donderdag 21 juni 2018

Tegen de dood - Hendrik Carette

Ik ren voor de Dood uit, ademloos. 
Gerard Reve 

Samen met Elias Canetti vecht ik nu tegen de dood, want vandaag (20 maart 2018) kocht ik zijn boek Das Buch gegen den Tod (Amsterdam : De Arbeiderspers, 2016), weliswaar in de Nederlandse vertaling van Ria van Hengel, in de reeks van het privédomein. Ik ben nu oud genoeg om ook dit boek te lezen. En tegen de dood te leven.

*
Alle Serapionbroeders zijn nu dood. In 1921 in Sint-Petersburg werd deze groep Russische schrijvers opgericht. Michaël Zosjtsjenko was een Serapionbroeder.
*
Hans Groenewegen was een groot lezer. En ik las graag zijn essays in zijn boek De lezer (Groningen: Historische Uitgeverij, 2015), maar hij is al dood en hij schreef over dichters zoals Kees Ouwens, Hans Faverey, Lucebert, Cor Jellema en Riekus Waskowsky die allen ook al dood zijn. Wie zei ook weer; un poète doit rester vivant
*
Jorge Luis Borges is helemaal nog niet dood. Hij is de eeuwige en enige bibliothecaris van de Grote Bibliotheek in Alexandrië.
*
De abrupte dood van Bruce Chatwin in 1989 was geen goede dood. Zijn boeken zoals o.m. Anatomie van de rusteloosheid (1995) en Wat doe ik hier (1995) waren lange tijd, en misschien nu nog, de boeken die mij in leven hielden in de vorige eeuw. Ik denk dat ik al de zes of zeven boeken heb gelezen van deze charmante en unieke verhalenverteller en wereldreiziger (hij reisde doorheen Patagonië, Soedan, Afghanistan, Wales en Australië) die stierf in Nice. Zijn schrijversleven begon in Patagonië met zijn boek In Patagonia dat in 1977 bij Jonathan Cape in Londen werd uitgegeven en toen jaar later volgden nog The Songlines en al zijn andere unieke meesterwerken en in 1986 zelfs nog Patagonia Revisited samen met zijn goede vriend Paul Theroux die nog altijd schrijft en leeft.
*
De grote lezer van Céline, La Fontaine, Rimbaud en Nietzsche is de Franse acteur en ook met een nu haast ouderwets geworden woord de voordrachtskunstenaar of misschien beter de recitant Fabrice Luchini (°Parijs, 1951) en hij vertelt over zijn oudere broer die sprak van La mort dans le slip…La mort dans l’âme was mij al bekend, maar deze dood nog niet.
*
De dichter voegt niet de daad maar de dood bij het woord.
*
Het meest suggestieve, klankrijke en lugubere Nederlandstalige gedicht van de vorige eeuw is het gedicht ‘Sterven te Antwerpen’ van de dichter Maurice Gilliams. De eerste strofe van dit sonore sonnet begint aldus:

De stenen engel aan de Cathedraal
heft zijn balans te middernacht voor die bezwijken.
Het heir der luizen kraakt. De katten zijken
in kromme gangen waar geen tocht door jaagt.


Amai, wat een superieure toon en wat een stringente verzen; dat is nog eens iets anders dan de vele verzen van vele andere dichters die slechts de toon van zieke en verwarde sentimentele stamelaars laten horen.
*
Bernard Groethuysen werd in 1880 geboren in Berlijn en stierf in 1946, mijn geboortejaar, in Luxemburg. Zijn vader was een Nederlandse arts en zijn Russische moeder luisterde naar de roepnaam Olga. Op de boulevard Raspail in Parijs, in de boekhandel van het prestigieuze uitgevershuis Gallimard kocht ik twee boeken van deze filosoof en socioloog die hier bijna niemand kent. Pas in 1947,één jaar na zijn dood verscheen postuum Mythes et portraits met niet minder dan twee inleidingen (één préface van Jean Paulhan en een avant-propos) en zijn dof glanzende essays over Sint Augustinus, Meester Eckhart, Goethe, Kafka, Hölderlin, Bayle en Carolus Bovillus.
*
De voorbije jaren leerde ik dankzij George Steiner ook de kleurrijke Franse filosoof, hoogleraar en journalist Pierre Boutang (1916-1998) kennen. Was hij een fascist? In elk geval was hij een felle monarchist en een volgeling van Charles Maurras van de Action Française. Zijn monumentaal opus heeft als titel Ontologie du secret (1973) . Wie dit ontzaglijk moeilijke boek kan lezen en ontleden is geen gewone lezer meer, maar wordt al lezende een echte geniale erudiet. Heel het leven van Boutang lijkt trouwens op een harde strijd tegen de onvermijdelijke onoverwinnelijke dood.
*
Wie de waarde van de mythen wil bestuderen moet de studies van de Duitse hellenist Walter F. Otto bestuderen. De antieke Griekse mythen zijn nog lang niet dood.
*
Toen ik nog jong was las ik het boek La mort de Céline (Parijs: Christian Bourgois, 1966, in 1969 uitgegeven als goedkope pocket) van de politieke avonturier (hij was in Lissabon en de Portugese kolonie Angola om de nationalistische rebellen te steunen), unieke uitgever (éditions de l’Herne) en auteur Dominique de Roux die boeken schreef over de Amerikaan Ezra Pound en de Pool Witold Gombrowicz. Zijn zoon Pierre-Guillaume de Roux is nu ook uitgever en evenals zijn vader een verrassend goede Franse uitgever.
*
Dat de wonderzinnige Jozef Deleu (°Roeselare, 1937) zolang blijft leven is een zegen voor de hele Nederlandstalige poëzie. Wie anders heeft Het Liegend Konijn opgericht en als enige redacteur al vijftien jaargangen laten verschijnen. Ik vrees echter dat na zijn dood ook deze Vlaamse reus voorgoed zal verdwijnen.
*
In het prachtboek Ik kan de Muzen niet haten (Groningen: Historische Uitgeverij, 2004) van de eminente latinist en vertaler (goede vertalers zijn altijd goede lezers!) Piet Schrijvers staat een hoofdstuk met als titel ‘Een dode spreekt’; een bevlogen essay over de hekserij en magie in het epos van de Romeinse dichter Lucanus. Een dode kan natuurlijk niet meer spreken. Maar in de letteren kan alles. En het is een waar prachtboek. Ik geef u nog de ondertitel: ‘over poëtische geestdrift en stoïcijnse standvastigheid’.
*
In het essay ‘La vie de Goethe’ schreef Bernard Groethuysen: La vie est toute en surface, la mort en profondeur. L’une, c’est le temps et l’autre l’éternité.
*
Het nieuwe belangwekkende boek van de hier in Vlaanderen veel te weinig gewaardeerde Nederlandse auteur Kester Freriks (°Djakarta, 1954) is Stilte, ruimte, duisternis (Amsterdam: Athenaeum- Polak & Van Gennep, 2018) en het is een mooi meditatief driedelig boek en in het derde deel vond ik op pagina 233 e.v. dit over de dood en ik citeer: ‘De Engelse dichter Edward Young publiceerde tussen 1742 en 1745 zijn epische vers The Complaint, or Night-toughts on Life, Death and Immoratlity, vertaald in 1790 door Joannes Lublink als Nachtgedachten van den heer Eduard Young. Deze Nachtgedachten vormen een ode aan het diepste, angstaanjagende duister en vormen een keerpunt in het denken over de nacht: het rauwe van de nacht is juist aanlokkelijk, het diepste duister verleidt en roept ons nader: Wat een afschuwelijke vreugde! Wat een vrijheid van de geest! / In het duister ziit ik niet gevangen;/ Ik ben er juist door beschut. ‘ En dan schrijft Kester Freriks terecht : In Nachtgedachten wordt de angst voor de dood beschouwd als een dwaling van de menselijke verbeelding.
*
De geestige, lucide en charmante Charlotte Mutsaers schreef een ontroerend en schokkend boek met de vreemde titel Harnas van Hansaplast (Das Mag, 2017) over de eenzaamheid en het leven en vooral over de dood van haar broer Barend Mutsaers in de stad Utrecht. Haar boek is meteen ook een mooi pleidooi tegen de domme, domme dood.
*
De voorbije maanden las ik weinig over de cerebrale lyriek en het cerebrale proza van de causeur, dichter, essayist, inleider, kroniekschrijver, memorialist, polemist en redenaar Henri-Floris Jespers (°Etterbeek, 1944- Antwerpen, 2017). Hij was directeur en stichter van uitgeverij Monas, Gouverneur van de Pink Poets, perschef en woordvoerder van minister Hugo Schiltz, hoofdredacteur en stichter van het letterkundig tijdschrift Diogenes, voorzitter van de Vereniging van Vlaamse Letterkundigen en later uiteraard erevoorzitter, fiere bewoner van het Antwerpse vaderland, redacteur van ça ira (het bulletin voor de nagedachtenis van de Franstalige Antwerpse dichter Paul Neuhuys), oprichter van het Centrum voor Documentatie & Reëvaluatie …al deze functies (en ik vergeet er nog!) en toentertijd ronkende eretitels kunnen niet verhelen dat deze unieke letterkundige blijkbaar al weer bijna is vergeten. Het huis op de Marialei is verzegeld en ook de monden van al die zelfvoldane letterkundigen blijven dichtgenaaid of verzegeld. De grote dame Marguerite Yourcenar schreef het al aan het eind van haar boek Feux (1957): Je ne me tuerai pas. On oublie si vite les morts. En nog beter; aan het eind van haar geniaal meesterwerk Memoires d’Hadrien (1958) luidt de magistrale slotzin: Tâchons d’entrer dans la mort les yeux ouverts

© Hendrik Carette
Schaarbeek, maart-april 2018

zondag 17 juni 2018

Carol Deutsch - De Joodse vriend van James Ensor

Van de Oostendse auteur Etienne Van den Steen verschenen in de rubriek De Boekhouding van de VVL eerder recensies over zijn poëziebundels. Na het schrijven van een aantal filmscenario's zoals Jimmy, Kamiano, a Kingdom without Mirrors en De Blieckaert is er van zijn hand bij uitgeverij Devries-Brouwers nu ook de biografie over de kunstschilder Carol Deutsch, vriend van James Ensor.
De auteur plaatst zijn hoofdpersonage in een authentieke context waardoor we meer te weten komen over de vele persoonlijkheden die in het Oostende van de jaren 30 hun artistieke stempel drukten. Daarnaast krijgt de lezer een duidelijk beeld van het oeuvre van Carol Deutsch.
De man, geboren in 1894 te Antwerpen, begon pas laat met schilderen nl. op 28-jarige leeftijd. Het is de kracht van dit lijvig boek (284 blz.) om Deutsch als kunstenaar uit de anonimiteit te halen. Dat was een van de redenen om via intense studie en gedegen opzoekingswerk tot deze publicatie te komen. Etienne Van den Steen heeft er zijn werk van gemaakt. De kunstenaar Carol Deutsch produceerde heel wat in een toch vrij korte periode. Op de vlucht voor de Nazi’s vond hij relatieve rust in Oostende. Tijdens het Interbellum was de artistieke activiteit in Oostende vooral geconcentreerd rond de figuur van James Ensor en de Galerie Studio. Het was daar dat vele (nu) bekende namen elkaar troffen. We denken daarbij ondermeer aan Ensor zelf, Félix Labisse, dichter Henri Vandeputte en boekhandelaar Mathieu Corman.

