazines en de sanitair correcte media-events gebannen. Tegenwoordig fotoshopt men Prévert, Malraux en Sartre de gitane uit de mond wanneer hun beeltenis op een postzegel of op een affiche moet. Hoelang duurt het nog vooraleer ook om de kop van Gainsbourg de rook zal verdwenen zijn?

Met het uitwissen van de sigaret wist men een tijdperk uit. Een tijdperk waarin men meer waarde hechtte aan de dingen van de geest (alvorens op een vraag te antwoorden zou men eerst een pijp moeten stoppen, zei Einstein) dan aan de stroomlijning van het lichaam, dat ondanks alle goede zorgen toch eindig is. De roker beseft dat een ietsje meer dan de gezondheidsfreak, en dat geeft hem een soort spiritueel overwicht op de niet-roker. Hij heeft een scherper besef van onze gemeenschappelijke sterfelijkheid. Zij zijn hem vertrouwd, de as, de tumulus en het memento mori, zoals ze de Antieken vertrouwd waren.

Een foto: tijdens de pauze van zijn lezing voor het Penhuis in de oranjerie van het Broelmuseum te Kortrijk rook ik met Leonard Nolens buiten een sigaret. Interviewer Paul Demets en Rony Dewaele completeren het naar de drempel verbannen rokersgezelschap. Het is mooi om zien hoe de rooksluiers rond onze hoofden omhoog kringelen, als aureolen, als laurierguirlandes, als tekstballonnetjes, als ijl sfumato in het tegenlicht van die zonnige, opwindende zondagmorgen in april. Er fladderen vlinders en leisteengrijze duiven in en uit onze monden.

Ik kan stoppen met roken en ook als het niet lukt
ik hou van mezelf ik ben niet dik niet klein niet rond
ik heb een zachte pik zat liefde in mijn kippenborst


schrijft Mustafa Stitou in zijn mooie, fugatische gedicht Affirmaties. Roken is slecht voor de gezondheid, je krijgt er alle plagen van Egypte van, het wordt maatschappelijk nog nauwelijks getolereerd. Maar ach, de dichters, zij lopen niet de halve marathon, zij doen niet aan parachutespringen of aan de base jump, zij houden niet van snelle wagens en gaan niet aan touwen hangen in het hooggebergte, en zelfs van de listen, lagen en labyrinten van de liefde kennen zij vaak alleen de theorie, de poëzie, de melancholie. De dichters, zij staren. Zij voegen het woord bij de daad, zij maken van het woord de daad. Ach, laat ze op hun manier een beetje gevaarlijk leven.

Uit: De waterlelies van Montparnasse, een werk in gestadige voortgang.


© Frans Deschoemaeker


De waterlelies van Montparnasse - Frans Deschoemaeker

Digther geniet het voorrecht om de komende maanden regelmatig een aantal teksten van Frans Deschoemaeker online te mogen plaatsen. Het zijn extracten uit zijn typocript De waterlelies van Montparnasse, een werk in gestadige voortgang. We beginnen hieronder alvast met een fijne duiding van de auteur zelf.
.../...


Ieder mens heeft op zijn vijftigste gevoeligheden, ironieën, obsceniteiten en een grote hoeveelheid anekdotes opgehoopt, schreef Jorge Luis Borges.

De waterlelies van Montparnasse, een werk in voortgang, ontstond uit de behoefte die delfstof te ontginnen; ervaringen, herinneringen, gebeurtenissen, bedenkingen de zwier van een formule, van een arabeske te geven. En dit in een flux naast het zuiver poëtische werk, maar er af en toe toch nauw mee verbonden.

Zo schrijft dan de dichter aan een boek dat geen dagboek wil zijn, geen schetsboek, geen probeerselboek, geen literaire kroniek, geen leesnotitieboek, geen voetnotenboek, geen kantlijntjesboek, geen reisverslagboek maar ook geen carnet de route, geen uit zijn band barstende dichtbundel, geen boek vol miniaturen, geen midzomerdagdroom, geen éducation sentimentale, geen zoektocht naar de verdwenen tijd of kunst van de fuga.

Geen oerboek. Geen koffer van Pessoa of Verpale. Geen boek om aan een ander, veeleisender, boek te ontsnappen. Geen liederlijk boeksken, geen pornografische vingeroefening, geen slip of the pen van een voor het overige bedachtzaam en zuinig schrijvend en publicerend Oudenaards dichter, maar iets van dat alles tegelijk.


© Frans Deschoemaeker


donderdag 17 september 2015

Over ‘Bodemdrang’ van Laura van der Haar

Recensie Frank Decerf

In 2012 won deze dichteres het NK Poetry Slam en dat was een verdienste, maar poëzie op een podium en poëzie op papier zijn twee verschillende entiteiten die elk een andere
invalshoek vragen. Het zijn twee verschillende vissen die in de juiste poel moeten leven. Wat een festivalpubliek zal boeien, is niet altijd wat de eenzame lezer van poëzie wil lezen. Tussen lezen, horen en zien ligt een krachtveld dat snel aan energie kan verliezen. Podiumdichters beperken zich beter tot hun eigen biotoop. Uitgeschreven gedichten op papier zijn toch wat anders. Van der Haar houdt van speelse woorden. Ze werkt graag met opsommingen en associaties die, als het medium écriture automatique, op zoek gaan naar trefzekere doelen. Haar rondhuppelende beelden zijn haar geliefde kleine kinderen die moeilijk onder controle te krijgen zijn. Bodemdrang werd ingedeeld in de cycli: Doorlopen, Verlanden en Dagzomen. Waarom ?

De dichteres speelt met haar woorden en metaforen, maar in deze oefening woorden geen rustpunten gevonden. Ze brengt een spetterend vuurwerk om vooral te entertainen. We lezen niet te stoppen monologen. Laura van der Haar moet leren schrappen. Ze moet weten waarheen ze wil. Ondertussen lopen haar woorden in kringetjes, zoemend als zomervliegen. Gelukkig is Bodemdrang een debuutbundel; we moeten dus mild zijn. Lees de bundel en trek zelf je conclusie. Mustafa Stitou schrijft alvast over deze gedichten: ”Regels die spankracht hebben.”
En jawel deze dichteres beschikt over taalkracht en taalvondsten om tot een vorm van poëzie te komen die zij de wereld instuurt met de hoop adepten te vinden. Zij hanteert de taalmiddelen op een correcte manier, ze gebruikt haar enjambementen en alliteraties zoals het hoort, ze streeft een origineel vocabularium na en werkt zeer losjes als het om opbouw gaat. Voor mij moeten versregels meer worden dan losgeslagen missielen die ergens aankomen. Bodemdrang is een bundel woordenvol lettertjes en tussen al die lettertjes vind je dan opeens leuke gedichten zoals deze.