Deutsch ging nooit naar een academie, maar kreeg zijn scholing bij Ensor. Hij werd tevens beïnvloed door Constant Permeke en Léon Spilliaert. Het was trouwens Ensor zelf die vond dat zijn pupil de passende attitudes had om een goede kunstenaar te worden. Hij was zachtmoedig, fier, tot luisteren bereid en hij had een enorme inzet om er te komen. Het maakte van Deutsch een graag geziene figuur. Veel van zijn werken zijn helaas verdwenen. Daar had uiteraard de Tweede
Wereldoorlog debet aan, maar toch moeten nog veel tableaus te vinden zijn. De eerste solotentoonstelling van Deutsch vond plaats in Galerie Manteau te Brussel; het is dan 1929. Tegen het einde van de oorlog wordt Carol samen met zijn echtgenote Fela uiteindelijk op 3 september 1943 gearresteerd. Vermoedelijk zijn ze verklikt. Ze worden naar het transitkamp van Mechelen gebracht en vertrekken op 20 september met transport XXII-B. Eindbestemming: Auschwitz. In het kamp zal Carol ingezet worden om schilder- en verfwerk uit te voeren, hij wordt dus als het ware  onderhoudsman. Etienne Van den Steen heeft met dit boek flink wat strepen verdiend. Naast een interessant onderwerp en helder taalgebruik weet de auteur de lezer tot het einde toe te boeien. Komen daarbij nog de massa’s kleurrijke illustraties en het nog nooit eerder gepubliceerd archiefmateriaal. Het boek blijft daardoor ook na lezing een blijvend bladerboek.

Op 20 december 1944 wordt officieel gemeld: “Carol Deutsch, Gevangene nr. 110422 sterft aan uitputting om 5u30.” In werkelijkheid wordt hij in Buchenwald neergeschoten met een pistool omdat hij, ten gevolge van platvoeten en uitputting, niet meer kan volgen tijdens een gedwongen Laufschritt. In het kamp wordt genoteerd ‘Dood door hartfalen”.
...

© Frank Decerf


Carol Deutsch, Etienne Van den Steen, C. de Vries-Brouwers, Antwerpen,2018, ISBN 978-90-5927-563-8


vrijdag 8 juni 2018

Zingen in tongen - Over de poëzie van Rozalie Hirs - Alain Delmotte

Het poëtisch werk van Rozalie Hirs volg ik al jaren. Hirs is binnen meerdere artistieke velden actief. Binnenin de kunstdisciplines die ze beoefent waagt ze zich op diverse creatieve terreinen. Ze is dus niet iemand die je in enkele woorden kunt vatten: ik heb het dan ook opgegeven om op haar werk een etiket te kleven. Ik laat haar poëzie op mij afkomen. Ik onthaal integraal haar werk en zie dan wel wat er met mij als lezer gebeurt.

Wat mij telkens weer, bundel na bundel, verrast is haar argeloosheid, die de vorm aanneemt van een aanstekelijk enthousiasme en welmenende nieuwsgierigheid. Wat als gevolg heeft dat ze zich in haar werk, zonder pathetische kwellingen en in alle frisheid, voortdurend vragen stelt over het hoe, het wat en het waarom van, in dit geval, de poëzie.

In elk van haar bundels doet ze iets dat je niet had verwacht. Iets wat uit de ‘toon’ valt. In
haar recentste bundel ‘verdere bijzonderheden’ (wel degelijk zonder hoofdletter - heel de bundel door blijven hoofdletters afwezig) lezen we een gedicht dat ‘ polysynthetisch sneeuwalfabet (sneeuwdroom anno 2071) ’ heet. Een tekst (die qua vormgeving (niet stilistisch) een beetje uit het geheel van de bundel valt) die getuigt van wat ik daarnet als ‘nieuwsgierigheid’ aanduidde en die hier vertaald wordt in lichte, bijna naïef aanvoelende experimenteerzucht en inventiviteit.

Het gegeven is simpel: ze neemt een woord dat is gaan behoren tot de panoplie aan clichés die de poëzie meer arm dan rijk maakt: het woord ‘sneeuw’. En daar doet ze dan onverwachte dingen mee.

In eerste instantie gebeurt er iets in dit gedicht op het visuele vlak: de tekst wordt in het wit op twee zwarte bladzijden afgedrukt. Je ziet dus letterlijk sneeuwvlokken van woorden vallen op het blad. Sneeuwvlokken en woorden, met wat ze in zich bewaren: kristallen. Zo ongecompliceerd, zo moeiteloos kan Hirs’ argeloosheid zijn. In tweede instantie is er de tekst zelf natuurlijk die eigenlijk een enumeratie is van wat sneeuw zou kunnen zijn zowel in concreto als in abstracta. Het gedicht lijkt in één lange adem geschreven. Een effect dat Hirs sorteert door het weglaten van de interpunctie. (Het ritmerende spel met de interpunctie is een constante in deze bundel en trouwens binnen het geheel van haar poëtisch werk vast te stellen.) Hiermee wint deze tekst aan een soort orale stootkracht. Ik ervaar dit gedicht als iets auditief-visueel. Dit niet om het gedicht in een categorie binnen te willen loodsen. Maar auditief-visueel als referentiepunt, als startblok.

Hirs blaast het woord ‘sneeuw’ nieuw leven in. Alsof ze voor het eerst het woord uitspreekt, het woord meebeleeft. Ze maakt van het woord ‘sneeuw’ een sneeuwtaal, een wit alfabet. Ze noemt dat dus zelf een polysynthetisch gebaar. Polysynthese is een term uit de linguïstiek. Een vrij complex begrip dat ik hier niet wens uit te diepen. We onthouden ervan dat Hirs met deze ‘polysynthese’ erin slaagt om binnen het woord ‘sneeuw’ allerlei onvermoede betekenissen op te roepen. Onder meer door het gebruik van neologismen.

Hoewel in deze bundel Hirs naar mijn gevoel meer allegorisch dan metaforisch uitvalt, citeer ik hier een beschouwende passus uit het laatste boek van Peter Verhelst, ‘Tegen het vergeten’. Ik citeer: ‘ Een metafoor creëert altijd spanning tussen wat wordt gezegd en waarnaar wordt verwezen, altijd zijn er oncontroleerbare betekenislagen, waardoor het nooit zeker is welke associaties ermee worden opgeroepen bij de toehoorder. (…) Metaforen genereren betekenissen, omdat net de frictie tussen oorspronkelijke betekenis en metafoor je in staat stelt ingesleten manieren van denken te verlaten, zodat je toegang krijgt tot een reservoir aan herinneringen en analogieën, die op hun beurt nieuwe onvermoede analogieën opwekken, gevoelens, fantasieën, dromen, hoop, illusies, angstdromen, woede, manieren om je niet zo eenzaam te voelen .’

Dit citaat lijkt me precies waar het Hirs om te doen is. Centraal in haar poëtisch werk staat namelijk ‘betekenis’. In haar eigen woorden: ‘ Uiteindelijk valt of staat een gedicht met betekenis (...) Voor mij is betekenis het belangrijkste ingrediënt’ . Misschien bedoelt ze met betekenis veeleer ‘betekenissen’, is het woord ‘betekenis’ hier als een metonymie te lezen: een enkelvoud dat als een meervoud is bedoeld. De taal zo aanwenden dat de taal eventjes uit de lexicale voegen stapt. De taal wordt dan meer klank, meer zang, meer glossolalie. Kantje boord wordt het gedicht een ‘ zingen in tongen’ zoals Hirs in de openingscyclus noteert. Op die manier maakt ze de taal weer tot feest, tot roes, tot geestdrift. Al wat ik ‘haar enthousiasme’ noemde en wat mij haar poëzie als blijvend aanstekelijk laat ervaren.

Ik veroorloof me hier een kleine, strikt persoonlijke uitweiding. Dat traditioneel een gedicht op een wit blad met in het zwart afgedrukte woorden wordt gepresenteerd, is iets wat Hirs blijkbaar niet erg gelukkig maakt. In haar vorige bundel ‘Gestamelde werken’ stond er al een cyclus ‘bij toeval en de sterren’ (zonder hoofdletter alweer) waarin de zwart-wit rollen binnen de typografische presentatie werden omgekeerd. In deze bundel is er dus het ‘polysynthetische sneeuwalfabet’.

In een klassieke setting lijkt het of het zwart van de woorden het wit de pas afsnijdt: het zwart neemt bijna alle plaats in, het wit wordt monddood gemaakt, wat ervan overblijft duikt onder. (De poëtische richting die als ‘écriture blanche – witschrift’ wordt aangeduid, zal nu net - onder meer - betrachten het wit weer tot adem te verwekken, door de woorden tot een minimum terug te brengen en/of die in een andere, niet-conventionele typografische schikking te plaatsen.) In het gedicht van Hirs gebeurt nu net het omgekeerde. Het blad is een dood zwart vlak (het onbekende jaar 2071?). De in het wit afgedrukte woorden brengen binnen het zwart ‘spreken’ aan: de woorden leven, proberen te duren. Ze verlangen. Een positieve houding lijkt me dat. Zure scepsis, door taalkritiek afgebladderde lyriek vinden we bij Hirs niet meteen terug. Ze benadert wat Paul Van Ostayen in beroemd geworden woorden omschreef als ‘ik wil bloot zijn en beginnen’. Haar poëzie begint en volhardt in dit begin. Haar poëzie wordt daarmee vitaal, bevindt zich in een toestand van ‘statu nascendi’.

In het polysynthetische gedicht (en eigenlijk doet ze dat in al haar gedichten) wordt het woord sneeuw uitgegraven en wat de dichter opdelft zijn betekenissen. Het zijn weliswaar geen sluitende betekenissen, omdat ze (zoals Verhelst stelt) niet altijd controleerbaar zijn. Die betekenissen bieden wel elk afzonderlijk een resem (lees)mogelijkheden aan. Ze beschikken over ‘spelingen’ (ik refereer hier aan de titel van één van haar bundels) en over ruimten, open ruimten. Met soms kosmische allures. In deze bundel echter blijven de ruimten eerder werelds en bovenal lichamelijk.

Waarom omschreef ik hierboven Hirs’ bundel meer als allegorisch dan metaforisch? Ik ga uit van de stelling (zoals doorgaans wordt aangenomen) dat een allegorie een consequente metafoor is. In de bundel staan twee cycli die hiervan blijk geven. Met name ‘bewegingslijnen’ en ‘varens’.

Hirs brengt taal in beweging, duwt haar zo veel mogelijke alle richtingen uit, voorziet haar van bestemmingen. De gedichten uit de openingscyclus ‘bewegingslijnen’ brengen het bewegingsproces in beeld, in taal, in kaart. Het allegorisch karakter laat zich merken in het beeld van ‘de pelgrimage’. Van die pelgrimstocht is de openingscyclus het verslag. Het is een verkenningstocht, een afdaling, een beklimming. En een inwijding waarbij de dichter wellicht uit ‘de walnoot’ van concepten probeert te breken. (‘Walnoot’ is een woord dat in deze cyclus een paar keer opduikt.) Fysieke gewaarwordingen, herinneringen, zinsbegoochelingen, opwellingen, dromen en nachtmerries trekken hun sporen in deze teksten (die zich afspelen in onder meer de hedendaagse grootsteedse wereld en de daarbij horende (sub)culturen). We vinden er ook het voor Hirs typerende spanningsveld ‘voelen en denken’ (die een onverbrekelijke twee-eenheid vormt) in terug. Een thematiek die zich overigens over de hele bundel uitstrekt.

Poëzie en denken. Nogal wat lezers verwachten dat poëzie zich enkel binnen een subjectieve gevoelswereld kan of mag ontwikkelen. Maar het valt niet te ontkennen dat de laatste 150 jaar het reflexieve deel is gaan uitmaken van het schrijven van poëzie. De vraag is enkel: over wat soort denken gaat het? De negentiende-eeuwse Franse dichter, de grote Stéphane Mallarmé gaf de voorzet: ‘il faut penser de tout son corps’. Stefan Hertmans varieerde daar ooit op met: ‘poëzie is denken met het lichaam’ en bracht hiermee de poëzie in de nabijheid van de dans. Het betreft dus niet meteen een filosofisch, of een zich naar een afgerond systeem toewerkend denken: het is een sensitief denken – zowel bewust als intuïtief. In een recent interview met Johan de Boose (Poëziekrant, nr.6, 2017) vertelde ze daarover het volgende: ‘ Voelen en denken houden wij sinds de wetenschapsrevolutie doorgaans heel erg gescheiden. Het was toen ook noodzakelijk om helder te krijgen wat wat is. Maar in mijn ervaring liggen ze dicht bij elkaar. Antonio Damasio’s boek ‘looking for Spinoza’ raad ik iedereen aan. Het maakt onderscheid tussen voelen en emotie. De emotie is de fysieke sensatie. Het gevoel is er zodra je de emotie een plaats geeft op de mentale achtergrond. Wanneer je de emotie een plek hebt gegeven in het lichaam, spreek je van gevoel. Dan is de emotie (be)grijpbaar geworden. Voelen en denken ervaar ik als één ding, het is een kruisbestuiving, een intuïtieve stroom.’ Het is speculatief maar ik kan het niet laten om de cyclus ‘bewegingslijnen’ van enkele aspecten van de processen die ze hier markeert het allegorisch rapport is.

In de cyclus ‘varens’ tendeert de pelgrimstocht naar een zoektocht. In dit geval een zoektocht naar ‘varens’. Het soort ‘varen’ dat gezocht wordt, is een soort ‘graal’. Iets waarnaar je blijvend op zoek kunt gaan en misschien wel voor een nimmer vervullend verlangen moet staan. Naar varens speuren om er nieuwe te ontdekken en er namen voor te vinden. Het lijkt wel erg op het schrijven en het lezen van een gedicht, die zoektocht. En een gedicht schrijven of lezen, dat doe je niet zomaar, daar moet je mentaal op voorbereid zijn. Je hebt er een gereedschapskoffer voor nodig waarin de dingen die je hebt bij te houden en te onthouden zijn opgeborgen. Een volle koffer vol sensitiviteit en vol capaciteiten om uitvergroot naar de dingen te kunnen kijken. (De poëzie schuilt in het detail, in het microscopische kleine. Blake: to see a world in a grain of sand.) Een koffer vol kennis, ambacht, woorden, denken en voelen. Om dat dan allemaal in taal tot betekenis uit te laten waaieren.

wat neem je mee? gereedschap: pincet, een plantenpers, zelf gemaakt
van lichte houten plankjes en wat vodden, landkaarten, bausch
& lomb, handlenzen, hastings, vergrootglazen: tienmaal, twintigmaal.
een pincet. felco, knijper. nikon, fototoestel met macrolens. nog meer

landkaarten, zoveel boeken als er in je rugzak passen, naslagwerken
voor de identificatie van varens, andere planten. garmin, gsm
om de weg mee te kunnen vinden, de precieze geografische coördinaten
mee te bepalen vindplaatsen. nieuwe varensoorten, modder, modder.

Kortom al het nodige voor de dichter en lezer om bloot te kunnen zijn en te beginnen: het nagestreefde nulpunt. Ik schreef dat deze bundel werelds was. Hier is een voorbeeld van. Het gebruikte vocabularium in dit gedicht is deze van de wereld van nu. ‘Varens’ is een mooie reeks die uit vier gedichten bestaat. Onbevangen, knipogend ludiek, intelligent (zoals altijd) en met die intelligentie valt de cyclus zeer subtiel en daarom verrassend uit. De bundel bestaat uit zes ongelijke delen bestaande cycli. Ik zal ze hier niet allemaal uitdiepen. Hoewel ‘je andere onophoudelijk’ en ‘oneindig breekbare’ veel interessants bieden. Ik sta nog even stil bij de laatste cyclus ‘zeg liefde’. Een ontvankelijk gedicht dat de lezer begroet met open armen. De open armen van de woorden.

Ook hier weer probeert Hirs een poëtisch cliché (liefde - in deze context wordt zelfs het woord ‘hart’ niet ontweken) tot iets nooit eerder gezegd uit te dragen. Het is een bijna idyllisch getinte hymne. Aan de liefde, aan het leven, aan de zinnelijkheid. De thematiek van het koppel voelen-denken wordt hier maximaal uitgevouwen en als een essentiële bouwsteen van het menselijke voorgesteld.

In de liefde vindt het lichaam zijn ultieme bestemming. Liefde is het overschrijden van een grens. Zoals het schrijven van poëzie. Een poëtische ervaring is een lichamelijke ervaring, een liefdesdaad. Buiten als binnen de werkelijkheid om: ’ verankerd in het lichamelijke als boven het lichamelijke verheven’ .

Dyonisos – Hirs herinnert er ons aan dat die uit het dijbeen van Zeus is geboren - wordt bejubeld. Dronkenschap gehuldigd. En het genot wordt niet vergeten: ‘ wie heeft zin in het leven als je het genot eruit weglaat?’ . Nooit eerder vertoonde Hirs zich zo uitgesproken hedonistisch. Wat een menselijke tragiek niet uitsluit: ‘ vond je geen wezens rampzaliger dan wij want al het andere is tevreden//met de grenzen die de natuur stelt terwijl wij de grenzen van het lot/steeds te buiten gaan’ .

In dit gedicht wordt niet meteen de geliefde aangesproken maar de liefde zelf. Ze wordt omschreven als ‘ gewoon hoopvol/gelukkige natuurlijkheid’ . Ze heeft dan ook geen grote woorden nodig om haar aan te spreken. Die woorden lijken uit een niet te stelpen ‘intuïtieve stroom’ vandaan te komen. De zinnen lijken zich te haasten: ze rollen over elkaar heen want ze moeten zo vlug mogelijk en als eerste ergens aankomen. Daar waar ‘Betekenis’ zich bevindt? Zo gedragen de zinnen zich als de liefde zelf. Een gedicht met een wat didactisch-filosofische ondertoon. Hirs brengt een door en door positieve boodschap. Een leerdicht maar dan zonder een uitgestrekt moraliserend vingertje. Een mooi sluitstuk voor deze bundel.

Ik merk dat ik hier en daar op een metapoëtische lezing van deze verzameling heb aangedrongen. Maar dit is een persoonlijke perceptie. Een andere lezer (of een andere lezing) kan andere schuifjes optrekken, op andere uitwegen uitkomen. Er gelden geen a priori’s voor het lezen van Hirs: de lezers heeft enkel de zintuigelijke kant van de woorden op te zoeken. Ongetwijfeld is dus deze bundel (voorlopig) Hirs beste en best haar meest menselijke bundel. Het hoort niet in een recensie maar toch wil ik in de laatste regel van deze recensie sentimenteel worden. Je voelt je niet eenzaam als je haar gedichten leest: Hirs geeft en deelt.

verdere bijzonderheden’ - Rozalie Hirs, gedichten, Querido, 2017, isbn 978902140857 6.


zondag 3 juni 2018

Geen wetten en regels meer - Bert Bevers


Bij Donny Darko van Richard Kelly

‘Zit er niet over in. Het is je gelukt.’
‘Ik kan alles doen wat ik wil.’
‘Het is tijd om te herademen.’

‘Ons levenspad moet rechtschapen zijn.’
‘Ga naar huis en kijk in de spiegel.’
‘Ik kan je de weg wijzen.’

‘Ik wil graag geloven dat ik niet alleen ben,
maar ik heb nog nooit een bewijs gezien.’
‘De hemel zal opengaan.’

‘Als de hemel plots zou opengaan
zouden er geen wetten en regels meer bestaan.’
‘Dan zou je alleen overblijven met je herinneringen.’


© Bert Bevers, 2018


zaterdag 2 juni 2018

Windmolentjes bij oma - Bert Bevers

Bij Lore van Cate Shortland

Een, twee, drie, vier, vijf, zes, zeven, hemel.
Zeven, vijf, vier, drie, twee, een, hel. ‘Je bent
erg veranderd.’ ‘Niet veel.’ ‘Op straat zou ik je
niet herkend hebben.’ ‘Ik u wel, papa.’ ‘Dat, dat

is een geruststelling.’

-

‘Moet het hier beter zijn? Ze vinden ons toch.
Kom je terug? Nu ben je gevangen. Je komt
niet meer terug, hè?’ ‘Luister: je mag nooit
vergeten wie je bent. Wees maar niet bang.’

Ze zullen zo hier zijn.

-

(Zang) De trommel riep ons naar de strijd, mij en mijn
goede kameraad. Hij liep naast mij in dezelfde pas.
Een kogel heeft hem weggerukt, en hij ligt voor me
alsof hij een deel van mij was. Hij wil mij zijn hand

nog reiken terwijl ik mijn wapen laad.


-

‘Voor de zege moet je pijn lijden.’ ‘Jij hebt niks
gezien. Je rende weg. Naar waar?’ ‘Naar oma’s
huis, waar blauwe windmolentjes op de muur
zitten. Veel, echt veel. Wacht maar tot je ze ziet.’

Wie heeft er ooit zo veel gezien?


© Bert Bevers, 2018


dinsdag 29 mei 2018

C. Buddingh'prijs - Editie 2018

Straks, dit is donderdag eerstkomend, 31/5/2018, wordt in Rotterdam tijdens “De staat van de poëzie” op Poetry International de Cees Buddingh-prijs voor poëzie uitgereikt. 
De prijs geldt - het is niks nieuws - als dé jaarlijkse debuutprijs voor nieuwe dichters. De genomineerden van dit jaar (gekozen uit een totaal van eenentwintig meedingende debuten) zorgden bij deze editie voor wel heel verscheiden, vrij verrassend en soms fel en gloeiend prozaïsch aandoend werk. Het zijn in alfabetische volgorde:

Dean Bowden met Bokman (Uitgeverij Jurgen Maas)
Radna Fabias met Habitus (Uitgeverij Arbeiderspers)
Elisabeth Tonnard met Voor het ideaal, lees de schaal (Uitgeverij het balanseer) en
Arno Van Vlierberghe met Vloekschrift (Uitgeverij het balanseer). Opvallend toch dat twee van de vier genomineerde bundels afkomstig zijn uit het fonds van de kleine maar erg fijne uitgeverij het balanseer. Van Radna Fabias publiceeren we hier eerder al haar winnend Oostende-gedicht. Redactielid Frank Decerf had toen naar aanleiding van haar bekroning ook een uitgebreid gesprek met haar.

De vier genomineerde bundels van dit jaar blijken ondanks een aantal mogelijke randbedenkingen stuk voor stuk sterke en intrigerende debuten te zijn! De jury (bestaande uit Charlotte Van den Broeck, Jeroen Dera en Antoine de Kom) daarover:

De inzendingen van dit jaar getuigen van grote diversiteit en verregaande vernieuwing, een zoektocht naar engagement in talige vorm waarin de kracht van poëzie als ontwrichtend medium duidelijk wordt,’ aldus de jury. ‘Taalplezier moet het af en toe ontgelden in deze soms cerebrale identiteitspoëzie, die een duidelijke zoektocht naar het ‘ik’ vormt. Opvallend zijn de kleine uitgeverijen: zij hebben het voortouw genomen in het bewandelen van deze weg van vernieuwing en durven opvallende stemmen uit te geven.