Splinters

rottende slootkant, stofhooi, seks in de bosjes, festivalkots
klein straatgedierte sterft in roosters, vogels
walmen na op het wegdek

de zomer is begonnen

overal klinkt zacht gelik
aan ijsjes, liefjes, hondenanussen
autogeronk, bericht voor een meisje, plus het meisje
dat voorzichtig in haar handen wrijft

de smeulende resten van een barbecue
waar het vlees weer redelijk lekker was
rolschaatsers, rochelaars en wespen

die vroege zomer
steekt
net als de bosjes

hoeveel splinters zal haar lijf blijven verdragen
voordat ze meer hout is dan mens

In de archeologie is alles wat opduikt meestal bruikbaar en waardevol. Elk fragment brengt iets bij. In de poëzie moet vooral worden gebalanceerd om veilig tot aan de overkant te komen. Deze tocht moet best traag en behoedzaam worden ondernomen, anders wint de afgrond alweer. In Bodemdrang zijn schitterende versregels te vinden, maar ze leven heel ver van elkaar, ze worden verdrongen door stoorzenders, luidruchtige fanfares die beter vlug doorstappen.


Bodemdrang, Laura van der Haar, 2014, Uitgeverij Podium Amsterdam, ISBN 978 90 5759 658 2


Frank Decerf


zaterdag 12 september 2015

22° Poëzieprijs Boontje 2016-Reglement

Zin in een literaire wedstrijd? En die ook te winnen? De poëzieprijs Boontje is aan zijn 22° editie toe. Eén ongepubliceerd en niet bekroond gedicht in te sturen voor 20/1/2016! Alle info: www.poezieprijs-boontje.be

zaterdag 5 september 2015

IJsdood - Joris Denoo

Mevrouw Jezebel Gheysens had een bijzonder eigenaardig karaktertrekje. Ze veroorzaakte graag wanorde in de wereld, zodat haar eigen puinhoopje thuis minder op zou vallen. Zo schiep ze er een waar genoegen in stiekem warenhuizen overhoop te halen. Per bezoek verhuisde ze diverse producten van hun ene vaste naar een compleet andere plaats. Rolmops zette ze tussen schoolboeken. Broccoli deponeerde ze tussen whiskyflessen. Schoensmeer parkeerde ze broederlijk naast het ijs in de vrieskasten. Ravioli trof zichzelf volgens zijn eigen verbazing tussen de parfums aan.

Op een van haar vele baldadige uitstapjes (mevrouw Jezebel Gheysens frequenteerde diverse warenhuizen in een wijde omtrek) werd ze echter zelf getroffen door een moleculair misverstand en zwaartekrachtig onheil. Met dodelijke afloop. Na hevige regen die anderhalve dag had geduurd, had het twee opeenvolgende dagen en nachten beenhard gevroren. Op het zeil van de vrachtwagen die voor haar reed, lieten grote, messcherpe ijsschotsen los. Regenwater had zich in het zeil opgehoopt en was later bevroren. Een van die bevrorenregenprojectielen belandde tegen hoge snelheid op haar gezinswagen. De voorruit werd verbrijzeld. Vervolgens werd Jezebel onthoofd door dat grote ijsmes.

Misschien was het de wraak van duizenden ontevreden klanten, die hun weg niet meer vonden in de vertrouwde rangorde van de warenhuisrekken. Of was het de wraak van de voorwerpen: regen die een andere vorm aannam en onder deze vermomming een moordaanslag pleegde op de warenhuisdaderes? Het ongeval gebeurde op een verlaten weg. De vrachtwagenchauffeur had niks gemerkt en was doorgereden. Toen men de kaduke auto en de onthoofde mevrouw erin ontdekte, was het ijs al voor een flink stuk gesmolten. Men stond voor een raadsel.


© Joris Denoo


vrijdag 4 september 2015

Recensie Frank De Vos van "Mon van Marja van Jef"

Ironie is ernstiger dan de ernstigste serieus

Auteur Will Jensen ( Berchem, 24.11.1944) studeerde talen in Antwerpen, London, Freiburg en Göttingen. Na een loopbaan in de reclamewereld, vestigde hij zich als
freelance-journalist. Sinds 2009 legt hij zich toe op het schrijven van fictie en non-fictie. (1)
Will Jensen is een meester-ironicus. Op facebook post hij dagelijks zijn onderkoelde pittigheden. Hij plaatst deze voetzoekers als een werkloze pedicure: ‘Topless zonnen is een bijna- bloot- ervaring.’
’Schat, ik heb goed en slecht nieuws. Het goede is dat de airbag werkt.’
‘Vroeger gingen we naar de knoppen. Dank zij de afstandsbediening kunnen we blijven zitten.’
‘Een pizza laat ik in vier snijden. Zes stukken krijg ik niet op.’
‘Statistieken tonen aan dat tienerzwangerschappen dalen na de leeftijd van 25.’
‘Na een paar glazen wijn werd de premier cru.’
‘Er zijn mensen die alles weten maar meer ook niet.’
‘Statistieken bevestigen dat hoofdpijn het meest gebruikte voorbehoedsmiddel is.’
‘In zijn voordracht haalde E. Vermeersch vrij zinnige argumenten aan.’

Het zijn maar enkele voorbeelden uit de eindeloze reeks van een zachte observator die bijwijlen – O Tempura, O Morse - met een maatschappijkritische glimlach op de lippen de wereld bekijkt. In “Het Groot Citatenboek van de 21ste Eeuw” van Gerd de Ley staat hij naast Harold Pinter, Alexander Solzjenitsin en Gerrit Komrij. (2)

Sterven? Dat is het laatste wat ik doe!

Mon van Marja van Jef is een persiflage op het Nieuw Testament.(3) Als vurig vrijzinnige kon hij het niet laten om de geschiedschrijving eens door een andere bril te bekijken. Het werd een sappige parodie die je van bij het begin op sleeptouw neemt. Telkens als je denkt dat je weet waar het verhaal naartoe gaat, slaat het een onverwachte weg in. Het verhaal situeert zich in Palestina dat gebukt gaat onder de brutale Romeinse bezettingsmacht aan het begin van onze tijdrekening. Voor zijn knipoog naar het huidige Israëlisch-Palestijns conflict gebruikt hij doelbewust anachronismen.
Alles draait rond Mon (Simon), de broer van Sus (Jezus). Als Sus al veertig jaar dood is, krijgt de bejaarde Mon het bezoek van Mark (Marcus). Die wil de biografie van de overledene schrijven. Als echter blijkt dat het relaas van Mark weinig of niets met de waarheid te maken heeft, besluit Mon om zelf het hele verhaal neer te pennen. Helaas wordt die schrijfmarathon hem fataal.

In een geestige, smeuïge taal laat Will Jensen de lezer kennis maken met Jef (Jozef), Marja (Maria), Magda (Magdalena) en Dasj (Judas) — om maar enkele protagonisten te vermelden — maar ook met de Platte Berg, het Zuipend Zwijn, de Zusters van Liefde en de Bende van de Bruine Gang.

De kracht van ironie.
‘Ironie is ernstiger dan de ernstigste serieus’, gaf ik als ondertitel mee. In dit boek bevestigt Will Jensen dit onvolprezen talent. Het roept eveneens herinneringen op aan het 'Het eerste mirakel van het kindeke Jezus', één van de Obscene Fabels van Dario Fo ( Nobelprijs Literatuur 1997), ooit meesterlijk vertolkt door Jan Decleir. Mon van Marja van Jef is geschreven in het sappige Antwerps dialect. Zoals elke Antwerpenaar is Will Jensen een gentleman. Ten behoeve van Antwerps-onkundigen stelde hij dan ook een glossarium, een verklarende woordenlijst ter beschikking.. Voor deze vlotte en lollige parodie verdient hij de titel doctor humoris causa. En volgens hardnekkige geruchten mogen we binnenkort een theaterversie van het verhaal verwachten.