Geef toe, onaardig klinkt het allemaal niet. Wie we bij 'de Schaal van Digther' zelf als onze grote favoriet naar voor schuiven doet er niet zo heel veel toe. Toch hebben we hier vooral iets moois ontwikkeld met de titel van Elisbeth Tonnard's debuutboek: 'Voor het ideaal, lees de Schaal'... Mag het iemand verwonderen dat wij sinds het verschijnen van het boek de titel hier regelmatig als een mantra voor onze eigen activiteiten voor ons uit zitten te fluisteren!

(P.R.)

Update (1/6/2018)
Facebook-Bericht van Poetry International:

Poetry International Rotterdam heeft 3 nieuwe foto's toegevoegd.
10 uur ·

De C. Buddingh'-prijs is dit jaar voor Radna Fabias. Haar bundel 'Habitus' is het beste poëziedebuut van het afgelopen jaar. Voor De Arbeiderspers is dat de tweede prijs van de dag. Van Harte gefeliciteerd Radna! 'Deze poëzie is vlezig, goddelijk vunzig soms. En... er gebeurt wat in de poëzie. Zijn het vooral de kleine uitgeverijen die het nieuwe geluid mogelijk maken?

'Met overdonderde kracht sleurt ze de lezer mee in een broeierig tussengebied,' aldus de jury. 'Een subversieve stem die afkomst, bestemming, lichaam en perspectief te lijf gaat en daarbij zichzelf en de ander niet spaart, Deze poëzie is vlezig, goddelijk vunzig soms – en breekt de Hollandse dichtkunst weergaloos open, rekent af met het veilige vers. 'Habitus' zindert. Het is moeilijk te zeggen wat het meest beklemt in deze bundel: het tropische eiland, het Nederlands waar de ik-figuur naartoe reist, of de categorieën die afkomst en bestemming projecteren op het lyrische ik. Fabias maakt deze beklemming voelbaar en tegelijkertijd gooit ze geijkte opposities als ‘wit’-‘zwart’, ‘man’-‘vrouw’, ‘ik’-‘ander’ open door ingenieus gebruik te maken van een cameramatige, maar uitgesproken lyrische stem die alle perspectieven opentrekt en het niet schuwt om zichzelf en de ander op het spel te zetten.'

De uitreiking vond plaats tijdens De staat van de poëzie / Uitreiking C. Buddingh'-prijs 2018 op het 49e Poetry International Festival. Nog tot en met zondag - www.poetry.nl




zaterdag 26 mei 2018

Overburen - Bert Bevers (samenstelling)

Ik hou van dichtbundels en bloemlezingen waarbij originaliteit de grondtoon voert. Het is, vandaag de dag, niet meer voldoende om een boekje met degelijke verzen te vullen, de
dichter dient ook een ruimere horizon te exploreren. Er zijn voldoende poëziebundels die blijkbaar als enig doel hebben de kleine en grote pijnen van de auteur te reveleren. Overburen, poëzie tussen de grenspalen 269 en 369, is het brainchild van Bert Bevers. Terwijl sommigen anderen aanzetten om muren en grenzen te creëren gaat Bevers precies die hindernissen slopen. Via het labeur van collegae dichters wordt een poëtische grensroute uitgestippeld die loopt doorheen de Zeeuws-Vlaamse grensstreek en Vlaanderen. De samensteller ging op zoek naar gedichten over alle dorpen, gehuchten en steden op de grens tussen West-, Oost-, en Zeeuws –Vlaanderen. Voorwaar geen simpele klus. Via taal en poëzie stapt de lezer doorheen Het Verdronken Land van Saeftinghe tot Het Zwin. De selectie gedichten die Bert Bevers maakte, geeft uiting aan alle verbindingen die voor Nederland en Vlaanderen van waarde zijn.

In hotel De Dikke van Dale

Een avond buiten Amsterdam. Onder het raam
van mijn hotel zie ik drie jonge obers roken.

De kok – veel buik, veel kuif – heeft tongen zitten troosten
en staat hardop van beter werk te dromen. Vraag

je hem naar Sluis, dan klinkt het nors: ”Een heel kort woord,
drie letters.” Ook de obers willen hier ooit weg.

Ik hoor hoe Zeeland zucht: bewoners, kom terug.
maar zelfs de zee nam hier de vlucht. – Wat blijft: het boek

waaraan Van Dale in het stadshart heeft gezwoegd
en dan nog nooit een dichter heeft bedroefd.

Ik denk van alles, ik weet niets. Straks pakt de kok
zijn fiets en drinkt hij zielsgelukkig met zijn lief.

Iets later nemen vijf obers de weg naar huis.
Vijf obers nemen vijf wegen naar vijf huizen

en steeds staat in elk huis een prachtbed opgesteld
dat groot, heel groot is en tien sterrenstelsels telt.


© Menno Wigman



De 50 pennenridders in “Overburen” zorgen voor een mooie caleidoscoop aan talenten en invalshoeken. Wielerfanaat Bert Bevers krijgt, naast Menno Wigman, in zijn poëziepeloton het gezelschap van: Jozef De Paepe, Marieke van Leeuwen, Lucrèce l’Ecluse, Erna Coolsen, Daniel Billiet, Roger Saelaert, Rico Van De Janckenberg, Albert Hagenaars, Christina Guirlande, Michel Huisman, Jacques Hamelink, Hendrik Carette, André van der Veeke, Patrick Cornillie, Piet Brak, Emma Crebolder, Judith De Wolf, Patrick Rottier, Anne Dellart, Jozef Everaard, Jan J.B. Kuipers, Bas van Ouderkerken, Will van Broekhoven, Willem Persoon, Frank Pollet, Stefaan Van Bossele, Anton Van Wilderode, Fa Claes, André Moortgat, Frederick Lucien De Laere, Jacques Hamerlinck, Daan Noppe, Riec Kolman, Peter Theunynck, Patricia Lasoen, Jan Bosman, Alphons Wehrens, Liliane Bruylants, Omer Gielliet, Frans Buyle, Jos Daelman, Ries de Vuyst, Martin Carrette, Laurine Vandepitte, Maurits Mok, Frank De Vos, Marie – Cécile Moerdijk en Maria Vandemelanen.


Overburen, samenstelling Bert Bevers, Drukkerij Bareman Terneuzen, TekstBeeldGroep, 2017.

De bloemlezing telt 80 bladzijden en is mede tot stand gekomen dankzij de samenwerking met de Heemkundige Vereniging Terneuzen.


© Frank Decerf


zondag 13 mei 2018

Vergeefs, maar opgemerkt – Frans Deschoemaeker

1.

Elke bijeenkomst van ons leesgenootschap begint met de bespreking van een gedicht, dat bij toerbeurt door de leden gekozen wordt. Volgende keer ben ik aan de beurt. Niet iets om van wakker te liggen. Uit de gedichtendatabank in mijn hoofd weet ik ogenblikkelijk een gedicht op te diepen dat het genootschap een kwartier lang vermag te animeren. Nieuwjaarsbrief van Leonard Nolens bijvoorbeeld, het is tenslotte de eerste bijeenkomst van het jaar, of het kwinkelerende Lilalente van Ilja Leonard Pfeijffer, daarmee jaag ik gegarandeerd enkele genoten op de kast, of Torso van Joseph Brodsky, of Onder nul van Tomas Tranströmer, dat komt allemaal ogenblikkelijk in me op.
Maar het voorwendsel is te mooi om te laten liggen: wil ik mij gewetensvol van mijn opdracht kwijten, dan moet ik toch minstens weer eens een hele (regenachtige) namiddag lang door mijn poëziebibliotheek ploegen, op zoek naar dat ene, voor het leesgenootschap onvervangbare en noodzakelijke gedicht. Ja, toch?
Naderhand blijkt dat evenwel geen goed idee. De oeverloosheid van een ruim gesorteerde poëziebibliotheek werkt verlammend. Honderden noodzakelijke en onvervangbare gedichten betwisten elkaar hun onvervangbaarheid en noodzakelijkheid. Het schiet bovendien niet op, je blijft overal vasthaken, bijvoorbeeld nu weer aan dit :

2.

Levenseinde van een spin

net voor het doodgaan
ging hij verzitten, zette zich schrap
om zo waardig te sterven
in een houding van
dreigende waakzaamheid

het heeft nu
een dag geregend en er is
niets over van al
die waardigheid

lijf gekanteld, poten
slordig gespreid, een poot
zelfs al los verderop
gespoeld

hoe vergeefs ook de houding
het is niet onopgemerkt gebleven


Leo van der Zalm


3.

Ik weet niet eens of ik dit zo’n goed gedicht vind. Het heeft een hoog haiku-gehalte. Het lijkt in één lange haal van de pen geschreven te zijn. Het wekt de indruk dat er nog heel even verder moet worden aan gesleuteld. Moest dat slotakkoord, bijvoorbeeld, nu zo nadrukkelijk Reviaans?

Toch is dit een intrigerend gedicht. Dat de dichter oog heeft voor het kleine, het onaanzienlijke, het triviale, het nietige, dat waar iedereen overheen kijkt, wordt zelden zo pregnant als hier tot uitdrukking gebracht. Wie zag ooit een spin sterven? Behalve onder een samengevouwen krant of een schoenzool, maar daar gaat het nu even niet om. Een oude spin, die er de brui aan geeft, een jonge spin die in een territoriumschermutseling dodelijk gewond raakte en zich opmaakt om de laatste adem uit te blazen? Niemand, ook Leo van der Zalm niet, daar verwed ik mijn hoed om.

Maar Leo van der Zalm kan een erbarmelijk hoopje spin gezien hebben, dat al een dagje dood was, op de rand van ontbinding en verstrooiing, na de regenbui (zelfs om dàt te zien moet je al goed kijken), en omdat hij zich met die deerniswekkende aanblik niet kon verzoenen, laat hij in zijn gedicht die spin alsnog, met terugwerkende kracht, weerbaar, en dus waardig, sterven. En nog staat er niet wat er staat.


4.

Leo van der Zalm. Wie? Leo van der Zalm (1942-2002) was een schilderachtig figuur uit de Amsterdamse bohème. Zijn woonboot, die afgemeerd lag aan de Oudeschans, was een opvangcentrum voor daklozen, zwervers, hippies. De kleurrijke (en groezelige) troep vormde geruime tijd een attractie voor de rondvaartbootjes. Leo organiseerde happenings en vrije podia en dichtte in de marge. Diep in het ruim van zijn boot had hij een negentiende-eeuwse degelpers waarop hij zijn gedichten zette. Het was zaak korte gedichten te schrijven, want het bakje met loden letters raakte altijd snel leeg.

In die gedichten: veel aandacht voor het kleine, het onzichtbare, het geleedpotige, het wriemelende.

Leo van der Zalm publiceerde twee dichtbundels bij een reguliere uitgever. Hij haalde de grote bloemlezingen niet. Wel een kleintje: Gedichten 1992, een keuze uit de tijdschriften (Davidsfonds, Leuven). Daarin ontrukten de samenstellers Hubert van Herreweghen en Willy Spillebeen het Levenseinde van een spin, aangetroffen in het literaire tijdschrift De Tweede Ronde, aan de vergetelheid. Meteen ook het kanaal waarlangs ik dat gedicht vijfentwintig jaar later, op een regenachtige namiddag in januari, onder ogen kreeg.

5.

Chanson de geste. Staande sterven. Sterven in het harnas. Ik herinner mij stuk voor stuk de plaatjes van de historische reeks ‘s Lands Glorie, die ik als kind verzamelde, en die de iconen waren van de geschiedenislessen van mijn generatie. Op die plaatjes werd vaak in het harnas gestorven. Ik herinner mij het plaatje dat de dood van Roeland voorstelt. De zwaargewonde Roeland die rugdekking zoekt tegen een Pyreneeënrots, bloed spuwt, een laatste vijand velt, de Olifant aan de korstige lippen zet om het vierde noodsignaal te trompen over de pas van Roncevaux, en in die houding verstart, zijn houding in overeenstemming brengt met het historisch moment. Voor de ooggetuigen, de chroniqueurs, de illuminatoren, de mythomanen, de dichters. Voor de terugwerkende kracht.

Ga niet gedwee die verlokkelijke nacht in. Weer je. En dat het zo geboekstaafd zij.

Vergeefs, maar opgemerkt. In het grote, vergeefse, heroïsche verhaal van het verzet tegen de dood schreef Leo van der Zalm een klein vignet.


6.

Het werd uiteindelijk Nolens niet. Het werd de kwinkelerende Pfeijffer niet. Het werd Tranströmer niet, noch Brodsky. Het werd ook Leo van der Zalm niet, maar Rutger Kopland, met Beekdal, een gedicht zo mogelijk nog minimalistischer dan Het levenseinde van een spin. Maar ook dat is de reden niet.




© Frans Deschoemaeker

Uit: De waterlelies van Montparnasse, een werk in gestadige voortgang.


vrijdag 11 mei 2018

Het patroon van een bruidskleed - Wim Vandeleene

je kiest de zijde om het offer van de rupsen,
de pop die ze spinnen is een kiem van vleugels.
zo wil jij ook groeien. eerst naar binnen plooien,

dan de vleugels oppompen, met schrikkleuren
de lucht opeisen, tot pleinvrees je weer binnen haalt
en knus krap wordt. het kleed knip je uit papier,
het patroon houdt je binnen de lijnen.

de benen van de schaar kruisen elkaar zo scherp
zoals onze paden toen we elkaar troffen,
meteen op maat, sleutel op de deur.


© Wim Vandeleene


donderdag 10 mei 2018

Fontanel - Wim Vandeleene

het water breekt. de vrucht is rijp.
doof voor haar wee zink je traag, een lichte steen,
door de trechter van het bekken.
de schedel is nog open.

god liet wat marge. dat maakt je kneedbaar.
ze perst je door de hals, je ontwent al half aan haar,
ontsnapt met een weke plek, een open dak,
waaronder de grijze spons, nog in de knop.

je kan er de hartslag meten
als je er zacht een hand op legt.
na een jaar groeit de schedel weer dicht.
vanaf dan zit de geest in de cel.


© Wim Vandeleene


woensdag 9 mei 2018

Massa - Wim Vandeleene

massa is de trage slaaf van de kracht.
de vloed krijgt geen vat op de gestrande potvis.
een vrachtwagen zonder motor is een anker op de weg.

de grotere massa zuigt aan de kleinere.
ik mag niet zeggen dat jij de grotere massa bent
maar het verklaart mijn baan om je. soms ver, soms nabij.
de ellips die ik volg is de vorm van mijn twijfel.

er schuilt veel energie in de massa
alsof alle dingen ontploffen kunnen.
dat wordt merkbaar als je de kern splitst.
dan ontdek je hoe simpel die wet is.

hoe je een stad in een wolk laat opgaan
hoe een oorlog eindigt met een paddenstoel
waarin meer massa verdwijnt dan de rouw aan kan.


© Wim Vandeleene


dinsdag 8 mei 2018

Raakpunt - Wim Vandeleene

aan de muur het slavenschip van Turner,
een rode storm die alleen bedaart als ik wegkijk
en de drenkeling in me voor erger behoed.
we tasten naar wat ogen lusten.

maar in het museum geldt een aanraakverbod.
afstand bewaren is wat de rechter doet met een wet,
god met een wegwuifgebaar in de ether,
een maagd met mijnen om haar bed.

zoals een aar het licht raakt net voor de oogst.
zo raak ik even je hand als we om ons heen grijpen,
in een duel, een dans, het ritueel voor de kroost.
alleen in die storm zijn we voorlopig verbonden.


© Wim Vandeleene



dinsdag 24 april 2018

Nu houdt de kunst je tijd nog even vast – Lucienne Stassaert

Nu houdt de kunst je tijd nog even vast.

Met deze versregel in het gedicht “Witte kamers” uit "Letters in hof", dat gericht is aan zijn doodzieke moeder, zou men zowel het plastisch werk als de poëzie van Maarten Embrechts kunnen samenvatten. De kunst als een noodzakelijk intermezzo in de loop der jaren beheerst niet alleen zijn leven maar zij stelt hem ook op de proef op welke manier hij haar kan huldigen en zo nauw mogelijk kan betrekken bij zijn thematiek. Wat opvalt is een ten zeerste uitgezuiverde zegging, in die zin dat hij, hoeveel hij ook zou willen bekennen of uitbeelden, alleen het meest essentiële toelaat en met als typisch kenmerk van zijn poëzie een heel eigen ritme.

Stel u een gedicht voor zonder punten of komma’s, een taak die de hoofdletters overnemen om aldus, op een eender welk moment, het begin van een nieuwe versregel aan te duiden. Het wit tussen de strofen verkrijgt daardoor, af en toe, de betekenis van een rust in een muzikale compositie. In zijn geheel vormen de zes cycli met als eindpunt een Epiloog een aaneensluitende reeks, vergelijkbaar met een suite of partita.

Reeds in de eerste cyclus – Vooraf – komt een terugblik op het verleden voor die in de volgende cycli herhaaldelijk nog meer herinneringen oproept. Het is alsof Maarten Embrechts een uitspraak heeft willen bevestigen van de filosofe Hannah Arendt. Ik citeer: “Een volledig leven is alleen mogelijk als je het leven in je verbeelding herhaalt”. De rol die het geheugen hierbij speelt is van onschatbaar belang, om zowel het heden als het verleden te doorkruisen. De tijd wordt dan ook als een gewicht ervaren dat zwaar doorweegt en aan elke nieuwe herinnering een andere kleur verleent.

Het verband tussen zijn schilderijen van o.a. dementerende bejaarden en zijn gedichten die lijken te ontstaan tegen de dood op, springt in het oog. Met dit verschil dat zijn poëzie als kamermuziek op de rand van de stilte klinkt, terwijl de stilte in zijn plastisch werk heel beklemmend is.


© Lucienne Stassaert


Deze inleidende tekst werd door Lucienne Stassaert op zondag 25 maart 2018 uitgesproken bij de voorstelling van “Letters in mijn hof”, de nieuwste dichtbundel van Maarten Embrechts. De bundel wordt op donderdag 3/5/2018 nog 's toegelicht in Galerie De Zwarte Panter in Antwerpen. Daar neemt Quirillian, een muzikaal alter ego van dichter Frank De Vos de muzikale honneurs waar.

vrijdag 6 april 2018

Tijdsgeest - Geert Jan Beeckman

Parels voor de zwijnen heeft de tijd ingepikt
zie jij nog dichters lopen achter de stap
van communicanten en doden er huilt iets
de streken hebben het vermoord.

Kijk een gedicht kijkt de wereld bloot
vooral als niemand daar om geeft
wat ik sterf zijn de honden die er vet
mee zijn en wat de tijd zo snel
veranderlijk maakt nog meer.

Wat schrijft het nog zelfs stilte verkoopt
zijn eigen steen het gat in de aarde
heeft vuile handen en de regen
is in de put ontstaan nog even
en de poëzie zit alleen.


© Geert Jan Beeckman

Geert Jan Beeckman op Facebook
Geert Jan Beeckman Poëzie (Facebook-bladzijde)


donderdag 5 april 2018

Calais - Geert Jan Beeckman

naar een werk van Nicolas de Staël

Bijna ben ik onbeschilderd over
heel de lijn zat iemand aan mijn blauw.
Ik vraag mij af waar wast de maan
zich in nu mijn zee lekt nergens
geen klok staat onder de uren.

Zeven penseelstreken op zeven
blijft er veel van mijn tijd over.
In het midden zelfs groter
dan dat een zwarte rechthoek
mijn dunne evenwicht aanvecht.

Drie plassen in het licht dacht
mijn schilder na geen diepte
toe te voegen. Zijn stem is ijl
als de mens die hier spreekt.
Alleen ik even niet.


© Geert Jan Beeckman

Geert Jan Beeckman op Facebook
Geert Jan Beeckman Poëzie (Facebook-bladzijde)


woensdag 4 april 2018

Sneeuwmaat - Geert Jan Beeckman

Ook die van de overkant zeggen dat je
een andere manier van denken betreedt
als het erfgoed van de winter opgebaard
ligt in december.

De hartslagen de lamgelegde begeerte
van de geslachten die moeten doorgaan
voor leven. Wat zich aan het zien onttrekt
meet het oog meer gedachten aan.

De dag bevriest een sopraan. Een boom
brandt in het ijle. Het is stilte zonder taal.
Het draagt de schoenmaat van de tijd
en wij in vredesnaam.

Het koestert het marmer van de egel.
Het hartgrondige waarin rijpt het ongeboren vel.
Net als duizend jaar geleden hetzelfde
maar dan anders verteld.

Denk aan de sacristieën van het zwijgen.
Aan het uitbreiden van een droom in één daad.
Denk aan wat er in een gedicht kan schuilen
straks zijn wij dood en ook zo wijd.

Wij verwachten ook geen hindernissen
op een laatste reis.


© Geert Jan Beeckman

Geert Jan Beeckman op Facebook
Geert Jan Beeckman Poëzie (Facebook-bladzijde)


vrijdag 30 maart 2018

Eilandelijk spreken

Over ‘Kijk: verschaving‘ van Bart Vonck.
 
Recensie: Alain Delmotte

Wie voor het eerst kennis maakt met de titel van de nieuwe bundel van Bart Vonck, ‘Kijk: verschaving’, zal waarschijnlijk meteen zijn focus richten op het neologisme ‘verschaving’.
Het woord riep bij mij een resem associaties op: beschaving, verschuiving, verschrijving, verschrikking. Ik dacht aan schaven, schaafwonde, scheur en verscheurd worden. Ik hou het voor mogelijk dat het neologisme dat allemaal in zich zou kunnen dragen.

Op de zijkant van de bundel motiveert Vonck beknopt wat die ‘verschaving’ zou kunnen inhouden. Het begrip geeft een tweeledigheid aan. Enerzijds, als negatieve pool:’Beschaving is dikwijls ‘verschaving’ geworden, waaraan men zich scheurt’. Anderzijds, als positieve pool: ‘het schaven aan en met de woorden‘. De dichter onderneemt een zoektocht naar een verzet-in-woorden. Poëzie als verzetsdaad tegen wat ‘verschaaft’. Poëzie als maquis, zoals Roland Jooris het ooit heeft gesteld. En dat doet Vonck door de taal te ‘verschaven’, door scheurtjes in de taal aan te brengen.