©Frank De Vos

(1) Van Will Jensen verschenen: 24 Bv’s over erotiek (2009), God of noppes (2011), Geld&Glamour (2012), Naakt als harnas (2014)
(2) Het Groot Citatenboek van de 21ste Eeuw, Gerd de Ley, Lannoo, 315 blz ISBN 9789020987980, 19.95€
(3) Mon van Marja van Jef, Will Jensen, 144 blz, uitgave in eigen beheer, zonder ISBN 19.95€, verzendkosten inbegrepen. Te bestellen door storting van 19.95€ op rek.nr BE 04979379612131 op naam van Will Jensen, 2100 Deurne met vermelding van uw naam en leveringsadres.


woensdag 2 september 2015

Poëzieprijs 'Vrijzinnigen Bennekom' voor Hendrik Carette

De vereniging ‘Vrijzinnigen Nederland’ van Bennekom organiseerde ter gelegenheid
van ‘Vlegeldag 2015’ een gedichtenwedstrijd met als thema "Oogst". Laureaat werd de Vlaming Hendrik Carette die op deze Schaal-van-Digther-bladzijden geen onbekende is. De jury, bestaande uit Erik Lindner, Harry Oonk en Wil van Scherrenburg, omschreef zijn winnend gedicht ‘De avond na de oogst op het Ganzenhof’ als volgt: “Een stuwend gedicht dat leest als een hommage aan H.H. ter Balkt en toch voldoende eigenheid bevat. Mooi taal-en woordgebruik, mooie associaties. We vinden de voorstelling die de dichter met niet al teveel verdichting oproept getuigen van talent."

Een tweede prijs ging naar Geert Zomer (‘Dionysos’) en een derde naar Margje Memelink (‘Ondanks onze handen’). Er waren ook nog eervolle vermeldingen voor Rik Dereeper (‘Hangmat’) en Dick van Welzen (‘De Pluksters’).

Meer info: site Vrijzinnigen Bennekom

zaterdag 29 augustus 2015

Voorstelling 'Getuigenissen' van Frank Decerf

Op zondagmorgen 8 november 2015 wordt in het VLC van Oostende, Kazernelaan 1 de 3-talige dichtbundel Getuigenissen van Digther-redacteur Frank Decerf
voorgesteld.

Naar aanleiding van de 70ste verjaardag van de bevrijding van de nazi-kampen creëerde de Oostendse auteur een nieuw werk. Het betreft een reeks van 27 gedichten in de talen : Nederlands, Frans en Engels. De bundel werd verlucht met 27 miniaturen van de Ierse kunstenaar Joe Moran.

Frank Decerf schreef in het voorwoord : “Stilaan verdwijnen de laatste getuigen van een waanzinnige tijd uit onze geschiedenis, maar als de mond sluit dan kan de dichter die verstilde stem overnemen. Het is het werk van de dichter om onrecht aan te kaarten en het vergeten tegen te gaan. Straks is er niemand meer, vandaar deze reeks gedichten. Een broze poging om wat waar was als waarheid te laten overleven. De tijd zal beslissen of het allemaal de moeite was…”

Het boek werd uitgegeven bij Uitgeverij Partizaan te Oostakker. U kunt intekenen door storting van 17,50 euro op rekening : Decerf Frank IBAN 001-5218159-23 BIC GEBABEBB of via de uitgeverij .

Maak alvast een aantekening in je agenda voor 8/11/2015; u bent uitgenodigd!!!

Meer info over Getuigenissen / Testimonies / Témoignages via deze Partizaan-pagina.

vrijdag 28 augustus 2015

Knoop - Meliza de Vries


op de kaart kruis ik aan waar ik
ben geweest. met welke hand ik eet
verraadt waar ik vandaan kom.

je wijst naar het noorden, bouwt
huizen van kaneelstokjes. buiten
wachten honden met dunne vachten.

we knopen onze huiden aan elkaar
vast, doen beloftes, maken alvast
rimpels in onze hoofden.


© Meliza de Vries


donderdag 27 augustus 2015

Slaapzak - Meliza de Vries


dit is de laatste slaapzak die ik voor je koop. je vraagt
hoeveel eenden erin zijn verwerkt. ik antwoord met
synthetische woorden.

warmte is gering. de rits blijft altijd hangen door
een stukje pyjama, de binnenvoering of misschien
onoplettendheid.

je ritst de slaapzak open, negeert kapotte tandjes,
legt hem neer als een tweepersoonsdeken.



© Meliza de Vries


maandag 24 augustus 2015

Nominaties Melopee-poëzieprijs 2015

Sinds 2009 reikt de gemeente Laarne de Melopee-poëzieprijs uit. De prijs vult sinds zijn ontstaan een mooie leemte op want hij bekroont "het meest beklijvende, oorspronkelijk Nederlandstalige gedicht" dat (in het voorafgaande jaar)
verschenen is in een selectie van Vlaamse literaire tijdschriften. Aan de prijs is een geldbedrag van € 2.500 verbonden en het winnnende gedicht wordt jaarlijks samen met 20 andere genomineerden door de gemeente gepubliceerd. Het winnaarslijstje van de voorbije jaren oogt wat ons betreft al heel erg aardig. Hier volgt het:

2009: Charles Ducal met Onvoorbereid
2010: Marc Tritsmans met Geen Aanleg
2011: Erwin Steyaert met De moeder van de zelfmoordterrorist
2012: Roel Richelieu Van Londersele met Alzheimer
2013: Yannick Dangre met Vader
2014: Luuk Gruwez met Kapper

Ondertussen zijn de genomineerden voor de editie 2015 bekend. Het zijn: Bart Vonck, Christina Guirlande, Toon Van Laere, Tom Lanoye, Peter Ghyssaert, Anne Vegter, Astrid De Wancker, Fleur Bourgogne, Erick Kila, Aleidis Dierick, Patrick Cornillie, David Troch, Erna Schelstraete, Myrthe Leffring, Charlotte Van den Broeck, Runa Svetlikova, Maud Vanhauwaert, Aloys Vonckx, Menno Wigman, Charles Ducal en Elvis Peeters.

Bij de redactie van Digther kunnen we ons nogal vinden in deze selectie want niet minder dan drie genomineerden hebben hun nominatie te danken aan een gedicht dat in het voorbije jaar verschenen is op 'de Schaal van Digther'. Het gaat om de gedichten Vrede van Toon Vanlaere, Vladslo Soldatenfriedhof van Patrick Cornillie en Samen, uiteen van Bart Vonck.

Wie uiteindelijk de laureaat voor 2015 vernemen we in Laarne later dit najaar.