Maar de titel biedt meer. Er staat ‘kijk’ en het kijken speelt een hoogst belangrijke rol in de drie cycli waaruit de bundel bestaat. Het ‘oog’ duikt voortdurend op. De gedichten verwoorden het oog. Maar wat voor oog is het? Het dode oog van een ‘toe-schouwer’, een kritisch oog, een onderzoekend, deducerend oog? Voor de dichter houdt ‘kijken’ vooral een aandachtig en alert kijken in. Een oog dat op zijn hoede is. Een oog dat zich met een scherpe blik verweert, dat verder kijkt. Wat uit die krasse oogopslag opwelt, omschrijft Vonck als ‘fragmenten van beelden en taal los uit een verband. Om zich te verbinden met wat de zoektocht-in-taal heeft opgeleverd’.

Dat Bart Vonck op de zijkant en in een nawoord van de bundel enkele handvatten aanbiedt voor het lezen van de bundel, is zinvol. Want ik kan me inbeelden dat er lezers zullen zijn die bij deze teksten ‘een syntactische herkenbaarheid’ missen. Dat er een ongemak zou kunnen ontstaan bij het lezen van een vers zoals:

na onschuld blijft nog dorst hier elders zijn
en eiland wet en slijpt zijn nood daaraan; (...)

De poëzie van Vonck is complex en dat is de rijkdom ervan. (Ik ben van mening dat poëzie overigens altijd complex is: het is één van haar eigenschappen. Goede poëzie althans.) Zijn gedichten zijn tot het compacte verdicht en tegelijkertijd strekt hij alles uit, strekt hij er van alles in uit zodat een gelaagde, veelhoekige tekst ontstaat die op een open manier te interpreteren valt. Of liever op een open manier ‘te verkennen‘ valt. In de bundel wordt dit proces kort, bondig en precies als volgt omschreven: ‘krapte die het woord verbreedt’.

Vonck dringt ons geen interpretatie op. Zijn poëzie vat vuur en de lezer vangt de gensters op. In de kern dus: dit is een poëzie waaraan je je vingers kunt verbranden omdat de syntaxis via allerlei kortsluitingen erin wordt verstoord. Een losgewrikte syntaxis. Een duel met de syntaxis. Een uitweg zoeken uit de syntaxis.

De bundel bestaat uit drie delen. ‘Gestolen dood’, ‘Eiland eiland’ en ‘Realia’.

Wie na een weifelende eerste lectuur, naar een eigen rangorde, naar een verhelderende insprong voor deze bundel zoekt, raad ik bij het herlezen aan om met de derde cyclus te (her)beginnen waarin drie gedichten staan die voldoende ‘herkenbaarheid’ te bieden hebben. Ongemeen klare taal biedt vooral het gedicht ‘Steve Biko’. Het thema is er onder meer de verdrukking van het individu. Het onmenselijke dat het individu wordt aangedaan. Hoe spreken wordt ‘vermoord’, verstikt. Het concretiseert wat zich als motief in de bundel voordoet: het individu als eiland. Het spreken als eiland. Met dat gedicht ben je echt wel de bundel binnen.


zoals ze je gruweldood rechtvaardigden
die nietige gedachten en hun immense misdaden
ze zo hun rigide persoonlijkheid botvierden
hun boerse calvinisme kapitalisme, hoeveel mensen hebben ze
in dood gestoken om hun racistisch systeem
te redden, apartheid, een gruwel voor velen
(maar niet voor iedereen onder ons)
en Steve, een ledige bloederige oogkas:
wat achter gesloten deuren wordt volvoerd,
“om de staat tegen ondermijning te beschermen.”

Wat je hier leest, klinkt behoorlijk expliciet. Je vraagt je af: waar is de gelaagdheid heen? Deze poëzie heeft ongetwijfeld zijn wortels in de werkelijkheid, de harde werkelijkheid en de verontwaardiging ten aanzien van sommige aspecten van die werkelijkheid. Bart Vonck heeft uitgesproken meningen en neemt een gevechtspositie in tegenover wat hem in de werkelijkheid verontwaardigt - zoals in geciteerd fragment. Zijn maatschappelijk engagement ligt voor de hand. Maar het is geen ideologisch gekleurd engagement. Bart Vonck is niet bepaald het type dat met vaandels zwaait. De dichter staat niet in dienst van iemand of ‘iets’. Hij is vooral de poëzie gedienstig. Zijn engagement als dichter, is een engagement in de taal, voor de taal. Een poëtisch engagement, een engagement in het spreken, door en met het spreken. Hij eert het woord, het vrije woord – al is hij zich bewust van de lexicale en ethische beperktheden van het woord. Het vrije woord vergt een kritisch woord. Het vrije woord is het kritische woord. Het is met dat soort ‘oog’ dat de bundel ons aankijkt. Het is met dat soort oog dat een lezer de bundel moet binnen stappen.

Wie spreekt, heeft en geeft een stem. De tekst verleent een stem. De tekst is een stem. Maar wat voor stem is het? Hoe spreekt de dichter? In een belangwekkend essay ‘Geen delicatessen’, onlangs verschenen bij het Poëziecentrum, citeert Eric Spinoy Paul Van Ostayen: ‘de dichter is, in tegenstelling met de rederijker, iemand die zeer moeilijk spreekt, en wanneer hij spreekt is het niet in zijn volheid – in ogenblikken van volmaakte volheid dicht hij niet – doch wel uit zijn verlangen naar deze volheid’. Verder in het essay noteert Spinoy in verband met Favery dat poëzie een ‘baldadig in de wielen rijden van het geijkte spreken in het algemeen en de lyrische traditie in het bijzonder’ is. Twee citaten die we zeker in verband kunnen brengen met wat zich in deze bundel afspeelt: zich losmaken uit een ‘rederijkerstaal’ d.w.z. het lopende retorische discours. De dichter steekt stokken in de wielen van dat discours. Om ergens in de taal terug een volheid te proberen benaderen, terug te vinden. Om die volheid optimaal te ervaren, fysiek te evenaren.

Een eerste etappe in dit proces lezen we in de eerste cyclus ‘Gestolen dood’. De dood is het de centrale motief in deze reeks maar fungeert eveneens als een op de achtergrond smeulende rode draad in de gehele verzameling. Dood denk je niet zomaar weg. (Ik zou dit kunnen bevestigen met allerlei citaten, maar dat laat ik even aan de lezer over.) De dood wordt bezworen en enkele gedichten nemen naar mijn gevoel de bijna groteske vorm aan van een ‘grand macabre’ zoals in het gedicht ‘Hoevenaar’ waarin de dood als een wrede behoeftige, weinig verfijnde hoevenaar wordt voorgesteld.

De dood moet een soort toestand zijn waarbij er ‘geen wij geen zij geen ik’ meer is zoals geschreven staat in het gedicht ‘De ronde der jaren’. Ik koppel daar heel subjectief de gedachte aan vast dat poëzie nu net een toestand is die compleet omgekeerd is aan die van de dood: er is een wij, een zij, een ik vitaal werkzaam in het gedicht. Hiermee heb ik het niet over een geproblematiseerde ‘identiteit’ van die wij, die zij, dat ik zoals het vandaag meer dan eens de gewoonte is. Een debat overigens dat me weinig kan boeien. Ik wil hiermee enkel het gegeven beklemtonen dat poëzie ook als een menselijke interactie bekeken kan worden. De kern hiervan is de dialoog: geven en ontvangen. (Wat buiten de poëzie valt, is dode letter, ontvleesde taal, restafval). Iets van het soort interactie dat ik bedoel lees ik uit volgende regels af:

(...) aanvaardt
als gave wat als gave is bedoeld blijft het driemaal

onder ons (geven heen ontvangen terug en geven
weer) (...)

In deze reeks is nauwelijks ruimte voor eloquentie – die is bedekt met ‘stuifas’ zoals in het gelijknamige gedicht. De eloquentie wordt hierin onderbroken door een stuwend ritme die de herhaling van de woorden ‘stuifas stuifas’ teweeg brengt.

Iets gelijklopend gebeurt in de tweede en ultieme etappe van het eerder aangegeven proces in wat het merkwaardige hoogtepunt is van deze bundel. En zelfs meer dan dat: het is een hoogtepunt in het poëtisch oeuvre van Vonck. Ik vind het een imposante reeks: aan alle kanten overtreft Vonck hier zichzelf.

In het eerste gedicht van de uit 27 gedichten bestaande cyclus ‘Eiland eiland’ staat bijna expliciet wat de bedoeling van de reeks is:

‘niet zonder speling is het heel gemaakt tot flard en franje

en uit een taal gehaald om er weer in te passen
exces dat in zijn volheid bijt en reikt nabij naar wat in ver ontsnapt’

Ik parafraseer het als volgt. De taal ontrafelen, de taal tot flard maken om daarmee een andere taal te laten ontstaan: een die zich in de volheid vastbijt. Een volheid die zich in spelingen en fragmenten even laat gewaar worden. En die een tocht onderneemt van nabij tot ver. Een tocht voorbij het rationele, ‘voorbij de kaarten en Descartes’.

Die andere taal noemt de dichter ‘eilandelijk spreken’. Een ingekeerd spreken en een misschien ook wel tot isolement gedoemd spreken: niemand ziet het, hoort het. Of bedoelt de dichter dat hij enkel ten aanzien van zichzelf voor het geschrevene verantwoording heeft af te leggen?

Eiland alsof er niemand naar je kijkt
eiland in je staart

eiland je vak

eiland die dit schrijft

(Bij deze regels kon ik het niet laten om aan René Char te denken. Die had het over een ‘archipel’, een eilandengroep in de plaats van een eiland. ‘Nous avons notre parole en archipel’ ‘We hebben ons woord als archipel’. In de loop van het gedicht gebruikt de dichter het woord ‘atol’, een cirkelvormig eiland die in de bundel ‘een schemerzone’ wordt genoemd.)

Al wordt er voor isolement niet gekozen: er is consequent voor volheid gekozen. Op het eiland ‘houdt verlangen onbevangen aan’. Het eiland als project, als strategie, als paradigma.

Is deze cyclus metapoëtisch te lezen? Het work-in-progress karakter van de reeks wekt die indruk. Maar deze gedichten beschikken over te veel betekenislagen om louter metapoëtisch te zijn.

De dichter gaf de cyclus de ondertitel ‘satori’s’ mee. In zijn nawoord gaat Vonck daar dieper op in. We kennen het begrip ‘satori’ (verlichting) uit het Boedhisme. Voor Vonck is die ‘satori, ‘eiland’, een bruuske breuk in de causale logica. Het subject, dat amper bestaat als eenheid-op-zich, gaat open voor een radicale negativiteit, die geen negatie is.’ Deze woorden geven het uitgekiende maquis van de dichter weer. Aan dit maquis wil hij vorm geven, het tot een (lichamelijke) constitutie maken. Hij noteert: ‘De vorm ontstaat (...) uit een ontmoeting van een situatie met een noodzaak.’ Mooie, lucide verwoording vind ik dat.

Het is onmogelijk om in deze recensie de cyclus in zijn geheel te analyseren. Ik distilleer hier wat mij erin opviel. Ik oriënteer me op basis van een zelfgemaakt leeskompas.

Wat een eiland kenmerkt is dat het omringd wordt door de zee. Een tegenstelling doet zich daarmee voor: het vaste wordt geconfronteerd met het vloeiende. De gedichten leggen het conflict daartussen bloot. Het eiland kan overspoeld worden, de zee kan verzanden of worden drooggelegd. (Die droogte (en dorst) duikt voortdurend op.) Water (of zee) en de tegenpool land (eiland of aarde) zijn terugkerende motieven. Water heeft iets vijandigs in zich: ‘verlies ligt vastgeroest op water’. Maar verlies of winst is niet het opzet, wel verandering.