Meer info:
Melopee-community op Facebook
Thuissite Melopee


(P.R.)


zaterdag 18 juli 2015

Helena in Pompeï, Johan Teirlinck: Ultieme soberheid uit het onderbelichte

Recensie: Frank De Vos

Helena in Pompeï is de nieuwe roman van Johan Teirlinck (Kraainem, 19.4.1960). (1)
Hij studeerde Germaanse Filologie, Filosofie en Literatuurwetenschappen. Hij is docent, regisseur, en dichter. Hij schrijft filmscenario’s, theaterteksten, romans en essays.(2) Met sober, poëtisch proza bevestigt hij in Helena in Pompeï opnieuw zijn opmerkelijke stijl. In 2012 schreef ik over ‘Van hier tot aan de brug’, zijn vorige roman: “De korte, heldere zinnen zonder een overdaad aan adjectieven knacklauten, hameren en zorgen voor een daverend staccato-effect. Indringend…”. Ook in Helena in Pompeï blijft dit onverminderd van kracht. (3)



Ze wou iets – sterk en van een groot vuur afgescheurd… Met Borgas maakte ze afspraken voor het leven… Drie meisjes.

Helena in Pompeï is het liefdesverhaal van de dromerige Helena en de eenvoudige Borgas. Het ontwikkelt zich in dertien delen waarin gedichten met proza alterneren. Zijdelings figureren Valentin, Dimitriurk, Elvira,en Balger Kahn, die op hun beurt hun weg in het leven zoeken. Deze roman gaat over verwachtingen en desillusies, over verlies en terugvinden, magneten die elkaar afstoten en aantrekken: Alles wat verloren
is. En wat gebleven is. Tijd en verlies. Nu en later. Over het leven en afscheid nemen.
Wanneer Helena de leegte rondom haar voeten niet meer aankon en ze naar Pompeï vertrekt, een plaats die haar verbeelding had geprikkeld, volgt de catharsis. Na haar terugkomst vindt zij Papier. Met woorden. Van Borgas. Over zijn nu naar haar toe. Het romantische gedicht ‘Zeg haar niet’ met Een boodschap over tijd en ruimte heen, dringt uiteindelijk door haar pantser: Zeg haar // niet // dat ik van haar hou // en in haar bed // wanneer ze weg is // de vormen van haar lichaam // met één vinger // teken … zeg haar niet // dat ik in wind // die in bomen klimt // haar stem plots hoor // die mij vertelt // dat alles goed is // samen… dat als de nacht gevallen is// en de muren van ons huis // spreken gaan // haar geur in elke lade // haar schaduw in elke kast // haar naam op alle muren // staat gekrast… // en haar mooie benen // mijn wereld vullen // wanneer ik vanop een afstand // stiekem naar haar kijk…// zeg van de afgrond // niets // aan niemand // de afgrond // tussen haar en mij // de angst // dat ik erin verdwijn // en niets mag houden // van ons… // als je haar ziet // beperk je tot een lied… // bespreek de wereld niet… // maak bochten rond verdriet… // laat beek en wind en huis // vertellen // dat ik van haar hou // maar zeg het niet // als je haar ziet.

‘Zij waren gedoemd elkaar tegen te komen’

“Helena in Pompeï’ is verre van opbeurende literatuur en de filosofische ondertoon vergt van de lezer een inspanning. Teirlinck schildert de existentie soms op het cynische af: “Vertrouwen, onwetendheid als voornaamste wapen…Het leven als een onwaarschijnlijke kramp… Op de zinloosheid van diep witte sneeuw… Seks verzonnen door hormonen en demonen… Pogen een beter inzicht te krijgen op de diepe zinloosheid…, vechtend tegen het nu… Nu is een dief// hij geeft en neemt // wat we hebben, mogen we niet houden…”

‘Teirlinck weet als geen ander de stotteraars, die wij allen zijn, een stem te geven… zodat hun wanhopige pogingen om alles een betekenis te geven een oefening wordt in magistraal stamelen’ staat er op de achterflap te lezen. Dit ‘magistraal stamelen’ kan ik alleen maar bevestigen. Het is ronduit Indrukwekkend!

Tijdens het lezen moest ik aan twee dingen denken nl. “de onvolmaaktheid – zonder welke men / niet ademen, niet leven kan”, een vers uit ‘Afscheid’ van Maria Vasalis en dank zij het uiterst afgemeten taalgebruik aan de staalblauwe, afstandelijke pen van Ferdinand Bordewijk.

Ik dien nog aan te stippen dat het boek prachtig werd geïllustreerd met tekeningen en schilderijen van Maria Swinnen.


© Frank De Vos


(1) Helena in Pompeï Deystere uitgeverij, 225 pg, ISBN 9789079666171, 24.95€

(2) Bibliografie Johan Teirlinck:

Het actuele denken: de mentale ruimte, contaminaties en serendipiteit, eerste uitgave Acco- herdruk Deystere uitgeverij, 135 pg, ISBN 9789079666072, 19,95 euro
De wereld voor beginners: over de wereld die we dromen en waarom we hem niet willen (2010)eerste uitgave Colibro, herdruk Deystere uitgeverij, 102pg, ISBN 9789079666089, 9,95 euro
Branes: een toneelstuk (2008), Deystere uitgeverij, 58 pg, ISBN 9789079666034, 7.95€
Schitterend Werk (gedichten)(2008), Deystere uitgeverij, 70 pg, ISBN 9789079666027, 11.95€
Van hier tot aan de brug (roman)(2008), Deystere uitgeverij, 150 pg, ISBN 9789079666010, 19.95€
Tennis, het mentale verhaal: ideeën over tennis, je tegenstander, jezelf en je leven (2012), Deystere uitgeverij, 232 pg, ISBN 9789079666102, 19,95€

(3) Frank De Vos over 'Van hier tot aan de brug'

(4) Nuttige Links:
www.johanteirlinck.be
www.deystere.be


maandag 13 juli 2015

Tour de Velovino-gedichten

Nu het grote Poëtische spektakel van de Tour de France zich Richting Bergen (niet the Dutch maar the French Mountains) verplaatst, even deze mooie mededeling van Fietsvarianten-man Miel Vanstreels:

Poëtische tour 

Het Nederlandse Mergelland is een fietsroute rijker: de Tour de Velovino, een poëtisch rondje van 78 km langs 6 Zuid-Limburgse wijngaarden (Slavante, Nekum, de Planck, le Coq Frisé, St Martinus en Ceres). De route is een initiatief van Velovino, dat zich richt op fietsende wijnliefhebbers. Het vleugje poëzie wordt geleverd door acht dichters (Emma Crebolder, Frans Budé, Frits Criens, Bert Bevers, Paul Rigolle, Willie Verhegghe, Patrick Cornillie en Miel Vanstreels) en één fotografe (Nienke Jager), die een link leggen tussen wijn, fietsen en landschap. In de route zijn negen hellingen opgenomen (o.a. Loorberg, Camerig, Kruisberg, Fromberg en Sibbergrubbe). De routebeschrijving van de tour, die start en eindigt bij het station van Maastricht, kan op Velovino gedownload worden. Een wonderschoon en verrassend rondje!
(Miel Vanstreels)

TOUR DE VELOVINO POËZIE

Tour de Velovino Poëzie

‘Velovino op Buitengoed Slavante’ door Emma Crebolder
‘Nabij Hoeve Nekum en Nabij de Apostelhoeve’ door Frans Budé
‘Wijndomein De Planck’ door Bert Bevers
‘Loorberg’ door Paul Rigolle
‘Rott, Sint-Martinus’ door Patrick Cornillie
‘Fromberg’ door Miel Vanstreels
‘Mont Merlot’ door Frits Criens
‘In vino veritas’ door Willie Verhegghe


Naar Tour de Velovino






vrijdag 10 juli 2015

Aambeien

Aangetroffen

‘Eén ding is zeker: de wereld zoals wij, West-Europeanen, die al meer dan een eeuw hebben gekend lijkt fundamenteel te veranderen of veranderd te zijn. Er gebeuren dingen die we nog geen naam kunnen geven, maar we weten wel dat ze gebeuren en we hebben het gevoel dat ze wel eens onherroepelijk kunnen zijn. Zowel economisch, filosofisch, ecologisch, militair enz. De verworvenheden van de verlichting, zo lang het hart van ons denken en doen en hopen, worden in ijltempo uitgehold. Woorden als rechtvaardigheid en utopie zijn gekaapt en geperverteerd. Ook in ons land. In onze regio. In ons gewest. In onze regeringen. Spreek het woord solidariteit uit en men kijkt alsof er aambeien in je mond groeien. Perversie alom, door de staat gelegitimeerd opportunisme, exploitatie van primaire angsten, slachtofferdenken, vermengd met superioriteitsdenken, de terreur van economisch denken, een almaar explicieter gebrek aan mededogen onder het mom van noodzakelijk pragmatisme. Wij weten wat goed is voor ons. Een afrekening met alles wat weerloos is. Het systematisch demoniseren van alles wat zwak is. Divide et impera. ’


Peter Verhelst


Vindplaats: Het genre van de toekomst. Een tekst voor Passa Porta (pdf).

Meer met het "Label-Aangetroffen"

(Aangetroffen & genoteerd voor 'de Schaal van Digther' door Paul Rigolle)


maandag 6 juli 2015

Voor Hellas - Oxi! - Frédéric Leroy

Nee! Opdat dit land geen lege doos zou zijn
maar een opstandig, rammelend kerkhof,
een plek om wijn te morsen, broederlijk
armen over schouders te slaan, demonen
uit de voorvaderlijke grond te stampen.

Nee! Omdat dit leven in de moederschoot,
deze bottende schandpaal, geen snelweg
naar de dood is, maar een feestkalender,
omdat we tussen de maaltijden bereid zijn
de kroonschatten van dit bestaan te dragen.

Nee! Omdat waarde schuilt in het woord
van het orakel en in de adem van de zee
die meeuwen en molenwieken vaart geeft,
nooit in de tijdelijke wetten van tirannen
of in het dragen van gestreken uniformen.

Nee! Opdat dit Hellas geen staat zou zijn
van onderdrukten, enkel van de goden
een overwogen handdruk in het blauwe
afwassop van Europa, een halsketting
van aaneengeregen eilandgedachten.

Nee! Omdat grenzen denkbeeldig zijn,
we allen drieste Bulgaren zijn in de harten
van Australiërs, argonauten en nomaden
langs de paden van het wildvee, met hoop
in de harten, op zoek naar oorsprong.

Nee! Opdat je altijd één van ons zou zijn,
iedereen je naam zou dragen: Vrijheid.


© Frédéric Leroy


Geschreven in 2005, nu exact 10 (!!!) jaar geleden

Frédéric Leroy, "Gedichten", 2005, Uitgeverij De Contrabas, p.26)

In de Digther-rubriek:"Heropgefrist".


zaterdag 4 juli 2015

Recept om iets gedenkwaardigs te maken

Notitie bij de opening van "Ivo Michiels. Tussen Woord en Beeld"

Men neme een bibliothecaris. Niet zomaar een bibliothecaris. Nee, nee. Men neme één van de allerbeste die je kunt vinden. Men neme Jan - Jantje Bib - Van Herreweghe, van de Bib van Harelbeke. En daarna neme men een auteur die nooit zal sterven in het hoofd, niet zomaar een auteur, nee, nee. Maar een auteur die het voorwerp uitmaakt van menige lezerspassie en verzamelwoede. Een auteur waarvan men niet zijn losse boeken leest maar zijn oeuvre! Men neme Ivo Michiels waaraan jij en waarin ik, waaraan iedereen die schrijft, of niet schrijft, meer dan schatplichtig is. En dan kijk je toe hoe men met het werk begint, hoe men de krachten aanbindt én met inzet van al de passie die in een mens voorradig is, iets "gedenkwaardigs" realiseert... En het gebeurt! Het is gebeurd. Je kunt gaan kijken. Je kunt het zien in Harelbeke. Invloeden, schilderijen, grafici, kunstenaars, filmfragmenten, handgeschreven brieven, gadgets, eerste drukken, foto's... Alles is rond Ivo Michiels in een tentoonstelling bij elkaar gebracht. "Tussen woord en beeld" is een expo die staat als een huis in een huis vol boeken...

Gisteren was ik met genoegen op de vernissage. Ik zag dichters, schilders, grafici, sociaal inspecteurs, galerijhouders, essayisten, sterkhouders... Ik zag mensen met een lezersblik. Anderen met een leesbril. Dames met én zonder oranje handtas.
Mannen, zwetend in de tijd. Vanwege de heel erg milde zomeravond - het leek wel Provençaals, maar dan zonder krekels - gingen de openingstoespraakjes door op het middenplein van de bibliotheek en "Het Spoor". Vlak in de buurt hoorde je af en toe een trein denderend aankomen in Harelbeke. Een andere vertrok. Even zwegen we dan, tot het geluid was uitgeraasd. Lars Bernaerts situeerde Ivo Michiels in de tijd. Sigrid Bousset maakte fraaie biografische kanttekeningen en Christiane Faes, Ivo's echtgenote ontroerde ons en mij om zoveel aanwezigheid van de schrijver levendig en vanaf de overkant weer op te roepen. En plots hoorde ik een schaterlach die van over de onzichtbare velden kwam, alsof de Meester zelf kwam zeggen dat het goed was.... Een lach als een handtekening. Minister Sven Gatz en schepen van cultuur Annick Vandebuerie hadden enkel de tentoonstelling "Tussen woord en beeld" nog te openen.

Mag ik jullie deze prikkelende tentoonstelling met werk van de schrijver, van zijn vriend Jef Verheyen en van al die verwante kunstenaars waarvan hier - tussen de Harelbeekse boeken door - werk verzameld is (Alechinsky, Dille, Fontana, Ibou, Jorn, Lismonde, Szukalski, Vandenbranden en Verstockt...) eventjes heel erg aanbevelen. Ja dat mag ik! Een tripje naar Harelbeke, moet - zo vinden wij hier - echt wel kunnen, deze zomer.

Paul Rigolle

Op de foto: Christiane Faes tijdens haar mooie getuigenis.