(...) geen winst en geen verlies als alles opgaat in

verandering (…)

Water en aarde, schreef ik. Ook de twee andere elementen zijn aanwezig: lucht en vuur. (Het vuur dat wel al uit een andere bundel van Bart Vonck kennen.) Gezien die ‘verandering’ (het wordende) lijkt het me dat Heraclitus het eiland van Bart Vonck mee mag bewonen. Hier hou ik overigens weer een link naar René Char voor mogelijk. Char erkende Heraclitus als een van zijn leermeesters.

De zoektocht, waar leidt die zoektocht naar toe? Naar welke oord nodigt de dichter de lezer uit? Naar een tussentijd en tussenruimte waarin de tong kan worden losgeknoopt uit het verkleumde?
het schroeiende toch bloeiende zich daar ontplooit
in tussentijd en –ruimte; zoveel twijfel reist en in
zijn ogen slaapt dat schrijft dat schrapt dat stapelt

woord op woord wat heeft verkleumd de tong

De tijd, ‘het trage grage gretige bloed van de tijd’, kan het worden stil gelegd op het eiland? Nee, op het eiland is er enkel het ‘moment.’ De dichter vertaalt op een vervreemd(en)de manier Foucault.

‘volstaat het in het nu een
mogelijk te ontwerpen’

Het nu voor mogelijk houden, het nu als mogelijkheid. Zodat een soort poëzie, een poëtica ontstaat, die zich op volgende wijze laat kenmerken:

(...) zo onaf zijn en toch van alle begrenzing rondom genietende kristallisatie die
meegroeit meegroet in altijd weer uiteenlopende versies plannen
ruwe schetsen uit de normale kloktijd verdreven naar de gewone
loop van de dingen (...)

In deze passus viel me het woord ‘meegroet’ op. Het verbreedt het woord die eraan vooraf gaat: ‘meegroeit’. Groeien is groeten? Het gedicht groeit en groet. Hiermee lijkt me hoger gesignaleerde interactie bevestigd.

Hoe kan dit nu werkelijkheid worden? Vanuit welk brandpunt? Het antwoord is duidelijk: vanuit de plooien! De tussentijd en –ruimte bevinden zich tussen de plooien. Het woord ‘plooien’ valt een aantal keren. Zijn het de ‘plooien’ van Henri Michaux zoals die worden geëvoceerd in ‘La vie dans les plis’? Michaux die Vonck van heel dichtbij aan het vertalen is? Dezelfde plooien die Deleuze tot een bestandsdeel van zijn filosofie maakte?

Het eiland is een scherf, een restant, een exces aan wereld. Een ‘plekkeloze utopie’. (Klinkt beter dan een ‘vlekkeloze utopie’, want die is er niet.) In dat geval is het eiland niet zozeer een plek maar eerder een conditie, een tot stand gekomen ontmoeting tussen een situatie (de taal) en een noodzaak (de zucht naar volheid). Misschien zijn dit wel de plooien: de doorgangen waarin lichamen en woorden elkaar ontmoeten en vuur vatten. Wellicht is dit de wezenlijke betekenis van het eiland:

(...) hier vindt hij
alle plooien terug waaruit hij werd gemaakt’

De poëzie van Bart Vonck is nooit banaal en staat volledig buiten de trends. Ja, hij eist veel van de lezer. Maar evenveel eist hij bij het schrijven ook van zichzelf en van de taal op. Hij nodigt ons, zijn lezers, uit tot het ondernemen van een reis. Laten we hem volgen op zijn weg. Een weg, zo stelt de dichter, ‘die stapvoets ook zichzelf ontdekt verlegt’. Wie goed kijkt, leest veel.

© Alain Delmotte  

Kijk: verschaving’, Bart Vonck, Leuven, uitgeverij P, 2017 ISBN 978-94-92339-49-2


 

vrijdag 23 maart 2018

De ultieme balans van de dichter Nolens - Hendrik Carette


Een voorlopige geringe hommage

In een boekhandel in Leuven op het Ladeuzeplein (we mogen al eens reclame maken voor een goede boekhandel waar je ook nog eens wordt geholpen door een rondborstige juffrouw die vriendelijk helpt bij uw zoektocht naar het goede soms onvindbare boek!) vond ik de dichtbundel Balans van de dichter Leonard Nolens. Nolens is geen vijand van mij, maar ook geen vriend. Hij lijkt bijna in alles op mijn tegenpool. Ik verklaar mij nader. In 1986 verscheen het boek Vlaams Leesboek (Tielt: Lannoo, samengesteld door Jozef Deleu en Anne Marie Musschoot) met als ondertitel ‘Een halve eeuw poëzie, proza en literair essay’. En nu komt: het als echte tegenpolen staan wij samen elk met één gedicht in deze mooie bloemlezing. Ik op pagina 96 en hij op pagina 97 omdat hij in 1947 werd geboren in Bree en ik in 1946 in Brugge. Zijn gedicht heeft als titel de eerste versregel ‘Wat ik ken, wat ik herken van jou…’ en mijn gedicht heeft als titel ‘Palimpsest’.

Meer dan veertig jaar geleden trok hij van Bree in Limburg naar de stad Antwerpen. Meer dan dertig jaar geleden trok ik van Brugge in de kustprovincie naar Brussel. Hij speelt nog goed piano en ik was in mijn knapenjaren lid van een beroemd Brugs knapenkoor (Ons Dorado) maar kan niet meer zingen. Nolens heeft twee zonen, ik heb helaas geen dochter. Hij heeft al een indrukwekkend vijfdelig dagboek bijeen geschreven van 1056 bladzijden en ik sprokkel nog beetje bij beetje mijn voetnoten bijeen die werden gepubliceerd in de tijdschriften Radar, Kreatief, Kruispunt en TeKos (in chronologische volgorde) en binnenkort zelfs in het tijdschrift voor Europese literatuur & cultuur Passage (in het nummer over de cultboeken!). Beiden (Nolens en ik) publiceerden ooit in het beruchte verdwenen tijdschrift Labris (hij een prozatekst samen met zijn vriend Frans Denissen en ik solo met een Frans gedicht ‘Poème Impur’). In de kunstkroegen van Antwerpen heb ik Nolens een paar keer mogen ontmoeten want omdat wij beiden goed de kunstgoeroe Henri-Floris Jespers kenden en ook de dichteres Lucienne Stassaert dronken wij al eens samen een kelkje jenever of een glaasje gevuld met vuurwater. Maar dit leidde nooit tot een serieus gesprek of een diepzinnige conversatie. Nolens leek mij toen al erg op een binnenvetter of een introvert persoon en ik was toen al een luidruchtig extravert persoon en dit uiteraard ook door onze inname van spiritualiën of geestrijke vochten. Toch kan en wil ik niet ontkennen dat de ernst van deze monomane dichter en dagboekschrijver mij imponeert en soms ontroert. Toch vermoed ik dat deze dichter met deze dichtbundel van 2017 nu wel degelijk al alles heeft gezegd of beter alles heeft verwoord wat hij wilde mompelen, neuriën en optekenen. Een aantal verzen heb ik met mijn rood potlood onderstreept omdat ik dit nodig vond, een ander aantal verzen heb ik met mijn blauw potlood onderstreept. Laat ik maar beginnen met het geniale passionele rood : In het gedicht ‘Unster’ op bladzij 21 plots : de barst/ in het hart van je vriendschap met Frans (zou dit Frans Denissen niet zijn? of is het een andere Frans, en eigenlijk moet de lezer dit niet weten).

Op bladzij 25 in het gedicht ‘Burengerucht’ de eindverzen Gelach en gesteggel hierboven. Ik speel mijn heldenrol/ in een keukenmeidenroman. Op bladzij 31 het beginvers van het gedicht ‘Stiltes’ : Eenzaamheid had veel bekijks / waar ik vandaan kom, het stikt ervan daar. Op bladzij 36 van het gedicht ‘Kunsten en Letteren’ : Eenvoudige woorden als waanzin, pijn, verdriet, / die zijn toch dichterlijk bekeken allang taboe. Ook de hele eerste strofe van het gedicht ‘Vlucht’ op bladzij 42 heb ik helemaal met rood omcirkeld:

Je bleef een buitenstaander
in de binnenstad
en sloeg op de vlucht voor de greep
van de groep, zijn geroep, zijn gedoe.

En ten slotte het gedicht ‘Nanacht’ op bladzij 52; het hele gonzende gedicht (Nolens gonst graag) dat begint met de versregels : De meeste mensen gaan ’s avonds graag slapen. / Steden als Antwerpen werken en feesten de halve nacht door. Bezeten machines bezitten geen bed. En dan nu het blauw. Het gedicht ‘De laatste vriend’ op bladzij 19 blijft een mysterie. Gaat dit harde gedicht over Henri-Floris Jespers of over Wilfried Adams? We zullen het wellicht nooit weten. Toch noemt Nolens soms wel namen. Het gedicht op bladzij 38 gaat uitdrukkelijk over de Franstalige Antwerpenaar Guy Vaes. Het gedicht werd geschreven in Knokke waar zij samen mosselen aten en samen Chabliswijn dronken en is gedagtekend op oktober 2007. De tweede strofe is te mooi en te waarachtig om hier niet te citeren:

Guy is fotograaf met een fameus talent
voor zwijgen in drie talen en schrijven in treinen en kroegen,
gedichten, essays en romans in dat lichtjes barokke Frans
van Vlaamse Belgen uit de negentiende eeuw.

Wie zei ook weer dat Nolens een al te barokke en te hermetische dichter was ? Al bij al was dit voor mij een zeer leesbare bundeling van vermoedelijk een soort van verspreide gedichten of gewoon een bundeling van een aantal nog resterende gedichten. En dankzij het lezen van deze gedichten begon ik aan het lezen en herlezen van zijn zeer imposant en indringend vijfdelig Dagboek van een dichter 1979 – 2007 (Amsterdam : Querido, 2009) van 1056 bladzijden waarin ik als in een dik Bijbelboek met een harde donkerrode kaft en een gouden leeslint bijna alles vond wat ik absoluut nog ooit aan deze droevige dichten wilde vragen. Wat hij verzwijgt of verbergt is en blijft zijn zaak. Zijn geheim(en). Al is Nolens (soms) duister, hij zet zich (soms) glanzend uit.

© Hendrik Carette

* Balans, Leonard Nolens, Amsterdam : Querido, 2017, 16,99 euro, ISBN 978 90 214 08552, 53 pp.

zondag 18 maart 2018

F. Starik overleden - een hommage

Vrijdag laatst, 16/3/2018, overleed de 'uitvaart'- en stadsdichter F. Starik. Hij werd
slechts 59 jaar. Na dat van Menno Wigman is het overlijden van F.Starik alweer een harde klap voor de poëzieminnaars die we hier allen en ten allen tijde zijn. Ook wij bieden hier vanuit Vlaanderen zijn geliefde, Vrouwkje Tuinman, zijn zoon Boris en zijn familie, vrienden en lezers onze diepste deelneming aan.
Voor de Poëzierapport-site die onder leiding van Philip Hoorne van 2004 tot 2011 meer dan 300 poëzierecensies bij elkaar bracht, schreef Digther-redacteur Alain Delmotte in het jaar 2010 een recensie over de bundel Victoria van F. Starik. Bij wijze van hommage aan de bevlogen en persoonlijke dichter die Frank Starik bij leven was, publiceren we hier nog 's de integrale tekst van de recensie.