Extern:
Ivo Michiels. Tussen woord en Beeld. 3 juli - 26 augustus 2015 Bibliotheek Harelbeke, Eilandstraat 2 - 8530 Harelbeke.
www.bibliotheekharelbeke.be


donderdag 25 juni 2015

Wormgoor on the road

Han van der Vegt, auteur en dichter van epische en andere gedichten, laat u en mij weten dat hij samen met Jan Frans van Dijkhuizen een cd maakt met opnames van
zijn gedicht Wormgoor en de Wormgoorsuite. Om een deel van de financiering te regelen gaat ie graag voor u en voor ons “on the road”. De optredens die amper 150 euro kosten, kunnen overal plaatsvinden; in een huiskamer of in een zaaltje. Het idee is om de cd, die ook los verkrijgbaar zal zijn, bij te sluiten bij de volgende dichtbundel van Han van der Vegt. Dit mooie plan wordt toegelicht op de website van de dichter. Aldaar kun je ook de Wormgoorprequel van Jan Frans van Dijkhuizen beluisteren, mét de stemmen van Hélène Gelèns, Kees 't Hart, Rozalie Hirs, Erik Lindner en Ben Zwaal.

Het gedicht Wormgoor is het verhaal van Orfeus en Eurydice, geschreven in de vorm van een handleiding voor een computergame. In een hel van ontzielde lichamen gaat Orf op zoek om zijn geliefde Ryddic te bevrijden uit de klauwen van Wormgoor, de heer van ontbinding. De Wormgoorsuite is een compositie geschreven in het idioom van minimal music.

Een idee misschien voor wie van een koele zomeravond gebruik wil maken om ’s binnenshuis iets poëtisch te organiseren… Al moet je toch wel even opletten want de combinatie van de Wormgoor Roadshow met sterke drank of andere geestverruimende middelen wordt sterk afgeraden.

Meer info: http://www.hanvandervegt.com/wormgoorroadshow.html

(Paul Rigolle)


zaterdag 20 juni 2015

dinsdag 9 juni 2015

De Queeste naar de lezer (6/6)-Alain Delmotte

Aflevering 6

NIEMANDSLANDEN


Zoals ik heb aangegeven lag het niet in mijn bedoeling om binnen deze notities expliciet een polemische houding aan te nemen. Daarom repte ik met geen woord over wat ‘het literair systeem’ wordt genoemd. Noch minder wou ik uitspraken doen over het literaire beleid en de geldkwesties in dit verband. Met een grote bocht ging ik langs het pedagogische heen en de eventueel te volgen strategieën om het lezen van poëzie te stimuleren of te onderwijzen. Niet omdat ik de discussies in dit verband onbelangrijk of onbenullig zou achten. Zeker niet. Maar dit was hier niet mijn bezorgdheid. Mijn vraagstelling was niet literair sociologisch, ging niet over literaire politiek. Mijn vraagstelling was ontologisch: wat zou het zijnswezen van de poëzie kunnen zijn en de betekenis ervan, het nut voor de lezer? Open vragen waarvan ik wist dat de antwoorden zouden uitblijven, maar die ik alleen met zorg en omzichtigheid heb willen benaderen. De sociologische benadering mag ons binnen de talrijk gevoerde debatten niet beletten om de open vragen in verband met de (menselijke) bestaansreden van de poëzie niet voor ogen te houden. Niet meer dan dat heb ik willen aangeven.

Ook ten aanzien van het puur poëticale heb ik afstand genomen. Ik besef evenwel dat mijn ontologische vraagstelling, zoiets als elementen van een poëtica bevat. Het laatste punt dat ik ter sprake wil brengen, brengt ons wel erg op het domein van de poëtica. Het lijkt mij onvermijdelijk. Ik wil hier nog iets kwijt over het oude, in de voorbije halve eeuw steeds terugkerende debat dat onder meer ooit door Hugo Brems (in de jaren tachtig van de voorbije eeuw) werd aangegeven als ‘open’ versus ‘gesloten’ poëzie. In sommige dichtersmonden ‘toegankelijke’ en ‘ontoegankelijke’ poëzie geheten. (Maar zoals het citaat van Ten Berge al aangaf, dateert die kwestie al van veel langer.)

Toegankelijk en ontoegankelijk. Twee begrippen die een dichotomie aangeven die ik niet deel, die mij bedroeft. Het lijkt wel of het over twee apart opererende werelden gaat. Twee poëtica’s die niets met elkaar zouden delen. Twee poëtica’s zonder doorsneden. Voor mij maken beide poëtica’s deel uit van het grote domein, het grote niemandsland dat de poëzie is en die uit meer dan twee poëtica’s bestaat. Er zijn tussenvormen, andere verschijningen te ontwaren. Niettemin, pour le besoin de la cause, ga ik toch pragmatisch verder uit van het gegeven dat die dichotomie er zou zijn.

De ontoegankelijk genoemde poëtica (‘ontoegankelijk’ is een onverbiddelijke term die vooral door de zichzelf toegankelijk beschouwende dichters wordt gebruikt) is er een die meer de klemtoon legt op de formele en structurele aspecten van het gedicht. Een poëtica, zoals bekend, die zich meer op het taalmechanisme en –proces zelf richt.

En de toegankelijke genoemde poëtica (waarbij de ‘ontoegankelijke’ dichter zich inderdaad vaak aanmatigend over uitlaat) vertoont een loyalere houding ten aanzien van de traditie en staat een wat directere coherentie en ordening voor, zij het met de nodige en onontbeerlijke aandacht voor taal.

Ik blijf erop aandringen dat poëzie voor mij in wezen altijd complex moet uitvallen, dat het die complexiteit is die haar in al haar broosheid waardevol maakt – dat is en blijft mijn uitgangspunt, mijn apriori. Ik denk evenwel dat dit geldt voor zowel de ‘ontoegankelijke’ als ‘toegankelijke’ poëzie. In de kern is hun wezen hetzelfde. Maar ze zien er wel anders uit.

Ik wil dit kort met een voorbeeld illustreren. Neem nu Toon Tellegen, een door vele lezers geliefd dichter en die zich, bij mijn weten, ver van literaire slagvelden heeft gehouden. Van Tellegen mis ik zelden een bundel. Bestaat er een simpelere, toegankelijkere zegging dan deze waarvan Tellegen gebruik maakt? Zijn gedichten zijn quasi in dezelfde taal als die van zijn kinderboeken geschreven. Of zou het zijn kinderboeken zijn die in dezelfde taal als zijn gedichten zijn geschreven?

Hoezeer zijn tot de nok met melancholie opgevulde gedichten gelaagd zijn, besef je als lezer maar als je ze moet gaan resumeren. Meestal zijn Tellegens bundels thematisch-conceptueel van aard. Het uitgewerkte motief valt zonder moeite aan te wijzen. Maar het onvatbare, het onzegbare dat er tot in de diepste plooien verwerkt is en geëvoceerd wordt, is zo goed als niet na te zeggen: het ontbreekt ons aan adem en woorden als je die teksten wilt gaan objectiveren – je moet het bij de gedichten laten, bij hun adem en hun woorden. (Overigens steekt in wat we aan adem hebben, aan ademhalen niet al het onzegbare?). De gedichten van Tellegen zijn spinsels vol wendingen en paradoxen, gevoelsmatig en bedacht. Je raakt er vaak als lezer niet uit, terwijl het lezen van die gedichten zo vanzelfsprekend blijft, ons zo uit zichzelf aanspreken. Een poëzie waarin het ongebondene zijn werk doet, maar je stoot je evenzeer aan de impasses. Een dubbelzinnigheid, een warrigheid die me bundel na bundel steeds weer verrast.

Daartegenover plaats ik Paul Celan. Celan drukte zich in een extreem getraumatiseerde taal uit, die bundel na bundel steeds woeliger en radelozer werd. (Levinas noemde zijn poëzie: ‘De l’insomnie dans le lit de l’être’ – ‘Slapeloosheid in het bed van het zijn' (1). Nochtans zijn er maar weinig dichters met zo’n diep snijdende nood aan dialoog, voor wie poëzie een overlevingskans was. Voor hem – zoals ik al eerder opmerkte – was er geen verschil tussen een gedicht en een handdruk. Ich sehe keinen prinzipiellen Unterschied zwischen Händedruck und Gedicht (2). De ontvankelijkheid van de lezer waarop Celan hoopt, wijst hij als een fysieke, intuïtieve ontvankelijkheid aan: een capaciteit die hij in iedereen aanwezig achtte.

Celan werd duisternis aangewreven (maar was het duisternis? was het niet eerder een donkere aswolk?). Sommige critici namen hem zijn abstraherende metaforiek die volgens hen te zeer zijn gedichten zou omsluieren, kwalijk. Het is opmerkelijk hoe verontwaardigd Celan daar telkens op reageerde, hoe deze bewering hem beproefde. Het klinkt bijna smekend: ‘Lesen Sie! Immerzu nur Lesen: das Verständnis kommt von selbst.’’Lees! Herlees: het begrip komt vanzelf’. Eén van de Franse vertalers van Celan, Jean-Pierre Lefebre, noteert dat ‘begrijpen’ in het geval van Celan, hoe dan ook een andere kijk op het gedicht impliceert: het gedicht is niet uitsluitend de expressie van iets, maar evenzeer de zoektocht naar iets: comprendre (...) que la poésie ne soit pas d’expression, mais de recherche’(3). Begrijpen is een dynamisch proces, iets wat laveert tussen intuïtie en intellect. Tussen lezen en herlezen, en blijven herlezen. In poëzie schakel je niets uit, je schakelt alles in: intuïtie en intellect, tastzin, oog en oor, beschouwing, emotie, geheugen en wat nog meer. (Want dit maakt nu precies haar complexiteit uit.) Als poëzie stem is, dan begint begrijpen met het exact capteren van die stem. ‘Begrijpen’ is een zoektocht naar de onbereikbare graal van het ‘integraal begrijpen’: elk gedicht draagt nu eenmaal ook een portie schaduw mee. Zoals het bestaan zelf. Zou het?

In verband met zijn beroemde gedicht ‘Todesfuge’ heeft Celan altijd hardnekkig beweerd dat er niets metaforisch of abstracts aan was, dat elk woord ervan wel degelijk naar een concrete invulling verwees. Wat was dan bijvoorbeeld de concrete invulling van ‘Schwarze Milch’ in dat gedicht? Celan heeft het nooit aangegeven. Wellicht om de afstand en het juiste evenwicht tussen het ‘ik’ en het ‘niet ik’ niet te verbreken: hij laat die invulling open. Omdat expliciete anekdotiek al te zeer die openheid (die ook een (moeilijke)vrijheid impliceert), zou hebben geschaad? ‘Het woord is een Psyche’ schrijft Mandelstam in het woord en de cultuur ‘Het levende woord is niet de aanduiding van een voorwerp: het kiest in vrijheid, als om erin te wonen, deze of gene objektieve betekenis, iets concreets, een dierbaar lichaam.’ (Natuurlijk - nieuwsgierigheid is onze aard - zijn er allerlei speculaties geweest naar de niet metaforische betekenis van die ‘zwarte melk’. Een ervan hou ik alvast als plausibel, of had ik graag als plausibel gehouden: in een Nazi-werkkamp zou Schwarze Milch de spottende naam geweest zijn die joodse gevangenen bedachten voor de bocht dat ze te vreten kregen (4). Dat is anekdotiek. In wezen helpt het ons niet echt vooruit. Ik hou het bij de gedachte dat die zwarte melk best wel inkt zou kunnen zijn. Of iets anders: weinig voedzame, vloeibare as bijvoorbeeld, al is dat dan waarschijnlijk weer veel te metaforisch.)

Laten we het op het volgende houden: hoe verregaand het verstommende zich ook in Celan heeft opgedrongen, nergens heeft hij er blijk van gegeven om zich moedwillig van en voor de lezer af te sluiten.

Tellegen en Celan, twee uitersten? Ze zijn absoluut niet met elkaar te vergelijken. En toch benaderen ze elkaar, ontmoeten ze elkaar in het niemandsland van hun complexiteit, in hun, weliswaar anders in hun schriftuur voordoende, gelaagdheid: op het niveau van wat niet gezegd kan worden, wat geen stem kan krijgen. Iets waarvoor geen woord bestaat maar enkel maar adem is. Vormelijk dragen zij dat compleet verschillend uit maar het poëtische gebaar blijft hetzelfde.

Toegankelijk, niet-toegankelijk. Twee punten op dezelfde lijn: er is niet meteen een duidelijk, voor de hand liggende grens tussen beiden; er is veel niemandsland tussen beide poëticale benaderingen. Soms ontmoeten ze elkaar wel eens. Al dan niet confronterend. Bovendien gebeurt het vaker dan dat beide partijen willen toegeven. Maar aan beide kanten loert een risico. Bij de ene is dat het goedkope effect (het over-sentimentele, de slogan, de one-liner, de woordspelige grap). Bij de ander een te flagrant intellectualistische charade. In beide gevallen levert het teksten op die van mij afglijden. Ik vertolk een eigen standpunt en verwachting. Primordiaal komt het er voor mij op neer dat, hoe ondoordringbaar een dichter ook kan uitvallen, het zoeken naar eenvoud centraal moet staan. Eenvoud die door Roland Jooris ooit gevat al volgt werd gedefinieerd: ‘Eenvoud is gedepouilleerde complexiteit’.

De al genoemde René Char, door velen als een extreem hermetisch bestempelde dichter, legde zijn teksten, voor eerste lezing, vaak aan een herder voor.

Er is volgende uitspraak van de fijnzinnige Max Jacob. ‘J’essaie toujours l’effet d’une phrase sur une personne imaginaire qui serait une très humble campagnarde; je la parle au-dedans de moi-même comme si je m’adressais à une cuisinière’(5). Ik probeer altijd het effect van een zin op een verbeeld iemand uit. Iemand die een zeer nederige boerin zou zijn; ik praat dan vanuit mezelf alsof ik me tot een gewone kokkin richtte.’ Toegegeven: de ironie van Jacob is subtiel want het evenwicht tussen ernst en ironie is wankel en precair: daar tussenin huist ‘tristesse’.