Het enige dat echt van ons is – Alain Delmotte

Over Victoria van F. Starik

Onlangs werd Frank Starik benoemd tot stadsdichter van Amsterdam. Meer dan die benoeming verbaasde me vooral het feit dat hij niet eerder tot stadsdichter was verkozen: het lijkt in het geval van Starik zo vanzelfsprekend, zo consequent sprekend. Eerder werd hij namelijk al i.v.m met zijn ‘eenzame uitvaarten’ als ‘de burgemeester van de achterkant van Amsterdam’ omschreven. In zijn nu officiële functie van Amsterdams stadsdichter volgt hij Adriaan Jaeggi, Robert Anker en Mustafa Stitou op. Stariks veelzijdigheid garandeert een frisse, misschien wel vernieuwende kijk op het stadsdichtersschap.

Met Starik halen de Amsterdammers niet meteen een lieflijke dichter in huis maar eerder iemand van het schielijke-oplichters-type. Starik kan inderdaad wel eens uit een narrige en grimmige hoek komen. Kan zo iemand een stad sieren? Amsterdam kan wel een stootje aan, dacht ik zo. Ik hoop van deze ‘gastspeler’ op niet minder dan brio.

Deze benoeming bracht me er alvast toe zijn laatste bundel ‘Victoria’ - die toch al weer een tijd geleden uitkwam - opnieuw ter hand te nemen. Wat ik in eerste instantie van Starik verwacht, krijg ik in de bundel ruimschoots aangeboden. Met name: geen omhaal maar goed gebekte, taaie gedichten. Gaandeweg de bundel raap je dergelijke gedichten op. En er is voor ieders literaire smaak wat. Er zijn erg pakkende gedichten bij. Blader maar.

Ik geef een voorbeeld aan. Een gedicht dat ik in mijn lectuur als erg allegorisch ervaar. Het zou trouwens al een ‘stadsgedicht’ kunnen zijn.


WIJ SPREEUWEN

November. Zes uur, halfzeven. Tegen het schemeren.
De hele dag gezocht naar hamburgers, friet, larven
van de langpootmug. Losse clubjes wolken samen
om te slapen rond het Centraal Station.


Dak, boom, lijst. Duizenden zielen dansen
in het laatste licht, stijgen op en dalen weer, zwenken,
zweven in een nergens genoteerde choreografie.
Goede slaapplaatsen worden generatie op generatie
doorgegeven. Hier op deze richel,
heeft iedereen zijn vaste plek.

Zie dan ook de mensen in de aankomsthal
bij het verlaten van de laatste trein, haastig
Op weg naar het eigen bed, gebukt, diep
Over zichzelf gebogen, tegen het eigen leven
botsend, ver van elkaar gelegen, later.

Laat zij aan zij de hardste gebouwen beven,
Doe daken trillen,maakt het omlijnde zachter.
Een boom vliegt op en blijft toch achter.
Noem het God. Het individu opgelost
In een groter genot, nergens om, waarom
Slepen zij een koffer mee, waarom dansen zij niet?


‘Raar spul, eigenlijk, verdriet.’ Starik omschrijft in het nawoord zijn bundel als een ‘geestelijk verzorgingshuis’, een poëtische E.R. Een tehuis waarin de ironie als hoofdgeneesheer fungeert. Hoe zouden deze verzen eruitzien zonder ironie? Als een hoopje pathos, een taalmassa dat als oprechtheid zou doorgaan? Dus niet. Liever niet. Intelligent en lucide tempert de ironie de grote gevoelens en thema’s (die Starik zelf aangeeft als zijnde ’Liefde, Tijd, Dood’. Thema’s die overigens onverbiddelijk aan elkaar zijn geknoopt). De ironie tempert eveneens elke vorm van verheven, profetische taal – een dubbelzinnig, soms elliptisch taalgebruik vloeit eruit voort.

De humor bestaat vaak uit understatement. De ellipsen beklemtonen het laconieke. Het laconieke resulteert dan weer in een effect van ‘stunteligheid’. Existentiële stunteligheid, welteverstaan. Zich niet goed weten te gedragen in het bestaan: er is weinig tijd overigens om uit te maken hoe we ons eigenlijk zouden moeten gedragen (alsof daar een vademecum zou voor bestaan, neen natuurlijk niet, we improviseren naar vermogen, we doen maar wat aan). Want het bestaan – titktak, tiktak - heeft haast. Grote haast. En heeft honger naar vrijblijvendheid. Grote honger. Op zo’n wijze lees ik graag Starik. Hij schrijft: ‘Alles wordt eens afgedankt – en ondertussen.’ Ja, ondertussen, het is dat pijnlijke ‘ondertussen’ waarmee het bestaan ons in zijn dwaasheid domineert – want het bestaan is dwaas en maakt dwaas – vraag me niet om het te bewijzen, het bewijst zichzelf. We leven in de gleuven van de tijd, we missen constant dingen en maken daar dan gedichten mee. Raar spul, poëzie. Dat Starik ons dit met bitsige scherts (die vaak zo snijdt dat het niet meer grappig is) probeert aan te praten, daar hou ik van. Het gedicht ‘Volgende keer’ illustreert een beetje de existentiële dingen die ik hier probeerde te parafraseren. Het gedicht brengt me een uitspraak van Richard Minne in herinnering: ‘Ik ben geboren. Een tweede maal moeten ze ’t me niet meer lappen.’ (Minne bij wie ik toch wel enige verwantschap met Starik zie, tot in de eenzame uitvaart toe. Uit ‘Afscheid van Pijper, commis-voyageur: ‘Gij wont de eerste manche; / de tweede, Pijper, won de dood’)

Als ik in een volgend leven terugkom, graag zonder
mondkapjes, plastic handschoenen, graag geen
verpleegsters met een mutsje op, leggende infusen
aan ziekenhuisbedden, graag zonder ziekenhuizen

in het algemeen, helemaal geen. Als ik in een volgend leven
terugkom, graag, laten we dan in ieder geval een paar
dingen afspreken: geen verrassingen meer, laat ons
de volgende keer allemaal tegelijk het pand verlaten

niet dat telkens zomaar iemand, terwijl we staan
te praten, ertussenuit wordt gehaald, midden in een gesprek
vertrekt, alsof er een mobiel afgaat – die neem je even niet op.

Dat er ergens iemand aan je denkt. Worstelt met een vraag alsof
Jij daarop een antwoord weet. Dat dus allemaal graag niet nog
een keer. Mobieltjes uit. Mondkappen af. Zo niet meer. Stop.


Een verzorgingshuis. Ziekenhuizen, wachtzalen, auscultaties, diagnoses: ze spelen een rol in deze bundel. De mens als ziektebeeld, zoals onder meer de twingste-eeuwse moralist Emil Cioran ons de mens kennen liet. Wordt het pessimisme even consequent als bij Cioran doorgetrokken? Bij de derde en laatste cyclus van de bundel prijkt een overigens prachtig citaat van Cioran. ‘Indien alles wat ik aanraakte treurig werd, indien een vluchtige blik op de hemel, deze al de kleur van het leed gaf, indien er om mij heen geen oog droog bleef, indien ik over de boulevards liep alsof ik over gloeiende kolen ging en de zon tegelijkertijd de schaduw van mijn passen indronk om zich aan smart te bezatten, dan zou ik het recht hebben het leven fier te bejegenen, het nog tot het mijne uit te roepen.’ Het weze de lezer tot troost: de misantropische lijn die Cioran tot een quasi catastrofale verloochening van mens en wereld aanzet (een keuze die mij op weeë momenten niet onverdienstelijk lijkt), trekt Starik niet door. Er spreekt uit deze gedichten niet alleen een grote sympathie voor de underdog (wat voor hand liggend is) en voor de spreeuwen maar ook en misschien vooral voor ‘de drom der namelozen’. Je kent ze wel: die met hun klein leed, hun nooit uitgesproken erg alledaagse en gelaten geworden bedruktheid. In het volle besef dat hij als dichter (de dichter die Starik omschrijft als ‘een leeg vlak tussen twee woorden’) zelf tot die drom behoort. De dichter is ook maar een medemens. Een medeplichtige aan en van de nameloosheid. Zo sympathiseert hij bijvoorbeeld met een werkster, een pendelaar, een palliatief verpleegster, een kankerpatiënt, een doe-het-zelver, een man met stinkende kousen aan: onze eenzaamheid, het enige dat echt / van ons is, van ons samen, van onszelf.

Explicieter dan in ‘Songloed’, merk ik dat de bundel bedacht is samengesteld. Gestructureerd. Gecomponeerd. De gedichten worden onderling verbonden via allerlei motieven, verhalen, richtingen. Eén van die motieven is de terugkerende, als vervreemding aandoende fascinatie voor gebruiksvoorwerpen. Maar het meest opvallende motief is uiteraard het Victoria-motief. Dit motief zou voor – naar wat Starik in zijn nawoord noemt - de ‘trouwe lezer’ een link leggen naar Stariks roman ‘De gastspeler’. Hiermee trekt Starik zijn eigen schrijverschap en kunstenaarschap open: het lijkt zich tot een geheel te kristalliseren, tot een en dezelfde, wijdlopige daad. De dichter, de stadsdichter, de romanschrijver, de weblogger, de publieke figuur, de performer, de zanger, de beeldend kunstenaar, de bedenker van de poule des doods en wat nog meer: in hoeverre kan je die in de lectuur van zijn poëzie nog uit elkaar gaan koppelen? Hoe erg is het om dat niet te doen? Helemaal niet erg! Tekst is tekst, jazeker. Maar, zoals ik al elders noteerde, Starik is Starik . Meer dan ooit.

Voor wie of voor wat Victoria staat, blijft lekker onduidelijk, opzettelijk vaag. Een personage? Een fantasma? Een allegorie? Een figuur, in retorische zin? Een pesterijtje? Zomaar een woordspeling? Of , met grotere kans, een chimère? (chimères - ook wel één van die dingen die echt van ons zijn, van onszelf, uit onszelf.) In een recent gedicht waar het in een context over een dansvoorstelling van Pina Bausch gaat, schrijft Starik: ‘Geen idee wat het betekende // maar het ontroerde diep.’ Victoria lijkt wel een soort Nadja, uit het gelijknamige boek van André Breton. Onwezenlijk, onvatbaar, even ontroerend en triest makend.

Uit hetzelfde surrealistisch geschrift vang ik het volgende, beroemd geworden zinnetje van Breton op. ‘La vie est autre que ce qu’on écrit’. Het leven is anders dan wat men schrijft. Zo ook is ‘Victoria’, bundel en chimère, meer dan wat ik er hier over kan schrijven.

Ik kende haar al toen ik haar tegenkwam
Ze had mijn hart al in haar hand voordat
Mijn hart gestolen was. Ze kwam eenvoudig
Naast me staan en zei nu laat ik je dus

Nooit meer gaan. Naar jou heb ik gezocht.
Zij was daar heel zeker van. Ik vroeg
Ga mee ik moet een stapelbed ophalen de tram
Kan er niet langs zolang dat ding daar staat


We renden en we renden langs de markt
Waar alle flessen waren de remise met
Het dubbelbed eraan de straat langs eindeloze
Trapportalen ik moest alles wat een huis

Een huis maakt eerste verzamelen echt
Overal vandaan. Te zwaar beladen kwamen
We eindelijk thuis. Ze belde aan. Ik kon niet
Opendoen. Ik moet nog altijd buiten bij haar staan.


© Alain Delmotte


Victoria – F. Starik, Nieuw Amsterdam, Amsterdam, 2009, ISBN 978 90 468 0682 1


Extern:
Amsterdamse 'uitvaartdichter' F. Starik (59) overleden
Bericht in de Volkskrant
Tzum-bericht
Wikipedia-bladzijde F. Starik
F.Starik op de nacht van de poëzie 2016 (YouTube)