Ik herinner me een bijna hulpeloze en hulpeloos makende uitspraak van Annie Reniers, een zeer filosofisch maar uitermate naar de dialoog gerichte dichter. Toen na een lezing, de opmerking vanuit het publiek werd gemaakt dat haar poëzie toch o zo moeilijk was, kon je haar horen verzuchten terwijl ze daarbij zonder geveinsde pathos haar beide handen voor het gezicht hield: ‘En nochtans betracht ik de zo grootst mogelijke eenvoud.’ Als een dichter een gedicht schrijft dan gaat daar geen marktonderzoek aan vooraf. Als een dichter een gedicht schrijft dan kan hij een gedicht naar iemand toe schrijven – willekeurig vanuit een verte naar een andere verte toe, zowel binnen als buiten de grenzen van het niemandsland dat de poëzie is. De dichter (die voor deze weg kiest) is op zoek naar een gespreksgenoot en wie die wordt daarover beslist de dichter niet. Het is het toeval dat de gespreksgenoot doet treffen: wat alles open laat – ongebonden (en hiermee trouw aan haar eigen ongebondenheid) laat het gedicht het toeval toe, tot het toeval toeslaat, tot het gedicht iemand overkomt: een jij die in potentie een ik-jij kan worden. Hoe, wanneer en waar dit zich voordoet, is niet te voorspellen. Daarvoor is er geen (morele) norm, daarvoor is geen plek of een precies tijdstip voor te voorzien. De Onberekenbaar Tegenwoordige Tijd is de werkwoordsvorm waarvan het gedicht gebruik maakt. Laten we tot slot het gedicht de as van zich afschudden. Laat het zich een weg zoeken in de wereld, in het lopende nu. Het ligt binnenin het gedicht te smeulen, het ligt binnen het gedicht gesmeed: het verlangen om aan te spreken, om te participeren in wat in de wereld leeft. Met wat de wereld aan leven verwekt. Een leven dat mee het gedicht tot iets ongehoords in het voorlopige maakt. Een leven dat verlangt, dat bevrucht.

Het gedicht is iets wat verlangen doet duren: lezer, ‘- Hypocrite lecteur, — mon semblable, — mon frère!,’ - lezer laat het gedicht met wat het aan verlangen en leven te bieden en te geven heeft in jou duren.


© Alain Delmotte

________________________
(1) Emmanule Levinas ‘Paul Celan, de l’ëtre à l’autre’1, Editions Fata Morgana, 2002
(2) Die "Spur" im Werk Paul Celans – Google books
(3) Paul Celan, Choix de poèmes, traductions en presentator de Jean-Pieere leefbare, Poésie/Gallimard, 2007
(4) John Felstiner, Paul Celan; Poet, Survivor, Jew, Yale University Press, 1995 P.33
(5) in Max Jacob, Béatrice Mousli, Grandes BIographies, Flammarion,2005


Alain Delmotte: De queeste naar de lezer:
* Ma 4/5/2015: Aflevering 1: Van geschreven tot gelezen
* Ma 18/5/2015: Aflevering 3: De ander
* Ma 25/5/2015: Aflevering 4: Het poëtische gelijk
* Ma 1/6/2015: Aflevering 5: De ontmoeting met de tijdgenoot
* Di 9/6/2015: Aflevering 6: Niemandslanden




maandag 8 juni 2015

Robert Desnos (1900-1945)

De boekenbijlage van le Monde maakte er vrijdag (5/06) al een item van: "zeventig jaar geleden (op 8 juni 1945), overleed de Franse dichter Robert Desnos".
Hij was anderhalf jaar eerder door de Nazis opgepakt omwille van verzetsactiviteiten. Hij stierf, enkele dagen na zijn bevrijding, in Theresiënstadt (Terezin, waar hij na een ‘dodenmars’ terecht was gekomen) aan tyfus en uitputting. Bij de bevrijding werd een foto gemaakt die ik als één van de meest schokkende uit de literatuurgeschiedenis ervaar. Op de foto leunt Desnos tegen de man die een zwarte vest draagt, aan.

Robert Desnos nam actief deel aan het surrealisme van de twintiger jaren. Met twee publicaties hielp hij het surrealisme groot maken: het cultboek ‘La liberté et l’amour’ en de wonderbaarlijke reeks ‘A la mystérieuse’, een hoogtepunt in de Franse liefdespoëzie. Later volgde hij andere wegen: klassiekere vormen kregen een plaats in zijn poëzie. Zoals bijvoorbeeld het ‘Complainte de Fantomas’, waarop Kurt Weil muziek componeerde (http://www.bide-et-musique.com/song/15021.html). Maar het ludieke altijd vindingrijke woordspel uit zijn surrealistische periode blijft hem kenmerken.Hij schreef romans. Was een radioman. En een actieve anti-fascist.

Hij werd immens populair vanaf de jaren 40/50 toen enkele van zijn gedichten in chansons werden omgezet en deel gingen uitmaken van het repertoire van onder meer Julliette Gréco en Yves Montand. Ook enkele van zijn kindergedichten uit ‘Chanteflables’ en ‘Chantefleurs’ zijn op de lippen van nu al vele generaties Franse scholieren blijven plakken.

Het verzetsgedicht ‘Le veilleur du Pont-au-change’ verhief hem na de oorlog tot de status van Nationaal monument.

Toeval of niet maar onlangs verscheen bij Druksel een vertaling van enkele van zijn gedichten. Gezien de zo op het woord- en klankspel gerichte, virtuoze poëzie van Desnos zal dat geen sinecure zijn geweest. Vertaalster Katelijne De Vuyst haalt een krachttoer uit! Ze slaagt erin om voor het Nederlands adequate equivalenties voor het Frans te vinden. Ik zou haar vertaling een verdichting durven noemen. Niettegenstaande er niet fundamenteel van het oorsponkelijke model wordt afgeweken.


L’OISEAU MÉCANIQUE


L’oiseau tête brulée
Qui chantait la nuit
Qui réveillait l’enfant
Qui perdait ses plumes dans l’encrier
L’oiseau pattes de 7 lieus
Qui cassait les assiettes
Qui dévastait les chapeaux
Qui revenait de Suresnes

L’oiseau l’oiseau mécanique
A perdu sa clef
Sa clef des champs
Sa clef de voûte

Voilà pourquoi il ne chante plus


© Robert Desnos


DE OPWINDVOGEL


De vogel was een wildebras
Die ‘s nachts zijn liedje floot
Die het kind wakker zong
Die zijn veren in zijn inktpot verloor

De vogel met zevenmijlspootjes
Die de borden stukbrak
Die de hoeden sloopte
Die uit Menen weer was gekomen

De vogel de opwindvogel
Is zijn sleutel kwijt
Zijn weg naar buiten
Zijn sleutelsteen

Daarom zingt hij niet meer


© Robert Desnos


Gedicht uit: ‘Literatuur en andere gedichten van Robert Desnos’, vertaling Katelijne De Vuyst en te verkrijgen via www.druksel.be

Bron foto: http://desnos.1944.1945.over-blog.com/la-derniere-photo


Alain Delmotte